is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan zijn botte afwijzing, op het voetspoor overigens van Van der Leeuw, van een goddelijk beginsel in de mens (blz. 51), waarbij ik graag aanteken, dat ik van zijn kritiek op Jung veel geleerd heb.

Maar vooral meen ik, dat de volwassenheid zelf, als stadium van het mens-zijn nauwkeuriger omschreven kan worden dan door weliswaar practische, maar weinig inzicht-gevende taak-aanwij zing. Op het intellectuele plan denk ik bijy. aan de voor de volwassene zo typische organisatie van het geheugen. Een kind ziet geen kans zijn waarnemingen gaaf in te passen in wat hij uit het verleden aan inzicht en ervaring meekreeg; bij een grijsaard verdwijnen brokken levenservaring in de vergetelheid. Het ordescheppend vermogen om de ervaringen van het ogenblik in te passen, zowel in de logisch geordende herinnering van het verleden, als in door -vroegere waarnemingen verrijkte "verbeelding, lijkt me uitermate typisch voor de geestesgesteldheid van de volwassene. Rijker weliicht aan practisch perspectief is de omschrijving, die Prof. Langeveld geeft in zijn „Theoretische paedagogiek”. Hij stelt tegenover elkaar, de onafgesloten, voortdurend zich wijzigende, op verandering gerichte en door aanmoediging of afkeuring veranderlijke habitus van de jeugd, tegenover de geslotenheid, het statisclrgeordend karakter van de volwassene en hij definieert de volwassenheid dan ook als de zelfverantwoordelijke zelfbepaling. Volwassenheid, zo licht hij toe: openbaart zich

als vorm en wel als individuatie d.w.z. als vorm van deze concrete mens èn als vorm d.i. eenheid van zedelijke normen, waarmee deze mens zich identificeert, resp. streeft te identificeren. De volwassene heeft een zekere karakterologische standvastigheid, tevens een normatieve standvastigheid en hij heeft er weet van. Hij weet van zichzeif min of meer wie hij is, wat hij wel en niet kan, wat men wel en niet van hem verwachten kan; vandaar, dat hij veel minder dan het kind overgeleverd is aan het oordeel van anderen (zie Langeveld biz. 34 en 35. uitstekend!). Dit voert Langeveld tot een fraaie opmerking, die het boek van Wijngaarden doorkruist en aanvult: „Op onvolwassenheid staat straf, wanneer men een zekere leeftijd gepasseerd is. De „meerderjarige” kan zich niet meer op zijn zedelijke onmondigheid beroepen”. Ik ben er van bewust, dat een onrechtvaardige critiek vaak de vorm aanneemt van een verwijt van onvolledigheid, maar ik heb straks al gezegd, hoezeer ik dit boek waardeer en aanbeveel. Wie een boek goed leest, voert er een gesprek mee, d.w.z. hy vraagt, hij onderbreekt, hij spreekt tegen, maar vooral hij stemt in. Het zou jammer zijn, ais de psychologische inzichten van dit boek geen ruime spreiding vonden onder ons.

Niet dat daarmee onze kennis van de mens voltooid is. Een volgende keer hoop ik verslag uit te brengen van een ander boek, dan spreekt niet de psychologie, maar de theologie over de mens.

J. Q. B.

Visie gevraagd

Hoe teder toch wordt dikwijls de vroegere SDAP in bescherming genomen door hen, die thans zich uitputten in de pogingen om aan te tonen, dat socialisme tot communisme voert! Met de weemoed van zoet herinneren vertelt men u, dat dat oude socialisme werkelijk echt was, dat de mannen van toen kerels uit één stuk waren, dat men toen nog wist wat men wilde, dat er aan bezieling in de eerste tientallen jaren dezer eeuw geen gebrek was. Men neemt dat oude socialisme in bescherming, nu het er niet meer is, om het nieuwe te hekelen. Daarbij wordt dan de groei, de ont-wlkkeling van het socialisme in onze streek voorgesteld als een ommezwaai, een breuk liefst. En men eindigt dan in de regel met zijn afstraffing van het huidige socialisme te kleden in het kwasi meewarig rouwbeklag, dat jammert over de „tragiek van de Partij van de Arbeid”.

Het is niet moeilijk om te verstaan, dat diegenen, die thans het oude socialisme om zijn gaafheid, zijn jongensachtige idealisme, zijn bezieling en zijn heldere blik in de toekomst verheerlijken, wellicht tot de feiste bestrijders er van behoord hebben, toen het nog in zijn bloeitijd was; en dat zij waarschijnlijk ook thans, nu zij romantisch het verleden idealiseren, geen goed woord er voor over zouden hebben, indien het in de vorm van een „oude SDAP” of van een andere radicale groepering met

Atomair steekspel

In de houding van de Sowjet-Unie staat één ding als een paal boven water, nl. dat de Russen niets voelen voor een effectieve atoomcontróle. De langdurige besprekingen daarover binnen het verband der Verenigde Naties gevoerd, hebben dat overduidelijk aangetoond. Het door het Westen gewenste beginsel van internationaal bezit en van internationaie controle, dat o.a. overal ter wereld onaangekondigde inspectie door een internationaai gezagsorgaan zou moeten mogelijk maken, acht Rusland niet gewenst. De Russen willen de atoomproductie in nationaal verband houden en zijn slechts bereid tot het toelaten van regelmatige en van tevoren aangekondigde controle op deze nationale productie. Alle geroep om atoombeheer ten spijt, zijn het de Russen, die een voldoende controle in de weg staan, voorheen zo goed als op dit ogenbiik, nu Stalin de eerste atoombomexplosie in Rusland bekend gemaakt heeft.

In het verband van de huidige Russische geneigdheid om enige ontspanning in de verhoudingen teweeg te brengen, past de nieuwe verklaring omtrjent bom en controle maar matig. Maar in elk geval wordt de beperkte draagwijdte van de Russische poging er duidelijk zichtbaar door. Evenals vroeger bij de contrólebesprekingen het geval was, propageren de Russische leiders thans wel, maar willen zij geen complete en algehele vredesbevestiging. De mannen van het Kremlin zijn trouwens politici van de oude stempei. Zij wensen geen ideaal vergelijk, slechts een zo gunstig mogelijke rustpauze. Zij willen alle mogelijkheden om hun doel te verwezenlijken, reserveren. Stalins verklaring is dan ook kennelijk in

de eerste plaats bedoeld om de Russische dipiomaten de gelegenheid te geven met het argument, dat de atoombom nu eenmaal in de huidige machtspolitiek is, te werken.

Maar waarom zou het gesprek met Rusland hierdoor minder gewenst zijn. De vaststelling van een bepaalde situatie, ook al is deze niet ideaal, is in elk geval nuttig. Zo zai het bijzonder nuttig zijn, als de Westelijke mogendheden het niet langer aan Adenauer overlaten om te onderzoeken welke mogelijkheden er voor de Duitse eenheid zijn. Eveneens zai het zeer gewenst zijn om nu eens ernstig naar de kansen van een waperistilstand in Korea te speuren. Het zou eveneens voor de West-Europese mogendheden goed zijn om te proberen de handelsrelaties met Oost-Europa uit te breiden. Met de dag wordt duideiijker, dat het een economische dwaasheid is om Oost-Europa voorgoed af te schrijven. Oost- en West-Europa kunnen economisch niet buiten elkaar.

De Verenigde Staten zijn niet in staat om een- voldoende vervangend afzetgebied aan te bieden. Het zou goed zijn als de West-Europese regeringen dit eens duidelijk zouden uitspreken. Aan onterende verboden door de Amerikaanse Senaat zou dan weliicht ook een einde komen.

Het „atomaire steekspel” wordt intussen voortgezet, zonder dat op genoemde critieke punten pogingen voor een bereikbaar vergelijk zijn gedaan. Het merkwaardige is, dat terwijl dit spel voor het Westen weinig direct voordeel biedt, de communistische ieiders er hoe dan ook profijt van 'hebben.

Om dit te kunnen beoordelen moeten wij weten, waar Rusland kans op voordeel heeft. Het doet er voor de Russen weinig toe of zij voor de Westerse volken nog wat onsympathieker worden. In onze landen krijgen zij immers geen been aan de grond. Maar in geheel Azië bijv. hebben zij veel

profijt bij elke afwijzende houding van de Westelijke politici,als zij daartegenover van eigen zogenaamde vredelievendheid getuigenis geven. Voor ons zijn alie Russische vredescampagnes nutteloos, maar het is een illusie om te menen, dat zij geen indruk nalaten op de Aziaten. Deze laatsten koesteren tegenover ai wat Westers is, nu eenmaai een principieel wantrouwen. Mogen wij verwachten, dat zij de zeifs voor ons vaak moeilijk begrijpbare Westerse politiek eerder zullen aanvaarden dan de schoon klinkende Russische slogans?

Het feit van de Russische atoombom zal het gevoel van onveiligheid bij andere volken versterken. De gemiddelde Duitser begrijpt bijv. heel goed, dat ingeval van een oorlog zijn land het eerste slachtoffer wordt. Een slagveld is niet aantrekkelijk; een oefenveld van atoombommen biedt geen enkel perspectief. Hetzeifde geidt in mindere mate voor geheel West-Europa.

De Amerikaanse verklaring, waaruit blijkt dat men in het Westen thans ook over atomaire artiilerie beschikt, kon tenzij dit bezit als constructief element wordt gebezigd in een gesprek tussen Oost en West dat gevoel van onbehagen alleen maar versterken. Bovendien is het bezit van het nieuwe wapen al even betrekkelijk als dat van de atoombom. Over enige jaren zal er een verklaring in Moscou worden afgegeven, dat Rusland ook atoomprojectielen kan afschieten. Het zai waar zijn!

De gehele situatie eist beslist een terugdringen van de Westerse politiek binnen de proporties van het werkelijk mogelijke, dat is van een vergelijk op ondergeschikte punten en voor een beperkte tijdsduur. Hierdoor zal geen grondige verbetering in de situatie kunnen worden verkregen. Mogelijke aanleidingen voor een oorlog, die in wezen voor de Russische poiitiek niet nodig is, kunnen echter worden vermeden.

H. VAN VEEN