is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 5, 27-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gevaar van het schuldbesef

Velen worden door minderwaardigheidsgevoelens gekweld, omdat zij zich zelf en hun eigen leven voortdurend vergelijken met anderen en het leven van die anderen.

zy moeten ernstig nadenken over het woord van Rabbi Susja, die kort voor zijn dood zei: „In het toekomende Rijk zal mij niet gevraagd worden: waarom zijt gij niet Mozes geweest? Mij zal gevraagd worden: waarom zijt gij niet Susja geweest?”

Minderwaardigheidsgevoelens kunnen echter ook nog op een andere wijze de blijdschap en het vertrouwen in ons leven aan vreten: doordat wij ons op een verkeerde wijze met ons zelf bezighouden.

In ons land is er een prediking, zowel bij orthodoxen als bij vrijzinnigen, maar toch het meest bij orthodoxen, die de minderwaardigheidsgevoelens bij het kerkelijk publiek als het ware aankweekt, door de mensen permanent op de grootheid van hun zonden te wijzen. Het resultaat is, dat er duizenden rondlopen, voor wie geloofsleven bijna uitsluitend bestaat in een alle levensvreugde ondermijnend zondebesef. De minderwaardigheidsgevoelens krijgen bij hen de gestalte van een leven onder geestelijke druk en zonder blijdschap. Zij zouden zo graag kinderen van God willen zijn en in de blijdschap van deze zekerheid willen leven, maar zij brengen het niet verder dan tot de hopeloze erkenning: ik ben het niet, of tot de machteloze wens: was ik het maar! Van geloofszekerheid is geen sprake. Zij leven niet in het licht, maar in het donker. Het besef, dat alle andere gevoelens overschaduwt, is het besef van schuld en tekort. En waar de blijdschap afsterft en het enige lied, dat gezongen wordt, een klaagzang of een boetelied is, daar ontbreekt ook de kracht en de activiteit van het geloof. Het lied, dat begint met de woorden: „God roept ons, broeders tot de daad” wordt als een oppervlakkig en ketters lied beschouwd. Men vervalt het is inderdaad geestelijk verval tot een volstrekte lijdelijkheid, die op haar beurt de minderwaardigheidsgevoelens nog weer versterkt.

Ook over deze geestelijke ziekte maakt Buber in zijn prachtige boekje „De weg van de mens” enkele zeer waardevolle opmerkingen.

Toen Rabbi Chajim van Zans het huwelijk van zijn zoon met de dochter van Rabbi Elieser had ingezegend, trad hij de dag na de bruiloft de woning van de vader der bruid binnen en zei: „Schoonvader van mijn zoon, gij zijt mij zeer na gekomen en ik moge u zeggen wat mijn hart kwelt. Zie, mijn hoofd- en baardharen zijn wit geworden en nog heb ik geen boete gedaan.”

„Ach, schoonvader van mijn dochter”, antwoordde hem Rabbi Elieser, „gij denkt slechts aan u zelf, vergeet echter u zelf en denk aan de wereld”.

Deze wijze, vrome en hulpvaardige Rabbi Chajim maakt zich op zijn oude dag verwijten, dat hij de ware ommekeer nog niet voleindigd heeft. Hij overschat zijn zonden en onderschat de tot dusver gedane boete. Hem wordt door Rabbi Elieser gezegd: „Gij moet u zelf niet voortdurend kwellen met datgene, wat gij verkeerd gedaan hebt, maar de innerlijke kracht, die gij door zulke verwijten verbruikt, moet gij besteden aan uw taak in de wereld; niet met u zelf moet gij u bezighouden, maar met de wereld”.

Ommekeer, die in het middelpunt van de Joodse opvatting omtrent de weg van de mens staat, betekent volgens Buber, dat de mens, verdwaald in de doolhof der zelfzucht, door een wending van zijn gehele wezen een weg naar God vindt, een weg ook ter vervulling van de bijzondere taak, voor welke God hem bestemd heeft. Het berouw kan slechts de drijfveer tot deze werkelijke wending zijn. Wie zich zelf echter meer en meer met berouw kwelt, wie zich zelf martelt, omdat zijn herhaalde boetedoening nog niet toereikend zou zijn, ontneemt aan de ommekeer zijn beste kracht.

Ik geloof, dat Buber ons hier een goede weg wijst en dat het voor velen zeer nodig is, om in dit opzicht naar Buber te luisteren. Zovelen komen immers niet verder dan het berouw en het zelfverwijt. Het gevolg is, dat zij, wat het handelen betreft, geremd en verlamd worden.

Buber vertelt, hoe de Rabbi van Ger met krachtige woorden in een preek op de Grote Verzoendag waarschuwde voor de zelfkwelling: „Wie over een kwaad, dat hij heeft gedaan, steeds weer praat en piekert, houdt er niet mee op het slechte, dat hij heeft gedaan, te denken, en men ligt vast in wat men denkt, de ziel is geheel gebed in dat wat men denkt, en zo ligt hij dus vast in het slechte. Hij zal stellig niet kunnen omkeren, want zijn geest vergroft en zijn hart wordt verstokt en bovendien kan zwaarmoedigheid hem nog overvallen. Wat wilt gij ? Of wij de drek zus roeren of zo roeren, drek blijft het. Gezondigd? Ja! Gezondigd? Neen! Wat heeft de hemel daaraan? In de tijd, dat ik daarover tob, kan ik toch parels rijgen, de hemel tot vreugde? Daarom staat er: laat af van het kwade en doe het goede... wend u geheel af van het kwade, pieker er niet over en doe het goede. Kwaad hebt gij gedaan? Doe daar goed tegenover”.

Dit zijn wijze woorden, die wij ons allen ter harte moeten nemen. Velen prijzen het schuldbesef. Schuldbesef zonder meer is echter onvruchtbaar en schuldbesef, dat wij koesteren, is levensgevaarlijk. Eerst doen wij zonde en dan, wanneer wij de zonde als zonde zien, gaan wij ons in de zonde verdiepen en over de zonde, die wij bedreven hebben, praten en redeneren. Het blijft een bezigzijn met de zonde. Daarin ligt niets, dat een mens verheft. Integendeel, het vernedert de mens. Het is zwart en het blijft zwart. En het gevaar bedreigt ons, dat wij, zoals wij ons eerst koesterden in het bedrij – ven van zonde, ons nu koesteren in het analyseren van en het nadenken over de zonde. Het kan zover komen, dat wij een ziekelijk behagen krijgen in het bezig zijn met de zonden, die wij bedreven hebben. En het enige resultaat is, dat wij zonaaren blijven en dat daarmee alles gezegd is.

Geen sprake van, dat God op deze wijze verheerlijkt wordt. Ik kan alleen maar geloven, dat wij God op deze wijze groot verdriet doen. Bij Hem is er naar het woord van Psalm 130 vergeving van zonden, opdat Hij gevreesd wordt.

Paulus heeft ook tegen het gevaar van dit nooit ophoudende zelfverwijt over bedreven zonden gewaarschuwd in zijn woord; „Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede”.

Schuldbesef is alleen van positieve betekenis, wanneer het gewekt wordt door de vaste overtuiging, dat God ons onze schuld vergeeft en ons leven vernieuwt. Er staat ergens in de Bijbel, dat God onze zonden achter zich werpt in de diepten der zee. Het kan nooit goed zijn, wanneer wij er op uit zijn, onze zonden altijd weer uit die diepten op te vissen. Het aldoor gekoesterde schuldbesef ondermijnt ons geestelijk leven en verlamt ons, zodat ons leven een onvruchtbaar leven wordt. Wij zullen alleen iets betekenen in de strijd om het Godsrijk, wanneer wij de hand aan de ploeg slaan en niet omzien, zelfs niet omzien naar de zonden, die wij bedreven hebben. Het christendom is een vrolijke godsdienst en het gaat niet op in piekeren en tobben.

J. J. BUSKES Jr.

DE OUDE Nog staat hij recht in rustig streven omhooggericht.

g£UK stoere brede kruin geheven naar ’t zonnelicht.

Nog ruisen, hladerarm, zijn takken een toonloos lied; dat morgen men hem om zal hakken, hij weet het niet.

Het schaarse loof, dat is gebleven, schijnt gouden gloed, een aureool, aan hem gegeven, die sterven moet.

Waar zag ik eer dit stralend derven, w.c. JOLLES stil, schoon en groot? God! doe ons rust en kracht verwerven tot zulk een dood!