is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 5, 27-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

e. Slechts de helft van de inwoners der Bondsrepubiiek kan gevoed worden uit de opbrengst van de eigen bodem. Het brood voor de overigen moet vooral uit Amerika geïmporteerd worden. Wanneer de Amerikanen zich uit West-Duitsiand terugtrekken, dan houdt deze toevioed van levensmiddeien ook op.

f. Aanvoer van deze ontbrekende levensmiddelen is zelfs by de beste wil door de bolsjewisten niet mogeiyk. De spoorlynen zullen nl. in geval van oorlog geheel worden opgeëist voor de verzorging van de troepen. De Russen zullen integendeel ook nog van de aanwezige voorraden hun deei nemen en de honger-catastrophe vergroten. Bovendien kunnen-ze met leeg terugrydende bevoorradingstreinen voor hen waardevolle Duitsers naar Siberië transporteren.

3. Allerlei bezwaren.

a. „De Rus zal Europa toch onder de voet lopen”. Op een onzinnige manier wordt over een atoombommenooriog gesproken. Ghandi wordt voorgesteld als een lichtend voorbeeid van succes-zonder-wapengeweid. Onze positie is echter geheei anders.

b. „Dan komt er een oorlog van Duitsers tegen Duitsers.” Dat heeft de regering in de Oostzone er niet van weerhouden om een zuiver militaire macht op te bouwen. „Wy zijn al te uitgebloed...” De hongerdood zal niet minder mensenlevens kosten dan een oorlog.

c. „De geallieerden moeten eerst maar eens het ons aangedane onrecht goed maken”. Die zo spreken, vergeten de rekening, die wij zelf aan schuld op ons geladen hebben. Men wil eisen en voorwaarden stellen. Met zo’n houding heeft de zwakste partij zich tot op heden altijd alieen maar belachelijk gemaakt!

d. „Als er Westduitse divisies komen, zal dat Stalin er toe brengen een oorlog te beginnen”. Duitsland is niet meer het middelpunt van de wereld. Ten aanzien van de totale herbewapening van het Westen zullen een paar Duitse divisies niet beslissend zijn voor een aanval van Stalin.

4. Enkele consequenties. a. Als West-Duitsland niet bereid is zich te verdedigen tegen de bolsjewistische siavernij, zullen de Fransen en Engelsen het ook niet verdedigen. Zonder West-Duitsland blijft er van Europa maar een smalle rand over, die (militair) niet te houden is. De Amerikanen zullen zich dan terug moeten trekken op de voor hen strategisch besiist noodzakelijke steunpunten Scandinavië, Engeland, Spanje, Zuid-Italië, Zuid-Griekenland en Turkije.

b. Ten aanzien van de leus: „Kanonnen of sociale voorzieningen”: de kan on – nen moeten we in ieder geval toch betalen! Dan kunnen we ze beter voor Duitse divisies betalen dan voor andere.

c. West-Duitsland is momenteel het toevluchtsoord voor honderdduizenden Duitsers, die uit het Oosten zijn gevlucht. Door te weigeren mee te helpen aan de verdediging van het Westen, leveren we hen uit aan de wraak van het bolsjewisme en ons zelf aan de bolsjewistische slavernij. Wij helpen daarmee dus onze broeders in het Oosten niet, maar bero-

Ven hen integendeel van hun laatste toevluchtsoord.

Tot zover deze argumenten en daarmee: tot zover deze discussie. Een paar dingen springen onmiddellijk uit de opsomming van argumenten naar voren: de ingewikkeldheid van het probleem en de verwarring en tegenstelling, die er in West-Duitsiand (en daar steliig niet alleen) ten aanzien van dit vraagstuk bestaan. Een tweede opmerking: de drie reeksen argumenten hebben in ieder gevai dit gemeen, dat ze alle het feit illustreren, dat in onze wereld geen geïsoleerd-nationaal denken meer mogelijk is. Ook in de contra-argumenten zit voortdurend het verweven-zijn-metde-internationale-verhoudingen verdisconteerd. Dit moge ons nogmaals doordringen van de noodzaak om de leuze van provinciaal-nationaal denken op te geven en de weg tot boven-nationale plannen en beslissing bewust te kiezen. Ook wanneer straks de verkiezingskoorts ons weer te pakken heeft, mogen we niet vergeten, dat dit gedeelteiijk een „provinciale” aangelegenheid is. De wezenlijke beslissingen vallen op een boven-nationaal vlak en onze „eigen” beslissingen zijn siechts in zoverre wezenlijk van belang, als ze een positieve of negatieve bijdrage zullen blijken te zijn voor de Europese en wijdere verbonden. In de derde plaats treft ook in deze discussie de (gevaarlijke) macht der (schijnbaar?) simpele redenering. De ex-generaai is het, gauwst met het probleem klaar op grond van een simpele; op „nuchtere feiten” (en een eenvoudig schema!) gebaseerde redenering. Na de voorgaande argumentaties is de zijne bijna (helaas!) verademend te noemen. Hoe gemakkelijk kan het gebeuren, dat een volk zich door zo’n al te eenvoudige redenering laat meeslepen. Te meer, waar een dergelijke redenering ook haar juiste elementen heeft.

Bij de argumenten van de vroegere Minister van Binnenlandse Zaken valt een zekere neiging tot romantiek niet te ontkennen. Een uiterst gevaarlijke zaak. De redenering over het „gemeenschappelijk Duits leven” staat buiten de realiteit van de politieke situatie, waarin nu de beslissingen moeten worden genomen. Hetzelfde geldt voor het spelen met een bepaalde neutraliteitsgedachte. De beide anderen maken dit voldoende duidelijk. Over een opmerking als deze, dat het Duitse volk op grond van zijn geschiedenis en levensinstelling antitotalitair is, zullen we maar zwijgen, evenals over de eenzijdig-onbillijke en betere suggesties t.a.v. de geallieerden.

Tot slot: wij hebben deze discussie zo uitvoerig weergegeven om de volgende redenen:

a. om een wat duidelijker inzicht te geven in de politieke gedachtenvorming in West-Duitsland.

b. Om zij het indirect in onze eigen discussies rondom de vraagstukken van bewapening, oorlog enz. een verhelderende (en tegelijk misschien complicerende) inventarisatie van argumenten te geven.

c. Om (nog eens) te illustreren, hoe moeilijk de politieke besluitvorming is. Want per saldo moeten bepaalde mensen, die ook al deze argumenten kennen, vanwege de hun opgedragen verantwoordelijkheid naar de een of de andere kant een beslissing nemen, concrete daden stellen. De inventarisering der argumenten en de discussie vormen in zekere zin aileen nog maar een betrekkelijk gemakkelijke en goedkope vóór-faze van wat eigenlijk politiek is, nl. „in vrees en beven” beslissen en handelen, omdat men daartoe geroepen is. J. H.

BENTVELDNIEUWS

HET GEZIN IN DE BRANDING

Dit was het thema voor de weekend-cursus, die 13 14 October jl. te Bentveld gehouden werd. Zaterdagavond sprak drs C. D. Saai over „Gezin en maatschappij”.

In vroeger eeuw overheerste de patriarchale grootfamilie (clan). Haar einde werd ook door het Christendom bevorderd, omdat de clan niet zonder vooroudercultus bestaat.

Dan komt de patriarchale kleinfamilie (= 3 generaties) .

Hierop volgt het individuele gezin met als grondslag de macht van de vader. Spr. wijst op het sterke individualiseringsproces. Vroeger was het gezin vaak deel van de samenleving, zoals men dat op dorpen nog vindt. Dit is het open gezin, t.o. het gesloten gezin in de stad.

Als gezinsfuncties noemt spr. een biologische, een economische en een culturele. Op alle drie gebieden ziet men wijziging. Waren vroeger productie en consumptie binnen één gezinsverband, tegenwoordig ziet men allerlei taken overgedragen (de was, enz.). Door leerplicht en jeugdbeweging is er veel meer buiten het gezin te doen, wat ook niet vervangen kan worden. Toch werkt het hebben van een gezamenlijke taak gemeenschapkonstituerend.

Zondagochtend sprak dr P. J. F. Dupuis over „Huwelijk en kindertal”. Sprekers uitgangspimt is de geboorteregeling. Sedert de 19de eeuw liep de kindersterfte van 40 % terug tot 2,58 %. Oo.i zijn ei nu veel minder misgeboorten. Maar er is ook de emancipatie van de vrouw: het huwelijk is een levensgemeenschap van gelijkwaardige mensen; de verheffing van het levenspeil. Dit bracht de mogelijkheid van een snelle bevolkingsgroei. Nog steeds werkt bij de afwijzing van kinderbeperking de hellenistische opvatting door, waarbij het lichaam als minderwaardig geldt. Ook al hebben de opstellers het zo niet bedoeld, toch denkt men bij het „in zonden ontvangen en geboren” van het Doopsformulier aan het lichamelijke. Dit plaatst de geslachtsdrift in „lagere sferen”. Het doel der huwelijksgemeenschap is niet enkel de voortplanting. Menselijk ingrijpen kan juist zijn. Er blijft een spanning tussen de menselijke verantwoordelijkheid en Gods voorzienigheid. Uit die spanning moet de mens leven. Niet hij heeft het laatste woord in de geboorte, maar God. Ook op dit punt is het ieven; dienen.

Over „Vernieuwing van het gezinsleven" sprak mevr. mr J. Kuipers—Sannes. Ofschoon de gezinstaak door school, cursus en jeugdbeweging zeer versmald is, toch is deze nog zeer zeker aanwezig en in belangrijkheid toegenomen. Het doel blijft kinderen op te voeden tot werkelijke vrije mensen. Het gezin is de leerschool voor het leven: gemeenschapszin en liefde. Het eigen gezin blijft de bril, waardoor je het leven later altijd blijft zien. Voor een goed huwelijk moet je vechten, dagelijks, aldoor, om een medemens gelukkig te maken. Zoals wij zijn, zo wordt ons gezin. Het kind ziet de fouten der ouders en noemt ze. De vrouw moet geen werkslaaf worden, maar ook cultuur genieten, de oren en ogen open hebben. Een half uur per dag voor uzelf, zegt spreekster tot de huisvrouwen. Hoe bewuster de moeder leeft, hoe rustiger het gezin. Het contact met de buitenwereld is de taak van de vader, inzonderheid in de gezinsgesprekken, die niet van een zwart-wit-schema moeten uitgaan. Hier is ook een punt het vertrouwen der kinderen te hebben. In het gezin zij regelmaat: flinke, beheerste mensen vormen. In de puberteit is die zeifbeheersing zeer waardevol. Wel moet men deze regelmaat weten te verbreken met feestelijke onregelmatigheid. Dat bestaat helemaal niet in lekker eten en dure dingen. Feest is de mensengeest, die zich op het bijzondere instelt. Het gezamenlijk aandeel is daarbij zeer belangrijk.

De veranderde gezagsverhouding eist een meer terugtreden van het uiterlijke gezag. Het gezin moet weer meer open naar buiten zijn. Een grotere samenbinding door karwei, door sober leven, door meer activiteit in de vrije-tijdsbesteding, door „zelfdoen” (blokfluit, piano, enz.)

Bij de bespreking op deze lezing kwam vooral de godsdienstige opvoeding naar voren, waarbij de cursusleider, dr Ruitenberg, opmerkte, dat de overdracht van het geloof van ouderen op jongeren nog te weinig onderzocht is. Hij verwerpt de oude drilmanier van opvoeders. Hoofdzaak is, dat de ouders het geloof met hun leven uitdragen. Vooral wekke men geen weerstanden of late sleur komen.

Het was een zeer geslaagd week-end.

Op 17 en 18 November heeft de A.G. een weekend-conferentie georganiseerd over het thema: De taak der oude jeugdbeweging. Leider: prof. dr P. A. H. de Boer. Deze cursus is bestemd voor oudleden van N.8.A.5., A.J.C., S.D.S.C., N.C.S.V., V.C.J.C., enz. Opening Zaterdag 17 uur.

De jeugdbeweging als historisch verschijnsel. Za-