is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 8, 17-11-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZITSSPREIDING

Op het NVV-congres van 27 October 11. is een resolutie aangenomen die een merkwaardige eis bevat: bezitsspreiding. Dit onderdeel (sub g) luidt: „een alle werknemers omvattend systeem van bezitsspreiding in te voeren, waardoor de factor arbeid een aandeel in het bezit van de omvangrijke voor de handhaving der werkgelegenheid noodzakelijke bedrijfsinvestering wordt gegarandeerd.” De toelichting van A. Vermeulen kwam volgens Het Vrije Volk van 29 October op hel volgende neer: „De investeringen zijn mogelijk geworden door de consumptiebeperking, waartoe wij ons bereid hebben verklaard. Zij zijn tot stand gekomen mede door onze offers en daarom hebben wij recht op een deel van die investeringen. Wij hebben recht op een deel van de winst, waaruit de investeringen tot stand komen.”

Hoe merkwaardig en ongewoon dit geluid is beseft men onmiddellijk als men bijv. de opmerking op het congres van Hofland (Metaalbewerkers) leest: het aandeel in de winst mag de arbeiders niet tot kleine aandeelhoudertjes maken. „Breng de aandelen samen in de macht van de vakorganisaties!” Ongetwijfeld klinkt dit veel modern georganiseerden vertrouwder dan de nieuwe eis. Bij hen leeft van ouds bovendien veel sterker de gedachte dat de sociale kwestie alleen door socialisatie is op te lossen; bezitsspreiding is altijd veel meer een Roomse wens geweest: men acht daar persoonlijk bezit voor de ontplooiing van de persoonlijkheid van zo groot gewicht dat men in de allereerste plaats de sociale kwestie wil trachten op te lossen door spreiding van bezit.

Het zou veel te ver voeren deze kwestie hier uit te spinnen en het zou ook onverstandig zijn omdat wij in een nabije toekomst er twee, laten we hopen gedegen, rapporten over kunnen verwachten. In de eerste plaats is er de Commissie-Cobbenhagen, die zich voorlopig heeft beperkt tot de winstdeling in de gewone, d.w.z. engere zin van verdeling der voor uitkering in aanmerking komende overwinst; in de tweede plaats is een subcommissie van de Sociaal-Economische Raad bezig met de bredere vraag hoe men arbeiders een aandeel kan bezorgen in de nieuwe investeringen. Het heet dat het eerstgenoemde rapport zowat klaar is en dat het tweede niet al te lang meer op zich zal laten wachten. We zullen er dus nog wel op terugkomen.

Het probleem der laatstgenoemde Commissie raakt het terrein waarop de resolutie van het NVV betrekking heeft. Het is ook wellicht het meest actuele: uitbreiding van de gewone stelsels van winstdeling zou immers in het algemeen de consumptie vergroten, hetgeen (ook volgens het NVV) thans ongewenst is, terwijl men zich daarentegen bij bezitsspreiding voorschriften kan denken die de verdeelde bedragen doen blijven in de investeringssfeer. Men kan zich zelfs heel goed denken dat zulke bedragen in de ondernemingen worden gelaten waar ze uit voortkwamen, zodat er alleen maar sprake is van overdracht van nominale eigendomstitels.

Aan wie? En hoe?

Helaas, het zou te ver voeren daar op in te gaan. Het NVV eist: aan alle werknemers. Dat omvat dus óók de werknemers die niet in de bedrijven, maar bijv. bij de over-

heid zitten. Over het hoe spreekt het NVV zich niet uit. Moet het pondspondsgewijs? Of moet het gedifferentieerd volgens bedrijfstakken of volgens ondernemingen? Moeten we toe naar een loonstelsel dat verschillen kent naar gelang van de in de diverse bedrijfstakken of ondernemingen behaalde winsten? Of moeten we juist vasthouden aan het beginsel dat bij gelijke prestaties een gelijke beloning hoort? Prevaleert de band van de arbeidersklasse als geheel of juist de band binnen de afzonderlijke ondernemingen of bedrijfstakken? U voelt wel welke verschillende gedachtenwerelden hiermee' worden aangeroerd.

Het NW heeft een zeer voorzichtige uitlating gedaan die geen antithetische verscherping van de discussie over deze vragen inhoudt. Het heeft bovendien een uitspraak gedaan in positieve geest in een richting die tot nu toe de zijne niet was. Het toont daarmee dat het met allen in den lande die de vragen van de maatschappelijke structuur willen bezien en met de tegenwoordige structuur ontevreden zijn, mee wil denken. Het stelt een zakelijke discussie op prijs.

Dat is buitengewoon verheugend. Wat er ten slotte uit de bus zal komen, welke omvang dergelijke bezitsspreidingssystemen zullen aannemen, het zijn vragen die men thans niet kan beantwoorden en die men nog herhaalde malen zal moeten bezien.

Eén critische opmerking moge mij van het Vermeulen verdedigde , waar is dat het is gehouden (in overleg met ra en), omdat een hoger niveau °° voor de arbeiders per slot schadeh (inflatiegevaar en werkloosn 4. argument niet op. vakbeweging een grote zelfbeheerverantwoordeeidsbesef; da,t het grote moeite kost deze ver verwijderde verbanden aan de duidelijk te maken, dat begrijp ik best. Maar een offer kan ik er bespeuren,

EVERTS

P-S. Inmiddels heeft Oosterhuis in een radiorede een precisering gegeven, die de lezers al wel zullen hebben gehoord. Het N.V.V. wil een afronding van winsten via een centraal investerings-instituut, waardoor deze investeringen gelijkelijk over alle werkers worden verdeeld. De zaak is dus veel antithetischer gesteld dan uit het congresverslag kon blijken. Het zal des te interessanter zijn te vernemen of en op welke wijze de S.E.R.-commissie tot een positief eensluidend voorstel zal komen.

gevecht met de eigen tijd

Het gedicht „Dies Irae” van Hendrik Marsman is ongetwijfeld een tijdsgedicht; de dichter verwenst de laagheid van zijn eigen dagen uit de grond van zijn hart. Dit vers heeft nergens iets theatraals of geposeerds, integendeel: de mens die hier spreekt voelt zich „neergedwongen in de lage zeden van een sombren godvergeten tijd”, en daar voelt hij zich machteloos tegenover staan: „O, de woede machtloos tot de tanden bloot te staan aan dit grauwe vagevuur!” Veel uitzicht op een gunstiger toekomst biedt deze aarde niet, maar ondanks dat eindigt de dichter niet in moedeloosheid; in een krachtig gebed, dat hij als het ware de schepping in stuwt, bidt hij om slechts één hoopvol teken, en hij is direct bereid opnieuw te geloven in betere dagen. Deze afkeer van de eigen dagen is Marsman niet vreemd. In zijn vroegere gedichten zagen we dat ook al; maar nu zegt de dichter niet meer dat hij graag „eeuwen en eeuwen” terug had geleefd, nu keert hij zich niet meer teleurgesteld naar een verheerlijkt verleden, nu durft hij de toekomst onder ogen te zien. In „Dies Irae” heeft het romantisch verlangen wortel geschoten in de werkelijkheid van de nuchtere eigen tijd.

In de eerste vier regels zet de schrijver kort zijn mening over zijn tijd neer. Deze regels zijn meesterlijk; vorm en inhoud zijn hier één. Het woord „neergedwongen” laat ons de last, waaronder we gebukt gaan, voelen. „Lage zeden, sombren, godvergeten”, en de lage klank in „gaan”, verklanken volkomen de ziel van die eerste regels. Het woord „schichtig” beheerst de derde regel, en door dit woord wordt de harmonie bereikt van de hele strophe. Het beeld „beesten” aanvaarden we terwijl we de noodlotsdreiging voelen in de woorden: „dien wij langzaam zijn ten prooi bereid”. Tergend langzaam, maar onontkoombaar.

DIES ISRAE

Neergedwongen in de lage zeden van een sombren godvergeten tijd

gaan wij schichtig om tusschen de beesten dien unj langzaam zijn ten prooi bereid.

zie, ons leven in de zwarte kuilen onder roet en regen van den nacht.

is nog slechts de echo van hun huilen dat het uur van zijn voldoening wacht.

ééne horde, schijnbaar in twee kampen, opgejaagd en weer belust op bloed.

hunkrend naar de pijn van sterke rampen, en het leven van den geest verbloedt.

o, de woede, machtloos tot de tanden bloot te staan aan dit grauw vagevuur!

wanneer zal dit Babel dan verbranden van de schachten tot het zwart azuur?

wanneer zal de horizon weer lichten

met dien smallen gloorstreep onzer hoop? zij behoeft geen grootsche vergezichten

om zich op te richten uit den dood;

laat één ster, een onaanzienlijk teeken

flonkren boven de rampzaligheid

en ovnieuw gelooven wij in streken voorbij ’t moeras van dezen lagen tijd.

H. MARSMAN

***★★* Nu volgt in strophe twee, drie en vier een nadere uitwerking van deze eerste vier regels. De aanhef van de tweede strophe is dan ook „zie”. Zie, onder welke zwart-sombere omstandigheden wij leven, terwijl alles in afwachting is van het moment waarop de huilende beesten, de overweldigers der