is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 10, 01-12-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnen de grenzen... 2

Bij de bezwaren, die wij de vorige keer opperden tegen het boek van prof. dr G. Brillenburg Würth over „Het Christelijk leven in de maatschappij” noemden wij ook het bezwaar tegen wat er niet in dit boek staat en de daarmee samenhangende onevenredigheid in de behandeling der onderwerpen. Ook hiervoor geven wij ter motivering van dit bezwaar enkele voorbeelden. Wij wezen er reeds op, dat een zo belangrijke vraag als die der geleide economie in enkele bladzijden (vier, waarvan er nog twee gewijd zijn aan enkele summiere opmerkingen over de P. 8.0.) op zeer onbevredigende wijze wordt afgedaan. Wel wordt hier en daar in het boek gewezen op de taak der overheid om chaos en onrecht in het sociaal-economische leven te voorkomen (naast talrijker waarschuwingen tegen overheidsingrijpen!), maar nergens vonden wij een systematische behandeling van de vraag naar de ethische verantwoordelijkheid van de overheid ten aanzien van de ordening van het economische en sociale leven, naar de grenzen van die taak in de huidige maatschappij, naar de „ophefbaarheid” van die grenzen in bepaalde situaties, naar de samenhang van deze ethische verantwoordelijkheid met zulke actuele problemen als geleide economie, belastingpolitiek enz. Waar het aan de orde komt, is het te fragmentarisch en te vaag.

Een ander actueel probleem nl. dat van de taak en de verantwoordelijkheid der kerk ten aanzien van het sociale en economische leven wordt eveneens in enkeie bladzijden afgedaan. Uiteraard ook onbevredigend. Hopenlijk ten onrechte geeft zo’n behandeling de indruk, dat de argumenten van anderen (in casu o.a. het nieuwere Hervormde denken over deze dingen) in wezen niet serieus worden genomen. Erger is nog, dat hier en daar de voorstelling der dingen apert onjuist is. Zo zegt de sch. bijv. „om tweeërlei redenen achten wij het ten zeerste ongewenst, dat de kerk in haar institutaire openbaring de plaats van bijv. de christelijke vakbeweging gaat innemen”. Waar en door wie is dan beweerd, dat de kerk de plaats van enige vakbeweging moet gaan innemen? Bepaald duister wordt het betoog, wanneer de schr. dan als eerste reden noemt het feit, dat de kerk dan immers in de noodzaak komt te verkeren een gezaghebbend woord te spreken ten aanzien van speciale problemen bijv. der economische samenleving, met betrekking waartoe zij de competentie mist, waardoor zij al vanzelf haar geestelijke autoriteit als kerk zal verzwakken.

Duister, wanneer even later wordt gezegd, dat de kerk „heilig concreet” moet spreken en „geen algemeenheden mag stamelen”. Dat de kerk „geen poging onbeproefd dient te laten om het werkelijke leven der maatschappij van vandaag met zijn benauwende problematiek te leren kennen en scherp inzicht er in te krijgen, waar het in de sociaal-economische strijd van. onze dagen precies om gaat.”

Duister, wanneer even eerder is gezegd, dat een organische opbouw van het sociaal-economische leven „in de lijn der Schrift ligt” en wanneer bijv. ten aanzien van het vraagstuk van de eigendom en van de gemeenschap zeer nadrukkelijk gezocht wordt naar een Bijbelse fundering van het betoog. Naar onze mening heeft de Bijbelse

boodschap ten aanzien van de problemen van het economische en sociale leven (die in elk tijdperk aitijA. concrete problemen zijn) niets te zeggen of wat de schr. zelf voortdurend probeert aan te tonen wel. In het eerste geval moet de kerk zwijgen, in het tweede geval mag zij, vanuit haar profetische en priesterlijke opdracht, niet zwijgen. Dat ook dan een beschaamd zwijgen beter kan zijn dan een voorbarig en onvoorzichtig spreken, daarover bestaat geen verschil van mening. Maar... dit raakt het gestelde probleem niet.

Bij het onderwerp „Enkeling en gemeenschap” treft een o.i. onevenredig-uitvoeriger beschouwing over de kerk als gemeenschap. De stelling, dat de kerk de „eigenlijke praeformatle van elke waarachtige gemeenschap in het mensenleven” is, hoort o.i. in de dogmatiek thuis en moet dan wel heel wat nauwkeuriger worden gemotiveerd. Wat hier weer ontbreekt is een duidelijke uiteenzetting van de sociaalethische vragen, die samenhangen met de problemen van de verantwoordelijkheid van de enkeling tegenover de gemeenschap en van de grenzen der gemeenschap t.o.v. de enkeling.

Een ander bezwaar, dat wij noemden, was, dat dit boek te veel het klimaat heeft van voor de „eigen kring” geschreven te zijn. Hierover enkele korte opmerkingen. Wat in dit boek gezegd wordt over de leer van de „souvereiniteit in eigen kring” is hoogstens ter zake voor hen, die a priori al met deze leer instemmen. Wat verwacht had mogen worden, was een uiteenzetting over de sociaal-ethische vragen ten aanzien van deze „souvereiniteit” wat betreft het sociale en economische leven en de taak van de overheid in deze.

Wat is in de huidige situatie de ethischverantwoorde inhoud van deze souvereiniteit en waar liggen sociaal-ethisch precies de grenzen? Het treft ook herhaaldelijk, dat standpunten, waarmee de schr. zich niet verenigen kan, wel uitvoerig worden weergegeven, maar wel heel erg beknopt worden tegengesproken (Brunner, Niebuhr, e.a.).

Wreekt zich hier niet een misschien onbewuste instelling, dat de lezer er door een korte weerlegging toch wel van overtuigd zal zijn, dat die „anderen” ongelijk hebben. M.a.w. de instelling, die uitgaat van de bekende mentaliteit van de „eigen kring”? Twee kleine voorbeelden ter illustratie. De uitspraak van Brunner, dat de decaloog (wet der Tien Geboden) voor ons geen bron is van sociaal-ethische waarheidskennis, wordt wel genoemd. Brunner snijdt daarmee een kwestie aan, die voor elk christelijk sociaal-ethisch denken toch wel heel belangrijk is. Een bespreking van een zo fundamentele vraag, die ook maar enigszins recht doet aan Brunner, vinden we echter niet. Vraag: omdat de ideeën van Brunner toch al voldoende althans voor de „eigen kring” afgewezen zijn?

Op pagina 282 vonden we de volgende uitspraak: „Over de vraag, of de principiële taak der christelijk-sociale beweging thans niet voor rekening van de kerk behoort te komen, gelijk van de zijde der „doorbraaktheologie” (curs. van ons, H.) met nadruk beweerd wordt, hopen wij later afzonderlijk te behandelen”. De schr. vergeve het ons, maar dit is toch geen stijl voor een

dergelijk boek. Dat de term „doorbraaktheologie” in de kring van schr.’s geestverwanten nogal opgeld doet, is ons bekend. Maar in een wetenschappelijke studie is zo’n uitdrukking onaanvaardbaar. Welke theologie is dat eigenlijk? Anders gezegd; aan welke theologie (of: theologieën?) doet men recht met een dergelijke aanduiding?

Er is al op gewezen, dat een veroordeling van alles, wat socialistisch is, een axioma van het boek schijnt te zijn geweest. Nergens wordt dan ook op een socialistische opvatting voldoende ingegaan. En dat, terwijl in ons land en daarbuiten, ook in verband met de vragen van een* christelijke sociale ethiek, hier een reeks van actuele vragen liggen. Of ligt de verklaring ook hier toch in het feit, dat de communis opinio in de „eigen kring” nu eenmaal toch al van alles, wat naar socialisme riekt, niets moet hebben?

Daarmee komen wij aan het bezwaar, dat wij voorop hebben gesteld, nl. dat dit boek, ondanks een poging tot een zekere progressiviteit, nergens de grenzen van een conservatieve traditie doorbreekt. Waar dit mogelijk zou zijn, wordt of (zoals we probeerden aan te tonen) gezwegen (of te kort de zaak afgedaan) of stuiten we op duisterheden, die aan tegenstrijdigheid grenzen, waarbij wat aan de ene kant wordt gegeven, haastig aan de andere kant wordt teruggenomen.

Dit boek faalt herhaaldelijk door een gebrek aan moed om radicaal te redeneren. Zo lezen wij op pag. 70, dat „elke plangedachte als zodanig door ons christenen niet als on-bijbels van de hand gewezen dient te worden”. Maar op pag. 71 lezen wij, dat de socialistische „plannen” moeten worden afgewezen, omdat daarin gedaan wordt, „als of wij mensen het recht hebben met een bestaande orde ... opruiming te houden en die door iets anders, iets nieuws, dat wij zelf ontworpen hebben te vervangen. Daarin zou zich „een zondige vermetelheid” openbaren, die „de grenzen tussen Schepper en schepsel uit het oog verliest.” En op pag. 92: „Het helpt niet genoeg, dat er allerlei misstanden uit de weg worden geruimd. Het eerst nodige is, dat bestaand onrecht wordt hersteld en in plaats daarvan treedt een nieuwe rechtsorde in het leven van de arbeid”. Nog zo’n reeks: „Wij zullen als christenen ons er nooit toe mogen lenen om aan de opheffing van de private eigendom mee te werken” (pag. 217). „Elkeen dient bereid te zijn, niet gedwongen maar vrijwillig, zijn beschikking over zijn goed te laten begrenzen terwille van het belang van de gemeenschap, waarvan hij deel uitmaakt” (pag. 224). „De overheid heeft (slechts) daar op te treden, waar het particuliere initiatief te kort schiet” (pag. 225). Met instemming wordt verder aangehaald de uitspraak van prof. Groeneveld, dat „de eigenlijke taak van de herverdeling van inkomen en bezit niet ligt bij de Staat, maar bij de „organen lager in rang”, de moderne bedrijfsorganisatie” (pag. 226). Het enige, wat wij naar aanleiding van zulk een bonte reeks van uitspraken zouden willen vragen, is: maak ons nu eens duidelijk, wat dit ten aanzien van een aantal concrete, actuele problemen naar uw mening zou betekenen. Misschien zou dan blijken, dat de schr. of in dezen „binnen de grenzen” wil blijven of dat hij toch de noodzaak van een feitelijke doorbreking van tal van in die traditie gewortelde grenzen als noodzakelijk erkent. In beide gevallen zou hij o.i. een belangrijker dienst bewijzen, zowel aan „geestverwanten” als „tegenstanders” dan nu.

J. H.