is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 10, 01-12-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Negers van Afrika

Ook in de nu nog overgebleven koloniale gebieden woelt het. Donker-Afrika is niet meer het land van gehoorzame Kaffers en Zoeloes, waar de blanke kolonist rustig zijn gang kan gaan. Nog niet zo lang geleden waren de Negers er niet veel meer dan werktuigen in de handen der Europeanen, maar het emancipatieproces der zwarte bevolking is thans in volle gang. _ . • 1 Ct.

De Engelse Labourregering heeft de zelfstandigwording van de volken aan de Goudkust en in Soedan voorbereid. Volledig succes is er nog niet geboekt, maar in elk geval is de kiem gelegd voor een zelfstandig politiek leven der betrokkenen. Frankrijk probeert het ook in Centraal-Afrika nog steeds met zijn Franse Unie, waarvan wij vorige week de theorie en de minder geluklige praktijk enigszins hebben belicht. België blijft in de Congo schromelijk achter.

Zonder twijfel is de politiek van Engeland het gezondst. Engeland heeft zich tot nu toe weinig illusies gemaakt over een toekomstige samenbinding tussen de komende Negerstaten en het Britse moeder- « land. In verschillende gebieden streeft het uiteindelijk naar het reële minimum van het behoud der economische mogelijkheden.

Thans heeft de nieuwe conservatieve minister Oliver Lyttelton eveneens de weg naar de vrijheid gewezen voor de Negerbevolking van het land gelegen tussen de Unie van Zuid-Afrika en Congo, nl. Zuiden Noord-Rhodesia en Nyasaland. In het begin van dit jaar is over de toekomstige status dezer landen reeds geconfereerd te Victoria-Falls. Het gedreun der machtige watervallen heeft toen echter nog niet de juiste toon weten af te dwingen. De bijeengekomen stamhoofden zijn teleurgesteld uiteengegaan, toen de Engelse vertegenwoordigers niet duidelijk wilden zijn over de vorm der samenwerking tussen de blanke kolonisten (160.000 in dit gebied) en de Afrikaanse bevolking (6.500.000). Het Witboek, welks publicatie aan de recente verklaring van minister Lyttelton is voorafgegaan, geeft helaas nog steeds geen nadere toelichting op dit punt. Intussen is het juist gezien, dat Engeland zo spoedig mogelijk een einde wil maken aan het politieke vacuum, in dit gebied ontstaan. Deze landen zijn nog nauwelijks gekoloniseerd. Het getal der blanke bevolking wijst er op. Er zijn nog veel meer mogelijkheden, maar alleen als de bevolking politieke rechten verwerft. De stemming der bevolking is er nog redelijk, maar door de rassenpolitiek in de Unie van Zuid-Afrika, waar Malan steeds meer de haat der Negers opwekt (en de afkeuring van een groot deel der gehele wereld), is er een zeker wantrouwen ontstaan tegenover de werkelijke bedoelingen der Britse regering. – . I 1 *.

Dit wantrouwen is door verschillende gebeurtenissen eerder versterkt dan verminderd. Ten eerste is er de kwestie Seretse Khama. Om Zuid-Afrika te plezieren heeft de Labourregering Seretse en zijn oom Tsjekedi uit hun land verbannen. Men kent de geschiedenis. Ondanks de belangen die liggen in een goede relatie met de Zuidafrikaanse Unie, is deze maatregel zeer betreurenswaardig geweest.

Een tweede voorval heeft nu pas weer het vertrouwen in Engeland een knauw gegeven. Zoals men weet, bestaat er met Zuid-Afrika grote onenigheid over voormalig Duits Zuidwest-Afrika. De Unie heeft dit protectoraat van de Volkenbond overgenomen. Toen de Volkenbond verdwenen was

vonden de Zuid-Afrikanen, dat het land nu deel van hun land moest uitmaken. De beheerschapsraad der Verenigde Naties verzette zich hiertegen. Een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof heeft vastgesteld dat Zuid-Afrika, de status van het land niet mag veranderen en aan de mandaatsverplichtingen gebonden blijft, dus ook te maken blijft hebben met de beheerschapsraad.

Aangezien Zuid-Afrika dus mandaatsverplichtingen heeft, valt zijn beleid in dit mandaat onder artikel 76 van het Handvest, waarin de verplichtingen op politiek gebied nog eens worden opgesomd, alsmede de noodzaak van eerbiediging van de rechten van de mens zonder onderscheid van ras, taal, sekse en geloof.

Aan deze verplichtingen voldoet Zuid-Afrika geenszins. Het is Malan echter te bar om op zijn vingers te worden getikt voor zijn beleid in het mandaat, terwijl hij hetzelfde beleid straffeloos in eigen land kan vol voeren. Zijn rassenpolitiek is in flagrante strijd met de rechten van de mens en enkel te verklaren uit een krampachtige poging om de gunstige positie der numeriek zwakke blanke bevolking ten koste van de ontwakende zwarte bevolking te consolideren.

Vorig jaar besloot de beheerschapsraad de zendeling Michael Scott als woordvoerder der inheemse stammen te horen. De vertegenwoordiger van Zuid-Afrika liep toen kwaad weg. Het Hof te Den Haag heeft nu echter uitgemaakt.dat de regering van Zuid-Afrika in elk geval verplicht is petities der inheemse bevolking aan de beheerschapsraad door te geven. Dat doet Malan nu, maar hij verzet zich met dezelfde drei-

gementen als uittreding uit de U.N.O. tegen het besluit van de raad om nu een aantal stamhoofden te horen, ter toelichting van hun petities.

Deze kwestie trekt ook in Centraal-Afrika sterk de aandacht, omdat bij de stemming Engeland het nodig heeft geacht te zamen met Frankrijk (en uiteraard de Unie van Zuid-Afrika) zich te keren tegen een ruime interpretatie van de politieke rechten van de beheerschapsraad, waardoor Malans beleid openlijk zou kunnen worden af gekeurd. Te recht vragen de politieke leiders in Centraal-Afrika zich af, of de edele plannen der Engelsen voor hun gebied wel oprecht gemeend zijn, en of de Engelsen misschien ook weer ten aanzien van Centraal-Afrika voor Malan door de knieën zullen gaan.

Deze laatste stap der Engelse regering heeft de conservatieven in Centraal-Afrika geen goed gedaan. Tijdens de kwestie Khama hebben de conservatieven luidkeels geprotesteerd tegen het bedreven onrecht. Nu moeten zij echter tonen, dat zij dit kabaal kunnen verantwoorden. Zij kunnen daarbij niet volstaan met een Witboek waarin vrij onnauwkeurig een federatie van Centraal-Afrika wordt uitgetekend. Praktische daden als een distanciëring van Malans beleid in Zuid-West-Afrika, de terugkeer van de Khama’s naar hun land, en een duidelijke uitspraak over de positie der blanke kolonisten en over de wijze van de bodemverdeling (zeer essentieel voor de stammen) zijn hier voor nodig. Als de Britse regering hiertoe kan besluiten, kan wellicht een einde komen aan het langzamerhand gevaarlijk wordende politieke vacuum in Centraal Afrika. Wordt haar beleid echter niet duidelijk en ongeveer in bovenstaande zin geconcretiseerd, dan zal deze halfslachtigheid grote schade kunnen brengen. De Neger is geen werktuig meer. H. VAN VEEN

VREDE

TER OVERDENKING IN DE ADVENTSTIJD

Sommige mensen zijn voorbestemd om in deze wereld een bepaalde opdracht uit te voeren. Er is een vaste lijn in hun leven, waarvan niemand de strekking doorgrondt, zelfs niet de geroepene, alleen God weet, waartoe dit leidt. Zo’n figuur is Jeremia. Hij was voorbestemd om het volk een vreselijke boodschap door te geven, een boodschap van nederlaag en smaad. Een dergelijke boodschap kan slechts twee reacties opwekken: men is een landverrader of een profeet. Het is duidelijk, dat het volk tussen deze beide mogelijkheden geaarzeld heeft en hem nu eens met het heilig ontzag voor het profetische, dan weer met de haat jegens de landverrader benaderde. Voor ons, die dit alles als geschiedenis en nog wel als openbaringsgeschiedenis mogen verstaan, is het duidelijk, dat hier het streven was om „God hulde te bewijzen en Hem alleen te dienen”.

Jeremia keert zich met de felheid van zijn gehele persoon tegen iedere schijnvrede. De schijn-vrede werd hoog gehouden door de valse profeten, die uit medelijden met het lot van het volk hun voorspellingen kleurden met het rosé licht van zondoorlichte wolken. Deze schijn-vrede is het grote gevaar, waaraan de mens altijd bloot staat en dat hij nooit voldoende doorziet. Toen in 1938 de oorlogsdreiging steeds duidelijker vormen aannam, zei de Engelse minister: „Ik geloof, dai net zoals het volk in Engeland een diepe en duurzame liefde voor de vrede heeft, ook de volken van alle andere landen even vredelievend zijn. Ik geloof, dat de man-in-the-Street overal zijn

leven in rust en veiligheid wenst te leven, genietende van de goede dingen van het leven en vol haat en vrees voor de vreselijke gevolgen van een moderne oorlog”. En toen ik me laatst met een kerkeraadslid op weg begaf om een bespreking over het vredesvraagstuk bij te wonen, meende hij, dat dit eigenlijk overbodig was, omdat „natuurlijk” iedereen naar vrede verlangt. Deze „natuurlijkheid” kon wel eens de grote hinderpaal zijn in het tot stand komen van een werkelijke vrede. „Natuurlijk” zijn wij in opstand tegen God, in een verbitterde opstand, waarin wij onze rechten met hand en tand verdedigen. Waarin wij wel willen spreken over onze vrede, maar dan alleen tegen de achtergrond van onze rechten.

Willen wij werkelijk de vrede?!! Dezer dagen las ik in de krant, hoe ergens in Amerika proefnemingen met het atoomwapen werden genomen, waarbij de soldaten geknield moesten liggen met gesloten ogen om de uitwerking af te wachten. Kunt u zich voorstellen, ivat ik bij die soldaten, die daar geknield lagen, dacht? Ik zag op de achtergrond een figuur, die schaterlachte, schaterlachte, omdat hem nu eindelijk gelukt was, wat hem op „de zeer hoge berg” in de omgeving van Jeruzalem niet gelukt was. Men bewijst hem nu de hulde, waar hij toen vergeefs om gevraagd heeft.

Er is geen vrede dan alleen die vrede, die Jezus Christus op de zeer hoge berg voor ons veroverd heeft. Deze overwinning ziet men niet uit een soort natuurlijk verlangen, maar alleen door de gang te volgen, die de lijdende knecht des Heren, in deze wereld gegaan is. De Messias en Zijn komst blijft de enige mogelijkheid voor een waarachtige vrede. A. F. L. VAN DIJK