is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 10, 01-12-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

President Sukarno spreekt

President Sukarno heeft een fijn gevoel voor wat er leeft bij de vergaderingen en volksmenigten, welke hij toespreekt, en hij laat zich geheel door dat gevoel leiden. Daarom hoort men vaak beweren, dat hij het volk naar de mond praat, en dat hij, wat zijn spreken betreft, het best met een dictator kan worden vergeleken. Nu kan men van de redevoeringen welke Sukarno de laatste tijd gehouden heeft, allerminst zeggen, dat ze voor het volk aangenaam waren om te horen. Want Sukarno, die heel goed weet, met wat voor een volk hij te maken heeft, en die in zijn toespraken een soort persoonlijke ontmoeting met aiie aanwezigen weet te creëren, vindt het welzijn van Indonesia toch belangrijker dan een aangenaam gestemde menigte. Hij heeft dezer dagen harde dingen gezegd over het verval der zeden bij velen. Maar zijn spreken over Irian (Nieuw-Guinea) kan als voorbeeld gelden. Meer dan een jaar geleden weigerde hij te spreken, zolang de mensen de spandoeken waarop Irian voor Indonesië werd opgeëist, niet hadden weggedaan. Hij betoogde toen, dat het niet aanging elke wens van het volk klakkeloos als iets goeds te bestempelen, en legde er de nadruk op, dat de Irianaffaire een zaak van de regering was. Toch stelde hij in dezelfde redevoering de eis, dat Irian bij Indonesia moest worden gevoegd.

De houding van de president ten aanzien van Irian is typisch voor zijn hele optreden. Van tijd tot tijd zegt Sukarno dingen, welke door het kabinet of door het parlement niet worden geaccepteerd. Het is helemaal geen geheim, dat dan harde woorden gesproken worden, en onlangs verhinderde het parlement zelfs een redevoering van Sukarno, omdat men vond dat het niet ging om ’t standpunt van de president, maar om het regeringsstandpunt. Ten aanzien van Irian is Sukarno echter bijzonder „hardleers”. Op 24 Oct. 1.1. heeft hij op de receptie van diplomaten ter gelegenheid van de dag der Ver. Naties lang en bitter gesproken over de moeilijkheden tussen Nederland en welke nu Irian betreffen. Men heeft dit op die „verzoeningsdag” zeer vreemd gevonden, en beweerd, dat het wel weer voor „binnenlands gebruik” bestemd zou zijn geweest, wat echter van een in het Engels gehouden rede moeilijk kan worden aangenomen.

De omvang van het vroegere Nederlands Indië is uiteraard niet door de nationalistische beweging bepaald. Waarom Nieuw-Guinea er toen bij behoorde, is een vraag van koloniale politiek. De nationalistische beweging heeft er nooit aan gedacht dat gebied buiten de activiteit te sluiten. Indonesië is sinds lang gewend aan de gedachte, dat heel het door de Nederlanders beheerde gebied souverein Indonesisch gebied zou worden. De kwestie van de souvereiniteit werd acuut, toen eind 1944 de Japanners deze voor Indonesië in het uitzicht stelden, en Sukarno c.s. verwachtten dat 1945 een hevige strijd voor die souvereiniteit zou brengen.

In een radiorede zeide hij op 2 Januari 1945:

Het kan een volk alleen goed gaan, wanneer het sterk is. De geschiedenis van ons geboorteland leert ons, dat wij tot een koloniaal gebied gemaakt zijn door de Hollanders, door onze eigen zwakheid. Daarom, laat ons in innerlijke en uiterlijke kracht vast

aaneen gesmeed zijn, van nu af aan. Indonesië moet souverein worden. Wij willen het ongeluk van een ander volk niet veroorzaken, maar wij verwachten van een ander volk: erkenning, waardering, eerbied; Dat verwacht men ten aanzien van souvereiniteit. Oefent u om die souvereiniteit te kunnen vestigen voor de zon opgaat

De nationalistische beweging leefde in de verwachting van de vrijmaking van het geheie oude koioniale rijk Oost Indië. In zijn rede van 24 October 1.1. beschuldigde Sukarno Japan en Nederland de souvereiniteit te hebben aangerand. Hij -heeft Irian niet in de eerste plaats als aanleiding om mislukkingen van de regering te bedekken, opgenomen in zijn redevoeringen, maar omdat hij sinds tientallen jaren Nederland de souvereiniteit over dat gebied betwist. En hoezeer zijn voortdurend hameren op de Irian-kwestie ook in onze ogen misplaatst en onzakelijk moge lijken, wij vergissen ons zeer, wanneer wij menen, dat het een soort hobby van Sukarno is, omdat er anderen in Indonesië zijn, die niet zo hoog van de toren blazen.

Eind September gaf de Indonesische radio officieel commentaar op de berichten over het Nederiandse standpunt.

„Het is de republikeinse regering ónmogelijk overleg te plegen met Nederland inzake Irian, indien Nederland als basis voor verder overleg de Indonesische souvereiniteit over Irian niet kan erkennen”, en voorts: „Nog steeds houdt het Indonesische volk vast aan wat dr v. Royen in de Veiligheidsraad officieel heeft verklaard: nl. dat Nederland de souvereiniteit zal overdragen „complete, real and unconditional".

Was Sukarno’s rede op 24 October aanleiding voor onze regering om de status van Nieuw-Guinea in het voorstel tot wijziging van de grondwet op te nemen, of was het Sukarno’s gevoel voor de werkelijkheid, welke hem van tevoren een antwoord deed geven? Kranten berichtten dat de Indonesische toehoorders van zijn boze woorden zichtbaar verlegen waren, en mogelijk is er in het kabinet wei weer over gesproken, maar het kan niet anders of thans triomfeert Sukarno. Ook al zou men de zaak in Nederland als een kleinigheid beschouwen of als administratieve maatregel willen voorstellen, niets kan in Indonesië de indruk wegnemen, dat Nederiand er niet over denkt de souvereiniteit prijs te geven. Nederlandse bladen in Indonesië hebben zich zeer geschrokken getoond, en Indonesische kranten wijzen er op, dat hier onmogelijk van goede trouw gesproken kan worden. Als het parlement in Nederland het eens kan worden over deze voorstellen en ze aangenomen zijn, dan valt er immers met Indonesië niet meer over te onderhandelen. Zo redeneert men in Indonesië, en men beseft ook, dat Nederland een voorsprong heeft door het feit, dat het Nieuw-Guinea feitelijk in bezit heeft. Tegenover de onrust in Indonesië kan Nederland proberen een goed geadministreerd inheems bestuur op te bouwen.

Men vraagt in Nederiand altijd, wat Indonesië eigenlijk wil. Men stelt het dan zo voor, dat Indonesië steeds weer op z’n afspraken terug komt, niet te goeder trouw is etc. Indonesië kan daarentegen onmogelijk de kronkels der Nederlandse

politiek volgen, en Sukarno noemde de politiek ten aanzien van Indonesië volledig beginselloos. Het Irian-conflict bedreigt de betrekkingen in hoge mate.' Daarom mag men in Nederland thans wel dringend de vraag stellen, wat Nederland wil. Er is een besef, dat wij naar het „absoiute nuipunf’ moeten gaan, wanneer het kwesties van inmenging in de souvereiniteit geldt. Er is ook goede hoop, dat er een opkiaring komt, wanneer aan deze heiemaal niet onduidelijke eis van Indonesië sinds de capituiatie van Japan, nl. de souvereiniteit „unconditionai”, wordt toegegeven. Maar onze fout is ongetwijfeld, dat wij het probleem in het vage laten, dat wij niet zakelijk spreken en afwegen wat het beste is. Wij hebben reeksen argumenten die in hun geïsoleerdheid wel iets zeggen, maar die niet leiden kunnen tot een werkelijk uit de weg ruimen van het conflict. Wij spreken over zelfbeschikkingsrecht voor Nieuw-Guinea en de plicht van Nederiand om te zorgen dat N.G. dus eens zelf beslist wat de politieke status zai zijn. Maar inmiddeis moeten wij nog beginnen in bepaalde streken ontdekkingsreizen te ondernemen, omdat er nog nooit een Nederlands b.b. ambtenaar kwam. Men moet daar dan helemaal van het allereerste begin beginnen om alles te doen, wat op de duur de mensen zo ver kan brengen, dat zij kunnen beslissen over hun nationaliteit. Indonesië weet dat Nederland Nieuw-Guinea niet anders dan strikt koloniaal zal en kan besturen. Strikt koloniaal in grote lijnen, om niet binnen zeer korte tijd te maken te hebben met een totaal onbestuurbaar land.

In Nederland realiseert men zich dit veel te weinig. En dit „strikt koloniaal” is niet eens een verwijt: er is geen andere wijze; er bestaat niet zo iets in de wereld als een regering, welke het doel heeft om de bevolking op de meest snelle en effectieve manier mondig te maken. Indonesisch als taal is op Nieuw-Guinea helemaal uit den boze, men zegt zelfs dat voor Papua’s zo’n vreemde taal veel te moeilijk is. Daarom kiest men het Nederlands als toekomstige verkeerstaal. Men heeft er een strikt koloniaal bestuur opgezet, en een koloniaal politie-apparaat, eenvoudig omdat er geen andere weg is zoiang Nieuw-Guinea aan Indonesië grenst om het anders te doen. En de gebeurtenissen zuilen precies als in Nederlands Oost Indië steeds van dien aard zijn, dat ze ons onze paedagogische plannen tot nader orde doen uitstellen. In Indonesië kan het argument van onze taak om N.G. tot zelfstandigheid voor te bereiden, nooit enige bewijskracht hebben. En wie zal Sukarno er van kunnen overtuigen dat niet vandaag of morgen de sterke mannen van Rijkseenheid e.d. de politiek t.a.v. Nieuw-Guinea beheersen gaan, wanneer nl. Indonesië niet de souvereiniteit over dat land bezit?

Men speculeert er op, dat wij het beter zullen doen dan Indonesië het zou doen, het koloniaal bestuur echter speculeert op zijn verborgen wegen om z’n doel te bereiken. Ook in Nederland behoeft men niet alles te weten. Voorlichting In het „Moederland” bestaat in dubbele zin bij de gratie van de onwetendheid.

N.G. is een grote onberekenbare factor voor de Nederiandse politiek. Men verkijkt zich op de problemen, en men dreigt zich te verkijken op de ernst van Indonesia t.a.v. de eis van overdracht van de souvereiniteit. Daarom kan men ook niet komen tot een acceptabel voorstel, nl. een afzien van elke machtsfactor in de verhouding tot Indonesië. Men blijft manipuleren met grootheden, welke men niet berekenen kan. Men heeft geen zuiver beeld, van wat