is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 14, 05-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' Aan \ den Heer ] behoort de aarde J en haar j volheid. 7 V Psalm 24 : 1 /

f iju en innn

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOK EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 5 Januari 1952 Nr 14

Redactie: dsJ.J. Bnskesjr ds L.H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

Abonnement per jaarf 5, ; halfjaar f 2,75; kwartaalf 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrsfo,ls; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; AJm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

BIJ OUD EN NIEUW

Het is natuurlijk niet waar, dat er in de nacht van jl. Maandag op Dinsdag een „nieuw” jaar begonnen is, voor wie aan dat woord „nieuw” een geestelijke betekenis hecht: de problemen en noden, de angsten en ellenden, die wij Maandag hebben laten liggen, vinden wij Dinsdag, Woensdag, Donderdag enz. precies zo terug. De klok is wel versprongen, de kalender wel vervangen, maar het nieuwe ligt nu eenmaal niet in de voortgang van de tijd, het volgende is niet per se het betere.

Evenmin is het waar, dat een volgende generatie per se de betere is dan de huidige. Ik hoop nimmer mee te klagen in het koor der jammeraars over de bedorven jeugd van tegenwoordig evenmin als met de ietwat onechte, sentimentele verheerlijking van de jeugd als fakkeldragers der toekomst. Best mogelijk, dat een bepaalde jeugdgroep dat is of wordt maar dan is er iets meer nodig dan alieen een leeftijd van 18, 21 of 25 jaar. En dat de jonge generatie zonder meer de kracht tot redding van de wereld zou zijn, eenvoudig omdat zij in de jaren tussen en 1940 het levenslicht aanschouwde, is een gevaarlijke overspanning. Om waarlijk „nieuw” te zijn is iets meer nodig dan op een bepaald ogenblik ter wereld komen.

Is er over dat meerdere, dat karakteristiek is voor het nieuwe, iets te zeggen? Ik waag het, enkele in mijn oog wezenlijke dingen te omschrijven. Ten eerste: een even nuchtere als bewogen erkenning, dat er duideiijke taken liggen, die uit de beslissingen die het voorgeslacht nam ontspringen, en waaraan de wereld, de mens van nu lijdt. Ik noem om te concretiseren, enkele dingen. Ons voorgeslacht koos vOor een wereld met techniek, technische arbeid, machines, industrialisatie het koos daarmede voor een grootse werkelijkheid en macht, en het ware hoogmoedige dwaasheid om de vorige generaties daarvan enig verwijt te maken, integendeel: wij hebben de pioniers te prijzen om hun keuze en beslissing. Maar nu, anderhalve eeuw later, ontspringt aan hün keus ónze taak: de mens en de menselijkheid te bewaren voor de zelfvernietiging, waartoe de techniek ons in staat stelt. Ons voorgeslacht koos de

vrijheid van verstand en rede, bond de felle strijd aan tegen clericalisme, bijgeloof, het geloof in heksen en spoken, ook tegen knellende banden van traditie en overlevering en meende de wereld vrij te maken voorgoed ook déze keuze was in de tijd waarin zij gedaan werd, groots, en stootte nieuwe horizonnen open. Aan deze keuze van het voorgeslacht ontspringt nu onze taak: het recht van de ziel, van de diepere lagen, krachten en verbondenheden van het mens-zijn te veroveren op een verstarrend en verarmend rationalisme. Ons voorgeslacht koos in een vrijheidshunkering, waaraan niemand grootsheid ontzeggen kan, voor de nationale zelfstandigheid, de eigen nationale staat, en nationale en onaantastbare souvereiniteit. Maar óns martelend probleem, aan hün keuze ontsprongen, is: dat geen enkel groot vraagstuk der wereldpolitiek thans valt op te lossen, dan in solidair handelen, waarbij de souvereiniteit van elk volk de afgod, misschien zelfs de duivel worden kan. Er zijn talloze andere voorbeelden te noemen de lezer vuile zelf aan, uit het leven van kerk, politieke partij, v01k... en uit eigen persoonlijk leven. Het is de rijkdom, óók de tragiek van het voortgaande leven: wat eenmaal groots, nieuw, scheppend, verrijkend was, wordt tot knellende band, bedreiging, ja doodsmacht. Zie naar sociale bewegingen en naar geestelijke: wat eenmaal hun kracht was, wordt in een veranderde situatie tot zwakheid en oorzaak van ondergang. Dat kan men zakelijk, nuchter stellen maar wie er waarlijk weet van heeft, beseft ook: het kan een zo grote nood betekenen, dat een mens er aan breekt.

Een tweede wezenlijk element voor het komen van waarachtige vernieuwing: het innerlijke bereid zijn. Een jonge vrouw, die een kind verwacht, weet dat de vreugde om het nieuwe leven afhangt van haar innerlijke bereidheid om te ontvangen en geboren te doen worden. Een mens, die innerlijk in de knoop zit, die bijv. eenmaal de beslissing nam om hard te zijn en eigen gewondheid aldus te verbergen, die dan vastloopt in eigen verwarring, leed en schuld ziet toenemen, moet bereid zijn om te biechten, op moderne wijze bij een psy-

chiater, op ouderwetse wijze bij een die wijsheid uit liefde won. Eén van de Adventsliederen zegt heel eenvoudig een heel diepe en moeilijke waarheid: zie, „héél mijn hart staat voor U open, en wil, o Heer, uw tempel zijn”. Het is ons opnieuw ingescherpt in de Kerstdagen: het nieuwe kan geboren worden ergens waar men het allerminst had verwacht, uit een sociale groep, die men daarop nooit zou hebben aangezien, ergens in een verborgen hoekje der wereld, door ons modern cultuurbesef voorbijgezien. „Innerlijk bereid zijn” betekent ook dit: waarheid en heil aanvaarden van een kant, die ons niet vertrouwd, wellicht geheel vreemd is. Wie dit naar zijn wezenlijke diepte verstaat, zal dan weigerren, het nieuwe te verbinden aan één beweging, één partij, één klasse, ...één kerk. God laat zich in Zijn werk van vernieuwing („herschepping” zegt de theoloog) niet binden... gelukkig.

Een derde moment, dat heel wezenlijk met het vorige samenhangt: wat de Bijbel, met name de Psalmdichter, noemt: het stil worden voor God. Ik herinner mij levendig pijnlijk levendig, want later heb ik er wel weer tegen gezondigd dat ik de laatste Zondag van April 1945 preekte over de Psalmtekst: „Wees stil voor den Heer, en verbeid Hem”. Wij stonden vlak voor de be vrij ding, ons hart bonsde in ons van een bijna niet te dragen spanning: dat eindelijk het gehate juk zou worden verbroken, en wij aan de slag mochten gaan, om puin te ruimen en dan te bouwen, en wij hoopten vurig op de vernieuwing van ons volksleven. Toen greep mij die tekst: stil worden voor God, want van Hem is de waarachtige vernieuwing, en het zal nog de vraag zijn, of wij die de bezoedeling van oorlog en bezetting hebben ondergaan, het waard zullen zijn om vernieuwd te worden... Dat spreekt nl helemaal niet vanzelf. In zulke wereldhistorische ogenblikken voelt een mens: God kan zich óók van ons afwenden. Hij kan ons ook overlaten aan het proces van zelfverscheuring en zelfvernietiging, dat wij mensen, volkeren, aan de gang hebben gezet of gelaten. Allerlei activisme, dat mij ook wel weer in z’n greep heeft gekregen, deed mij de oude Bij bel waarheid menigmaal vergeten. Maar wij worden er óók weer toe teruggevoerd zeker in de dagen van Advent en Kerstmis. En bij het aanbreken van een nieuw jaar, dat op zichzelf weer niets „nieuws” brengt, mogen wij het elkaar zeggen: voorwaarde voor wezenlijke vernieuwing, vernieuwing uit de eeuwigheid, is dat op stille posten en in stil geworden harten gebeden wordt om vernieuwing, loutering en... vergeving.

In déze geest, makkers: een gezegend nieuwjaar. W. B.