is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 14, 05-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Romme en Niemöller

In de Volkskrant onder redactie van mr Romme verschenen kort na elkaar twee artikelen over Niemöller, die zo leugenachtig en onwaarachtig zijn, dat ik mij gedrongen gevoelde tegen deze beide artikelen te protesteren. Omdat ik geloof, dat het goed is, dat ook de lezers van Tijd en Taak weten, hoe in de Roomse pers over een man als Niemöller geoordeeld wordt, neem ik mijn protest in ons blad op. Er zal nog wel eens gelegenheid zijn, om over de achtergronden van deze Roomse actie tegen Niemöller een en ander te zeggen. Voorlopig volsta ik met de wijze te signaleren, waarop deze actie gevoerd wordt. Die is op zich zelf al veelzeggend.

Hier volgt, dan nu mijn protest. Hooggeachte Redactie,

6 December verscheen in uw blad een artikel van uw Berlijnse correspondent en 28 December volgde een redactioneel artikel over ds Niemöller.

Ik gevoel mij gedrongen tegen de wijze, waarop in deze beide artikelen over mijn collega Niemöller geschreven wordt, ernstig te protesteren. In de eerste plaats, omdat wat beide artikelen als feitelijkheden ten beste geven, volkomen met de waarheid in strijd is. In de tweede plaats, omdat op de meest lichtvaardige en ongemotiveerde wijze beschuldigingen tegen Niemöller worden ingebracht. In de derde plaats, omdat het karakter van Niemöller op een voor christenen onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

1. Het is met de waarheid in strijd, dat zich om Niemöller protestantse geestelijken verzamelen, die met het communistisch bewind in Oost-Duitsland een compromis willen sluiten. Het is evenzeer met de waarheid in strijd, dat Niemöller in het vaarwater is geraakt van een dictatoriaal en materialistisch regiem. Deze beschuldigingen kunnen wel worden uitgesproken, maar niet waar worden gemaakt.

2. Uw Berlijnse correspondent bouwt zijn conclusies op een correspondentie tussen Niemöller en zijn zoon, wier inhoud hem niet bekend is. Hij insinueert, dat deze correspondentie op bevel van de Russen gevoerd werd en stelt de gemene vraag, of Niemöller wellicht door de brieven van zijn zoon zo beïnvloed is geworden dat hij een concentratiekamp niet meer als onmenselijke uitvinding beschouwt, omdat het nu door communisten is ingericht. Uw hoofdredactie doet er nog een schepje bovenop, door boven dit artikel de insinuerende vraag te plaatsen: Duitse dominee door jongste zoon tot communisme bekeerd?

3. Uw hoofdredacteur, die Niemöller persoonlijk niet kent, tast zijn karakter aan, door te beweren, dat het zijn ijdelheid streelt eindelijk bij de communisten gehoor te vinden, en dat zijn persoonlijke eerzucht groot genoeg is, om een hoofdrol te begeren in het door hem genoemde drama.

Op grond van uitgebreide schriftelijke en mondelinge gegevens, op grond van persoonlijk contact met de kring om Niemöller, op grond van publicaties, die voor ieder toegankelijk zijn, kan ik u de verzekering geven, dat Niemöller als christen het communisme zo fel mogelijk afwijst en bij de voortduur uitspreekt, dat wij als christenen dat allen behoren te doen.

Het is uw goed recht, om het met de

politieke inzichten van Niemöller niet eens te zijn en deze inzichten te bestrijden, maar ik kan u al weer verzekeren dat al uw karakteriseringen van Niemöllers politieke inzichten met de waarheid in strijd zijn. Ik zou u willen aanraden eens bij Niemöller zelf te informeren naar wat zijn politieke inzichten inhouden.

Dat u zonder Niemöller persoonlijk te kennen, hem beschuldigt van ijdelheid en persoonlijke eerzucht, is ver beneden peil, in elk geval ver beneden christelijk peil. Dat u als Rooms-Katholiek op deze wijze een protestants geestelijke en wat voor één in zijn eer aantast, heeft me zeer gegriefd. Ik zou eens willen zien, wat er geschreven zou worden in uw dagblad, als op deze wijze van protestantse zijde gesproken werd over de ijdelheid en de persoonlijke eerzucht van mr Romme. en wanneer door één van ons op grond van een correspondentie, welker inhoud ons niet bekend is, allerlei insinuerende vragen over de politiek van mr Romme werden gesteld. Het is eenvoudig laster, wanneer u beweert, dat Moscou deze man als werktuig heeft uitgekozen, en wanneer u Niemöller

vergelijkt met de rode Deken van Canterbury.

Dat u als Rooms-Katholiek dagblad geen waafdering hebt voor de volgens u bij voorbaat nutteloze pogingen van Niemöller, om met de volgens u machteloze leiders van de Russische kerk contact te zoeken, laat ik geheel voor uw verantwoording. Ik kan u alleen zeggen, dat de Oecumenische Beweging ondanks al dit denigrerend geschrijf pogen zal met de Russische kerk contact te krijgen. Het enige doel van Niemöllers reis is: dit contact met de Russische kerk en de poging iets te bereiken voor de krijgsgevangenen in Rusland.

Er worden in onze dagen nog al eens pogingen gedaan tot meer begrip tussen roomsen en protestanten. Uw beide artikelen zijn het tegendeel van zulk pogen. Zij doen niet anders dan onwaarheden als waarheden proclameren, zonder grond beschuldigen en het karakter van een protestantse dominee aantasten.

Daar deze beide artikelen door medechristenen geschreven werden door uw Eerlij nse correspondent en uw hoofdredacteur mr Romme voel ik mij gedrongen, uiting te geven aan mijn verontwaardiging over deze door en door onchristelijke wijze van voorlichting.

Met de meeste* hoogachting.

Uw dw. J. J. BUSKES Jr,

Hervormd Predikant te Amsterdam.

SOCIALE ZEKERHEID EN VERANTWOORDELIJKHEIDSBESEF

Op één dag troffen mij vier gevallen in mijn gemeente, die, hoe verschillend ook van aard, een ding gemeen hebben.

Geval 1. Een vrouw met een groot gezin en een half-volwaardige man was een aantal jaren door de Diaconie gesteund. Nu waren de kinderen groter geworden en „in de verdienste”. Ze zaten minder krap dan enkele jaren geleden, konden er nu wel komen. Maar desondanks kwam ze haar periodieke bezoek maken om te vragen, of er niet weer eens een wintermantel afkon. Er was wel is waar kort geleden een nieuw radiotoestel in huis gekomen en de dochter van 17 jaren frequenteerde de kapper. Maar men kon nooit weten. En de Diaconie was toch zo rijk immers ...

Geval 2. Een juffrouw van over de 60 jaren kon er in haar kleine huisje en met wat naaiwerk thuis nèt komen. Voor werkhuizen was te oud en aan Drees was ze nog niet toe. Ze kon het hoofd wel boven water houden en eiste niet veel. Maar ze zou haar kamertje zo graag eens opknappen: wat nieuwe gordijnen, een lamp, een kachel, een behangetje (de huisbaas was niet scheutig). Of Sociale Zaken haar niet aan een paar honderd gulden kon helpen. Sociale Zaken hielp, maar anders dan ze gedacht had: ze kreeg een wekelijkse toelage, groot genoeg om er telkens wat van opzij te leggen, zodat ze in de loop der tijden zélf haar wensen bijeen kon sparen.

Geval 3. Vader van een gezin met drie kleine kinderen. Ernstig tbc.-geval. Typograaf van zijn vak. Zijn werk mocht hij nooit meer doen, vanwege die onzuivere lucht in de drukkerij, waar met het oog op de papieren niet te veel geventileerd kon worden. Dus blijvend invalide en niet meer in staat zijn gezin te onderhouden. Rentetrekker en klant van Maatschappelijk Hulpbetoon. Maar een klein baantje kon

hij wel waarnemen: veerbaas op een pont over een grachtje. De dokter vond het goed. Zou hij het doen? Zou de extra-verdienste door „de Steun” niet worden ingehouden? Nee, de Steun hield maar een klein deel er van in; hij moest het gevoel hebben niet voor niets naar een baantje gezocht te hebben.

Geval 4. Een gesprek op huisbezoek met een moeder. Achtjarig zoontje moet naar school, valt de kamer binnen met: „Moe, mag ik geld?” Na het gebruikelijke: „Geef eerst dominee een hand” wordt geïnformeerd naar de bestemming van het geeiste bedrag. Schoolfonds? Schoolreis? IJsje? „Nee, voor schoolsparen.” Nadat de wekelijkse uitkering is verstrekt en de zoon naar zijn taak in de wereld is vertrokken, ontwikkelt zich een gesprek met de moeder. Van dat schoolsparen houdt ze niet. „Ook dat wordt weer van het gezin afgenomen: de zorg voor de eigen spaarpot thuis.” Het is nu alles zo mechanisch en onpersoonlijk geworden. De kinderen behoeven zich er niets meer voor te ontzeggen: moeder geeft het geld toch wel en de meester zorgt voor de rest.

Vier gevallen met eenzelfde strekking. Een vrouw, die niet bezuinigt om zelf voor het hoognodige te zorgen, omdat een maatschappelijke instelling het wel doet. Een juffrouw, die door een verstandige regeling gedwongen wordt om zelf voor een verfraaiing van haar huis te sparen. Een man, die door het recht op behoud van eigen verdienste opgewekt wordt om zelf te doen wat hij nog kan. En een moeder, die het toch maar beter vindt, als de kinderen zelf zich wat ontzeggen om te sparen. In alle vier gevallen gaat het om de verhouding van maatschappelijke zorg enerzijds en eigen hulp anderzijds; om (ruimer gezien) de spanning tussen sociale zekerheid en