is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 14, 05-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord op een brief

Ik ben blij, dat u mij geschreven heeft. Uw beroep en de plaats van uw inwoning brengen uiteraard vereenzaming mee. Onderwijzeres op een christelijke school, een stadje, waar de dingen vast liggen, waar iedereen de ander kent ... waar men alles van iedereen weet... ja, daar moet men eenzaam zijn.

En nu vertelt u, dat u sympathie voor de Partij van de Arbeid had, maar o, die vragen, die tegenstand. Nu bent u mèt uw kleermakerbaas bevreesd, dat er door de regering te veel toegegeven werd aan arbeiderseisen en dat de kleine zelfstandigen er de dupe van zijn. U vraagt: zie ik het goed, dat de arbeiders omringd worden met alle zorg en dat de kleine zelfstandigen vergeten worden; dat er zo nieuw onrecht geschiedt?

Dat is uw eerste vraag.

Ja, zo op het eerste gezicht schijnt daar veel van waar. Maar let steeds op het grotere verband.

De middenstand in de klem

De kleine middenstand, de ambachtsman en de winkelier dus, heeft een zeer nuttige en noodzakelijke functie. Maar hij heeft een functie in het geheel. In een geheel, dat bezig is te veranderen. De machine en het verkeer hebben het ambacht grondig veranderd. De timmerman krijgt zijn deuren van de fabriek, de kleermaker moet concurreren tegen het confectiebedrijf. De winkelier is volstrekt afhankelijk van het grootbedrijf, dat verpakte waar levert en winstmarges vaststelt. Hierin liggen grote gevaren voor hem. Hij kan doodgedrukt worden, zoals dat al vaak gebeurd is. Zou men deze ontwikkeling haar vrije loop laten, dan zou op den duur de middenstand vernietigd worden.

Men kan haar niet de vrije loop laten. De overheid moet ingrijpen. Heeft dat ook gedaan. Vergeet niet, dat het in het belang van de handeldrijvende middenstand was, dat er vestigingsvergunningen en middenstandsdiploma’s werden ingesteld. Dat er eisen werden gesteld aan de credietwaardigheid. Maar dat betekende: rompslomp van papieren èn onvrijheid voor bepaalde personen, die zich nog in de tijd waanden, dat men zo maar, zonder iemand iets te vragen, een winkeltje kon opzetten. Dat is beperkt, terwille van de levensveiligheid van de hele groep en om een sociaal gevaar af te wenden.

Nu is het bijzonder moeilijk deze middenstand over het algemeen duidelijk te maken, dat deze groep een andere, zij het gelijkwaardige functie zal hebben onder nieuwe verhoudingen, die groeien. Die

groeien onafhankelijk van welke regering ook. De middenstand is individualistisch ingesteld. Hij leeft in de concurrentiesfeer. Hij bespiedt met argusogen de ander. Hij is moeilijk tot organisatie te brengen en hij voelt zich, juist vanwege die concurrentiesfeer, zelden collega van zijn concurrent. Hij werd hard, veel te hard zelfs, en daardoor mist hij de ruimte om de dingen in groter verband te beleven. Tot hem dringt het heel slecht door, dat de maatschappij snel bezig is te veranderen en de maatregelen, die terwille van hem en van het grote geheel (soms schijnbaar tegen hem) genomen worden, beschouwt hij als een aanval op hem persoonlijk. Vandaar vaak die felle anti-socialistische stemming, die voortvloeit uit het besef, dat hij in zijn bestaan aangeraakt wordt.

Ik kan u uiteraard niet uiteenzetten, wat, socialistisch gezien, de functie van de middenstand behoort te zijn. Ik kan u alleen maar dringend aanraden bij het secretariaat van de Partij van de Arbeid het op het laatstgehouden Middenstandscongres der Partij vastgestelde middenstandsprogram en de toelichting daarop te bestellen. U kent het adres: Tesselschadestraat 31, Amsterdam. Ook het Planrapport, verschenen onder de titel „De weg naar vrijheid" geeft in hoofdstuk 12 een korte samenvatting hiervan.

Ik adviseer dus de klachten van de middenstand te begrijpen van zijn sociale positie uit en te trachten het geheel te overzien, waarin zich ook de middenstand moet bewegen.

Belang of recht?

Punt twee: u vreest, dat er van een tegen eikaar afwegen van belangen onder het gezichtspunt van rechtvaardigheid niet veel terechtgekomen is en dat men maar steeds allerlei eisen van arbeiders heeft toegegeven omdat ze een machtige, welgeorganiseerde macht hadden en hun stemmen nodig had. Ik weet, dat men deze vrees vaak uitspreekt. Ik acht haar volstrekt onjuist en voortvloeiend uit onkunde of onwil. Het is anders niet zo moeilijk er achter te komen, dat deze voorstelling van zaken niet juist is. Daarvoor behoeft men slechts de eisen van de vakverenigingen (niet alleen die van het NVV) te stellen naast wat de regering ten slotte heeft voorgesteld en het parlement heeft besloten. En daarvoor moet men ook eens zien hoe deze vakverenigingseisen vaak lang niet zijn, hetgeen in de boezem van de beweging, door de arbeiders-zelf wordt verlangd. De EVC houdt dat vuurtje warm. Zeker, men kan niet zeggen, dat er tegen de arbeiders

is geregeerd. Dat moest er ook nog bij komen. Anderen vergeten vaak, wat de arbeiders-zelf maar zeer moeilijk kunnen vergeten, nl. dat er een tijd van werkloosheid is geweest, waarin de toen christelijke regering niet in staat was zoveel fantasie te laten opkomen, dat zij door grote maatregelen dit barre euvel overwon. Dat willen de arbeiders per se niet meer terug en zij hebben daar groot gelijk aan. Dat willen de socialisten niet meer terug, en dat is wellicht de diepste reden, waarom zij pleiten voor een structuurwijziging van de samenleving. Dè,t staat op het spel, niets minder.

Wij zouden wèg zijn, wanneer het werkelijk gaat om af wegen van belangen. Een element blijft natuurlijk. Dat caféhouders bij voorkeur niet op een geheelonthouderspartij stemmen, vind ik heel menselijk. Dat vele mensen hun keuze bepalen op grond van het ogenblikkelijk belang, dat zij bij een bepaalde partij denken te hebben, begrijp ik ook al, al vind ik het dom. Maar dat het de Partij van de Arbeid gegaan zou zijn om eenzijdige arbeidersbelangen, moet ten stelligste ontkend worden, óók al wordt het tegenwoordig door haar haters (en uit welke motieven!) druk gecolporteerd.

Betere opvoeding

In verband met dit punt noemt u een belangrijk verschijnsel, nl. dat van de opvoeding. Met wat u daarover schrijft, ben ik het geheel eens. En ik zou u daarvoor willen verwijzen naar de voortreffelijke rede van ir Ph. J. Idenburg, op het Plancongres gehouden. Hij toont aan, dat het de socialisten zijn, die juist dit aspect, dat van cultuur en opvoeding, opnieuw in het brandpunt van de belangstelling willen stellen en veel meer geld ervoor vrij willen maken, opdat wij ook in de richting van de onderwijsvernieuwing kunnen gaan. Hoe kunnen wij immers mensen krijgen, die in staat zijn in gemeenschapsverbanden te denken (vrijwillig!), wanneer ze daar niet toe zijn opgevoed. Zie uw eigen klas eens aan. Ik ken die niet, maar ik maak me sterk, dat het besef van samenwerking er nog weinig is doorgedrongen. Want ons onderwijssysteem is individualistisch en intellectualistisch, gericht op het slagen en kennis verzamelen, niet op het vormen van de persoonlijkheid en op samen-iets-doen.

De veranderende samenleving zal een nieuw mensentype doen ontstaan: omgekeerd: een democratisch-socialistische samenleving is alleen denkbaar, wanneer wij dit nieuwe type mensen ook voor ogen hebben en er naar toe werken. Mensen, die weten wat teamgeest is en oog hebben voor de wijdere verbanden. Zoals de ridder in de middeleeuwen het „streeftype” was, en in de 19de eeuw de geslaagde zakenman, zo wordt het nu de gewone man, die weet heeft van dienst in een groter levensverband en daarin zijn vrijheid geniet. Vatten wij deze opvoeding niet terdege op, dan dreigt onherroepelijk een nieuwe dictatuur, óf die van de „manager”, óf die van Hitler 11.

Slaperige gemeente

Over uw derde punt kan ik nu maar weinig zeggen. Dat is het punt van die slaperige gemeente, die uit haat jegens de Partij van de Arbeid eenvoudig weigert met de nieuwe koers van de Synode mee te gaan. U stelt hier zéér pregnant het probleem, zoals het voor velen leeft. Natuurlijk helemaal fout gesteld, maar dat doet er voor de kracht van de afweergevoelens niets toe. Ik word er ook wel eens boos om. Ofschoon nooit wanhopig, omdat ik met geen mensenmogelijkheid kan ontdekken, dat ereni-