is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 15, 12-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rusland of Amerika

LOOD OM OUD IJZER?

Enige tijd geleden schreef Bomhoff, dat Rusland zich een aureool toekent, dat Amerika mist en missen wil: zelfs de meest Amerikaans gezinde zal niet verder gaan dan te stellen, dat Amerika het land der fatsoenlijke mensen Is.

Ik herinnerde Bomhoff aan enkele uitspraken van Truman, waaruit bleek, dat volgens Truman Amerika veel meer is dan het land van de fatsoenlijke mensen. Volgens Truman immers rust de Amerikaanse politiek op de Tien Geboden van Mozes en geeft de Bergrede van Jezus richting aan het handelen van de Verenigde Staten.

Bomhoff erkende mijn bezwaren tegen zijn uitlating als gegrond, maar wees tegelijkertijd op de zelfkritiek in Amerika en op het onvermijdelijke, maar inderdaad soms stuitende, soms naïeve pathos van officiële redevoeringen. Hij was het echter met mij eens, dat het aureool, dat Rusland zich toekent, voor de kerk geen verzoeking is, het aureool van Amerika echter wel.

Op zijn beurt stelde hij mij de vraag, of er geen gevaar is in de suggestie, dat de keuze tussen Amerika en Rusland lood om oud Ijzer is.

„Paraat” van 4 Januari neemt met negering van heel onze discussie de laatste vraag van Bomhoff over:

„Wij zien het antwoord van ds Buskes met belangstelling tegemoet. Immers deze vraag raakt de kern van de discussies, die ook in „Paraat” met ds Buskes meer dan eens zijn gevoerd. Het zou verheugend zijn, wanneer ds Buskes deze vr.aag ten minste in „Tijd en Taak” eens duidelijk zou beantwoorden”.

Boven dit kleine stukje in „Paraat” staat als kopje: „Ontdekkend”.

Laat ik beginnen met de verklaring, dat de vraag van Bomhoff naar mijn overtuiging in geen enkel opzicht de kern raakt van de discussies, die ik met „Paraat” zo nu en dan voerde. Die gingen over geheel andere kwesties en ik vind het niet aardig, dat „Paraat” zijn lezers suggereert, dat het in die discussies ging om de vraag, die Bomhoff mij stelde.

In de tweede plaats zou ik mijn vriend Bomhoff en de redactie van „Paraat” willen zeggen, dat van mij, voorzover ik mij herinner, nooit de suggestie is uitgegaan, dat Moscou of Washington lood om oud ijzer is.

Als vele jaren voor de oorlog heb ik het communisme bestreden.

Ik denk aan mijn debat met Ko Beuzemaker, de voorzitter van de C.P.N., in het Amsterdamse Concertgebouw, jaren geleden. Het thema was: Lenin of Christus! Duidelijker kan het wel niet. Beuzemaker heeft mij toen reeds gekwalificeerd als een contra-revolutionnair en een van de gevaarlijkste vijanden van het communisme.

Na de oorlog had ik een soortgelijk debat met Koejemans, de hoofdredacteur van „De

Waarheid”. Het thema was: christendom en communisme! En weer stonden christendom en communisme tegenover elkaar. Van een verzoening was geen sprake, of het moest zijn, dat Koejemans mij al te ver tegemoet kwam, wat hem door de C.P.N. zeer kwalijk werd genomen en mede een reden was, om hem als hoofdredacteur van „De Waarheid” ontslag te geven.

Misschien mag ik er ook nog op wijzen, dat enige jaren geleden een gesprek tussen een aantal communisten en mij niet kon doorgaan, omdat de leiding van de C.P.N. dit gesprek aan haar leden verbood.

Wil men het heel duidelijk: ik wijs het communisme af, omdat het als levens- en wereldbeschouwing voor een christen en als maatschappelijk stelsel voor een democratisch socialist onaanvaardbaar is.

Ik zie het communisme dus als een groot gevaar en een niet minder grote dreiging. Ik voeg er intussen aan toe, dat ik er niet de minste behoefte aan heb, dit telkens te herhalen, omdat het op het ogenblik door elke Nederlandse krant, elke Nederlandse politicus en elke Nederlandse predikant van dag tot dag herhaald wordt.

Wel heb ik er behoefte aan, telkens te zeggen, wat slechts door enkelen gezegd wordt ik noem met dankbaarheid het boek van Banning over het communisme dat het communisme voor een zeer groot deel de bezoldiging van de zonden van het Westen is en dat de dreiging van het communisme alleen afgeweerd kan worden, wanneer wij hier in het Westen en ginds in het Verre Oosten ’n socialistische maatschappij opbouwen (Tot mijn vreugde wijst „De weg naar vrijheid” zeer sterk in deze richting).

Ik heb er ook behoefte aan, telkens te zeggen, wat slechts door zeer weinigen gezegd wordt, dat de voortgaande bewapening van het Westen het dreigende gevaar van het communisme onmogelijk zal kunnen afweren, omdat zij de spanningen slechts verhevigt en ondanks alle goede voornemens en alle welgemeende verklaringen de opbouw van een socialistische maatschappij hier en vooral in het Verre Oosten onmogelijk maakt.

Ik behoor tot het Westen en al wat ik schrijf, schrijf ik alleen als een, die leeft tegen de geestelijke achtergrond van het Westen: christendom en humanisme, i.z. het christendom.

Vanwege mijn geloof in Jezus Christus wijs ik het communisme af en beschouw ik het tegelijkertijd voor een groot deel als de bezoldiging van de zonden van het Westen.

Vanwege datzelfde geloof wijs ik bewapening en oorlog af, pleit ik voor de opbouw van een socialistische maatschappij en beweer ik, dat de tegenstelling Rusland-Amerika niet de belangrijkste is.

Vanwege datzelfde geloof blijf ik er op

hameren, dat alleen de sociale en geestelijke verheffing van de verwaarloosde gebieden het dreigende gevaar van het communisme zal kunnen afweren.

En als ik kritiek oefen op het Westen ook op Amerika is dat een kritiek ter wille van het Westen, omdat ik steeds meer vrees, dat het Westen zich overgeeft aan noodlottige illusies.

Mag ik er enkele noemen?

Dat het Westen tegenover Rusland de zaak van het christendom en die van Jezus Christus vertegenwoordigt.

Dat de Amerikaanse politiek gebouwd wordt op de Tien Geboden van Mozes en de Bergrede van Jezus.

Dat bewapening en oorlog in de strijd om de opbouw van onze wereld effectieve en aanvaardbare middelen zijn.

Dat het mogelijk is, al meer te bewapenen en tegelijkertijd een democratisch-socialistische wereld op te bouwen.

Rusland-Amerika, niet lood om oud Ijzer.

Rusland een bedreiging.

Amerika een verzoeking.

Van de Russische bedreiging zijn wij allen overtuigd, ik niet minder dan Bomhoff en „Paraat”.

Geldt dat ook voor de Amerikaanse verzoeking?

Ik wilde wel, dat dit het geval was, maar dit is zeer zeker niet het geval. .Daarom schreef ik kort geleden mijn artikel over de beschouwingen van Spaak over Europa en het socialisme. Spaak ziet de nood van Europa als een economische. Ik zei: „De geestelijke nood is veel groter en zolang vooraanstaande socialisten alleen over de economische nood schrijven, blijft onze bezorgdheid over de toekomst van Europa en zijn wij niet bereid te luisteren naar hun oproep tot meer moed en zelfvertrouwen. Zolang vooraanstaande socialisten beweren” dat deed Spaak „dat het in onze eigen hand ligt, het noodlot te keren, hebben wij het gevoel, dat zij nog geen besef hebben van wat de nood van Europa betekent”.

„Paraat” reageerde daarop met deze woorden: ~In de laatste zinnen van ds Buskes komt een eis naar voren, die men, zo menen wij, niet tot Spaak moet richten. Spaak is geen predikant”.

Alsof het hier gaat om de vraag, of Spaak predikant is.

Predikant of geen predikant, lood om oud ijzer! Wat ik in die laatste zinnen schreef, raakt elke socialist, predikant of geen predikant, christen of geen christen.

Mag ik het nog anders zeggen? Rusland-Amerika is voor mij zo weinig

lood om oud ijzer, dat ik het gevoel heb, dat vele socialisten, evenals vele christenen, nog op geen stukken na verstaan, wat de dreiging van het communisme inhoudt. Het zou wel eens kunnen zijn, dat de-

genen, die schrijven en spreken, zoals ik schrijf en spreek, die dreiging groter, kwalitatief groter, achten dan degenen, van wie hoe langer hoe meer de suggestie uitgaat, dat wij, omdat wij het wereldgebeuren nog even anders zien dan zij en daarom niet bereid zijn, om de tegenstelling Rusland-Amerika als het een en het al en als een tegenstelling wit-zwart te beschouwen, op de een of andere wijze Rusland in het gevlei willen komen.

Wat ik bedoel, is in wezen: verdediging van het Westen!

Maar ik acht de mogelijkheid niet uitgesloten, dat het Westen, dat ik verdedigen wil, voor mij nog iets anders betekent dan voor degenen, die mij permanent van halfheid verdenken en mij in de hoek van de Fellow-Travellers willen duwen.

J. J. BUSKES Jr