is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 15, 12-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERWIJSCONGRES 1952

Vlak na het Plan-congres organiseert onze partij het onderwijscongres (3, 4 en 5 Januari) en we kregen in Utrecht een 500-tal congresgangers bijeen, meest mensen uit het onderwijs, die er een stuk van hun vacantie voor opofferden. Dat presteert onze partij dan toch maar, en ze is er ons des te dierbaarder om. Rier openbaart zich een practisch en belangeloos idealisme, dat zich energiek een weg baant over het vaak troosteloze veld der moderne politiek. Te recht was onze partijvoorzitter er trots op en waagde hij het dit congres ten voorbeeld te stellen aan andere partijen.

Ik kan er niet aan denken een verslag van het congres te schrijven en verwijs daartoe naar onze kranten. Rier volgen slechts enkele persoonlijke indrukken.

Allereerst een critische noot: de congresgangers was een boekje met referaten toegezonden en men mocht aannemen, dat de bezoekers dit aandachtig gelezen hadden. Ret lijkt me dan ook volmaakt overbodig, dat de inleiders hun referaten nog eens uitvoerig paraphraseren. Als het de congresleiding ernst is met haar verlangen om te vernemen, wat het congres over de behandelde onderwerpen denkt, dan moet zij de tijd daartoe beschikbaar stellen. Nu kregen we op de laatste dag de ongewenste situatie, dat twee referenten een m.i. overbodige herhaling gaven van wat we allemaal al gelezen hadden, waarna er zelfs geen tijd meer overbleef om hun uiteenzetting critisch te bespreken. Een ander gevolg van deze regeling is, dat degenen, die het woord voerden vanuit de zaal, steeds weer vermaand moesten worden tot beknoptheid en de inleiders nauwelijks gelegenheid hadden de gemaakte opmerkingen serieus te beantwoorden.

Ook moet de congresleiding er m.i. zorg voor dragen, dat de inleiders hun taak aankunnen. Onze beste mensen moeten

daarvoor uitgenodigd worden. Ret is pijnlijk, maar noodzakelijk op te merken, dat iemand een enthousiast partijgenoot kan zijn en een ijverig wethouder, maar nochtans niet in staat om over een moeilijk onderwerp ais „Democratie en Onderwijs” meer dan een reeks overbodige waarheden te verkondigen in een lang niet smetteloos Nederlands, waarbij zonder schroom heengeschaatst wordt over ijzig-moeilijke problemen, die onder de oppervlakte blijven. Enthousiasme en toewijding kunnen dit m.i. niet goed maken.

Twee onderwerpen werden op dit congres aan de orde gesteld. Ten eerste de pacificatie. In Juni 1950 had de partij een commissie ingesteld om een rapport op te maken over de vraagstukken, die verband houden met de pacificatie, d.i. met de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Het rapport was nu ter discussie. Prof. Kohnstamm zou het belangrijke eerste hoofdstuk bespreken : „Grondslag der pacificatie en geesteiijke inhoud van het openbaar onderwijs”. Zijn heengaan is een zwaar verlies en bezorgde diepe rouw aan het congres; te recht heeft zijn plaatsvervanger, prof. Van Route, hem in bewogen woorden herdacht. Critisch aanvullend heeft Van Route daarna dit eerste hoofdstuk ingeleid. Er werd dus weer eens een poging gedaan (de hoeveelste?) om de geestelijke inhoud van het openbaar onderwijs te omschrijven. Ik geioof, dat ik tot de minderheid hoor, als ik van oordeel ben, dat ook deze poging mislukt is. In tegenstelling tot de richtingsscholen laat zich het openbaar onderwijs niet funderen. Ik hoop dat nog eens hier uitvoerig te betogen, maar wijs er nu reeds op, dat m.i. dit gehele probleem uit de wereld zou geholpen zijn, als men besluiten kon de openbare school ook als richtingsschool te beschouwen. Ik weet wel, dat hiertegen practische

en gevoelsmoellijkheden te maken zijn, maar als men deze weg niet gaat, dan zal men zich bij de onbevredigende toestand moeten neerleggen, dat een elastische neutraliteit of een onprincipiële verdraagzaamheid haar enig erkend kenmerk is. Ik meen overigens, dat de tijd voor mijn standpimt werkt, want, afdalend van het beginsel tot de practijk, kwam de commissie met het voorstel, uitnemend verdedigd door Kleiwegt, dat het beheer der openbare school in deze zin gewijzigd dient te worden, dat ouders en leerkrachten, samen met de overheid, in het bestuur betrokken dienen te worden. Er was nog een ander aantrekkelijk voorstel, maar eerst moet ik meedelen, dat partij en congres nadrukkelijk de grondgedachte der pacificatie om principiële redenen (het recht der ouders!) erkennen, niet alleen t.a.v. het lager onderwijs, maar ook t.a.v. alle andere takken van onderwijs. Waar bezwaar tegen werd gemaakt, was tegen het zgn. gelijkstellingsautomatisme van de wet-De-Visser. Talrijke afgevaardigden kwamen welsprekend hun grieven uiteenzetten hoe, ten gevolge van dit automatisme, de openbare school in het gedrang kwam. Ik vond het jammer, dat op het congres geen een voorstander van het bijzonder onderwijs zijn grieven uitstalde. Het congres kreeg zo ten onrechte de schijn alsof het slechts de belangen van het openbaar onderwijs ter harte nam. Gelukkig werd deze onjuiste indruk, eenmaal uitgesproken, weggenomen door een verklaring van achter de bestuurstafel.

Een ander voortreffelijk idee van de commissie was het pleit voor zgn. syntheseof compromisscholen tn die gevallen, waar voor bepaalde schooltjrpen splitsing naar gezindheid tot te kleine of tot te slecht geoutilleerde scholen zou voeren. Toen dit pacificatierapport met vrijwel algemene stemmen was aangenomen, mocht men een zucht van verlichting slaken. De partij had een krachtproef doorstaan. De deiicate kwestie van de pacificatie heeft men vroeger wel eens een tijdbom genoemd, die onder de fundamentele eenheid van de Partij van de Arbeid lag te wachten op ontploffing. Ten onrechte, voor ieder onvooringenomen lezer van ons beginselprogram! Maar men kan thans weten, dat onze partij dit probleem aankan en dat zij het niet in de ijskast hoeft te zetten.

Het tweede onderwerp van dit congres was een oriënterende bespreking over de nota van minister Rutten betreffende een wetenschappelijk verantwoord plan van onderwijsvoorzieningen. Die nota, een uitvoerig stuk met een compleet schoolsysteem voor Nederland, van kleuteronderwijs tot universiteit (exclusief) was in Juli 1951 verschenen. Wederom was het onze partij die het eerst een congres wijdde aan deze ingrijpende hervormingspiannen. Ik zei u toch, dat we trots mochten zijn! Het zou goed zijn, als in de komende tijd het gesprek hierover, dat op het congres aangevangen is, grondig werd voortgezet, want het onderwerp is èn moeilijk èn belangrijk. En laat men zich hoeden voor vals pathos, doch zakelijk zijn. Ik noem enkele punten, die ook op het congres ter sprake kwamen, en die vlot tot onrechtvaardige veralgemeningen en gevoelsuitbarstingen komen: het veel-gesmade intellectualisme, de ellende van het blijven zitten, de droom van een volmaakte selectie, het euvel der examens, de vergelijking met het Amerikaanse systeem. Over al deze zaken kan men het

Herinnert u het zich? Zo zag het Nederlandse landschap er uit rond de jaarwisseling ’50—51. Slechts één jaar geleden. Wij kunnen het ons in deze grauwe, zachte winterdagen vol mist, storm en regen nauwelijks voorstellen, dat de winter har koud en mooi kan zijn.