is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 17, 26-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indo-China en het Westen

stap voor stap gaat het Westen voort op de weg der bewapening. Langzamerhand worden de gapingen In de ring rond de commimistlsche landen vernauwd. Met enige jaren zal West-Duitsland volgens de juist bekendgemaakte plannen drled. vierhonderdduizend soldaten als bijdrage tot de Westeuropese verdediging verschaffen, zodat dan wellicht het hiaat In de defensie van het Westeuropese vasteland wordt opgevuld; ten minste als ook de andere landen van het bondgenootschap de voorgenomen bijdrage leveren. Het Nabije Oosten vormt de tweede zwakke steé. Ondanks de steeds groter wordende moeilijkheden, die vooral Engeland er ondervindt met de Arabische nationalisten, wordt de Westerse positie er op menig punt sterker; juist tengevolge van die moeilijkheden misschien! Griekenland en Turkije hebben een vaste plaats in de verdedigingsorganisatle gekregen. Verwacht mag worden, dat de overigens op het ogenblik moeilijke en roerige situatie in Israël allengs zal opklaren, zodat dit land de belangrijke taak van betrouwbaar steunpunt In de onbetrouwbare Arabische wereld mettertijd zal kunnen vervullen. De Amerikaanse politiek Is In elk geval op de bevordering hiervan uit, terwijl de regeringswisseling In Engeland tengevolge van het daardoor wat op de achtergrond geraken van Bevlns antl-Israëllsche erfenis ook zijn gunstige Invloed op deze ontwikkeling kan hebben. Wezenlijk gevaar schuilt er slechts In Perzië, waar de geringste poging van premier Mossadeq tot toenadering tot Amerika gestrand Is op de haat tegen het Westen, die hij zelf heeft gestimuleerd en die nu kennelijk zijn grootste probleem Is. Het zag er goed uit na Mossadeqs terugkeer uit de Verenigde Staten. Alle kans op een vergelijk Is nu voorlopig weer verkeken. Voor Amerikanen en Engelsen zal de grootste opgaaf zijn er een voldoende krachtige groep te creëren, die de verwarring na de op den duur onvermijdelijke val van Mossadeq kan beheersen. Communistische agitatie dreigt; dit Is een van de redenen, waarom Mossadeq kan blijven uit vrees voor slechter!

Het derde onzekere gebied ligt In Zuidoost-Azië. Al jarenlang worden bij tijd en wijle het bioscooppubliek opnamen van de strijd in Indo-China voorgezet. Deze beelden zijn misschien niet overtuigend voor het goed recht der Fransen om de burgeroorlog te voeren tegen dat deel der bevolking, dat noch de Franse overheersing, noch het vazalschap van keizer Bao Dal accepteren wilde. Wel echter geven zij een vrij zuiver beeld van de complete oorlog, die er wordt gevoerd tegen de opstandelingen der Vlet-Minh, die nu onmiskenbaar aanzienlijke steun uit China ontvangen, zowel materieel als met manschappen. De laatste berichten wijzen op een gestage toeneming van deze steun. Het is de opstandelingen bijv. zelfs gelukt om in de afgelopen week een tiental Franse vliegtuigen zo feilloos neer te halen, dat het bezit van radarinstallatles er wel door bewezen is. Van Franse zijde wordt hierover thans veel misbaar gemaakt, ook al omdat men onder de Indruk Is van de geringe resultaten, die jarenlange kostbare oorlog hebben af geworpen. De Franse posities zijn eerder slechter dan beter; Indo-Chlna Is totaal ontredderd, evenals de Franse schatkist.

Het Is te begrijpen, dat Frankrijk er ge-

noeg van krijgt en ten minste krachtige steun verlangt van Engeland en Amerika. Voor het verkrijgen van deze steun wordt verwezen naar het uitgesproken belang, dat het Westen bij het behoud van Zuidoost-Azië heeft. Indo-China is het laatste bastion als dit valt liggen het roerige Birma, China en Malakka voor het communisme open, terwijl er ernstig gevaar ontstaat voor Indonesië, de Philippijnen en zelfs India. Objectief gezien hebben de Fransen gelijk. Ook, als zij er op wijzen, dat Zuidoost-Azië voor de Westerse industrie niet verloren mag gaan. Het Westen heeft reeds te veel grondstoffenbronnen verloren: Oost-Duitsland en Oost-Europa (het vroegere aankoopterrein voor de Duitse industrie), Mantsjoerije (het grondstoffengebied van Japan), alsmede enige kleinere gebieden.

Wij kunnen het met spijt constateren: het Westen wordt door zijn politiek langzamerhand gedwongen om ook de kwalijke zaak van het tanende Franse kolonialisme in Indo-China onder verwijzing naar algemene economische en militaire eisen voor goed te nemen. Sociale en politieke argumenten voor een wezenlijk progressief beleid-op-de-lange-baan verliezen veel van hun zin, nu de Westerse politiek toegelaten heeft, dat een in wezen gezonde nationale en sociale beweging in Indo-China tot een communistisch agressiemiddel is uitgegroeid. Met oneindig veel kosten zal het Westen nu het grondstoffengebied Zuidoost-Azië moeten proberen te behouden; met enige kans van slagen misschien gedurende de eerste tijd, maar met tegelijkertijd de stellige zekerheid van enorme haat

van de zijde der inheemse bevolkingen. Niemand mag van in politicis eenvoudige, jonge volken het inzicht verlangen in zaken van wereldpolitiek, die strijdig lijkt met hun meest reële, dagelijkse belangen, en die zelfs de Westerse volken, wier politiek dit is, slechts na bizarre vereenvoudiging tot bedenkelijke slogans kan worden aangepraat. Het is een tragische ontwikkeling, die dit vieze karwei onvermijdelijk heeft gemaakt.

Churchill en Truman hebben het over het probleem Indo-China gehad, maar hun communiqué verraadt weinig over genomen besluiten. Meerzeggend is de gelijktijdige conferentie van generaal Omar Bradley, de Amerikaanse stafchef en zijn Britse collega Sir William Slim met de inspecteur-generaal van het Franse leger, generaal Juin. Ten slotte is er de uitspraak van minister Eden: „Het moet duidelijk zijn, dat interventie door Chinese communisten in Zuidoost-Azië zelfs als zij vrijwilligers zouden worden genoemd een niet minder dreigende situatie zou doen ontstaan, dan die welke de Verenigde Naties ontmoet hebben en tegemoet getreden zijn in Korea. In zulk een geval zouden de Verenigde Naties, naar ik vertrouw, even vastberaden in hun verzet zijn.” Eden heeft deze verklaring niet op eigen houtje af gelegd. Het is een duidelijke waarschuwing. Zij betekent waarschijnlijk om met de bekende gebroeders Alsop te spreken, „dat de Britse en Amerikaanse regeringen besloten hebben om onder zekere omstandigheden, die zich heel wel mogelijk kunnen gaan voordoen, tot de oorlog over te gaan met communistisch China, of de oorlogstoestand met dit land zeer dicht te naderen.” Een waarschuwing voor de leiders te Peking en Moscou, maar voldoende om de verleiding weg te nemen? Ten slotte biedt Zuidoost-Azië hun een unieke kans. H. VAN VEEN

Bont kerkelijk leven

Dit artikeltje had ik al veel eerder willen schrijven, maar er is steeds niet van gekomen. Hoewel het natuurlijk overdreven is om te zeggen, dat de Kerk hier zoveel tijd in beslag neemt, dat er daardoor van schrijven niets kwam, feit is dat de kerken hier heel wat meer van je tijd vragen (of, vriendelijker gezegd: heel wat meer bieden) dan in Nederland. Laat ik in min of meer chronologische volgorde opsommen wat er in de laatste twee maanden te doen geweest is voor ons als lid van de Congregationalisten-Kerk.

Op een Zaterdagmiddag in begin November ratelde de telefoon, en vroeg een van de leden van de commissie voor DP’s of ik met hem mee kon gaan om als vertaler op te treden. Er was nl. iets met een DPfamilie’) uit Hongarije. Eén van deze Hongaren sprak Duits, en aangezien men hier nog steeds meent dat „Dutch” een dialect van Duits is, verwachtte men wel, dat ik de ontstane knopen zou kunnen loswikkelen. Het bleek te gaan om een Hongaar, die door de Duitsers naar Rusland gevoerd was; tijdens de Duitse débfLcle was hij gevlucht, en in een moeras vastgeraakt, waarbij zijn voet was af gevroren. Op een ingewikkelde manier was hij in Oostenrijk terecht gekomen, had daar een vrouw gevonden, wilde niet achter het Ijzeren Gordijn verdwijnen, en had daarom enige

jaren lang moeite gedaan om als DP geëmigreerd te worden. Nu wilde het geval dat een schoonzuster van hem reeds een jaar geleden met haar familie naar hier vervoerd was. Die schoonzuster nu was degene die Duits en een heel klein beetje Engels kende, en zij vertelde dat vier van haar vijf familieleden hier op een textielfabriek werkten, dat ze een groot huis hadden en dat ze deze familieleden, die net aangekomen waren, bij zich in huis wilden nemen. Na enig heen en weer getelefoneer werd dat door het DP-comité goedgevonden, en we beloofden de hele familie de volgende dag op de trein te zullen zetten.

Diezelfde dag was er een avond van de „Couplesclub” van de kerk. Het paar dat deze avond moest organiseren had besloten dat het een „oude kleren feest” zou worden. Dat is een van de variaties, die men hier op het thema „party” heeft uitgevonden, en de bedoeling is, dat ieder in zo oud mogelijke kleren komt. Lompen en kleren vol verf vlekken zijn beter voor zo’n gelegenheid, dan een pakje dat gewoon oud, maar nog netjes is. ’t Was een erg gezellig feest, met volksdansen (square dances heten die hier), wedstrijden en ten slotte bridge en canasta. Dominee en zijn partner won van mijn partner en mij. Tussen haakjes. Dominee wordt hier niet met die titel aangesproken, maar zoals elk