is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 19, 09-02-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den deelde mee dat hij 50 maanden lang ons één gulden van zijn „Drees-steun” zou overmaken. En... iedere maand komt zijn gulden. Waar mensen willen helpen, daar zijn altijd wegen te vinden.

Toen deze reacties zo spontaan kwamen, hebben wij gemeend niet alleen onze leden en begunstigers om hun hulp te mogen vragen, doch ook aan de deelnemers aan onze cursussen en belangstellenden in ons werk deze vraag voor te mogen leggen: Wilt èn kunt ook u ons helpen?

Wij weten dat velen ons werk een goed hart toedragen, wij weten ook dat zij ons gaarne zouden willen helpen, indien nodig. Welnu: thans is het nodig, thans hopen'wij uw bemoedigend antwoord op onze vraag te mogen ontvangen.

Een kleine commissie uit onze leden, begunstigers en vrienden hun namen vindt u onderaan heeft onze leden en de deelnemers aan onze cursussen een schriftelijk verzoek om steun gezonden. Ook in Tijd en Taak, dat ons werk alle jaren door zo trouw begeleidt, willen wij ons verzoek bekend maken. Het is mogelijk dat u tot nog toe geen verzoek om steun ontvangen hebt en toch uw steentje bij wilt dragen. Welnu, de commissieleden zien uw toezegging met dankbare vreugde tegemoet. Uw bijdrage(n) ontvingen wij gaarne op postgiro no.

467000 ten name van de Stichting tot Steun van het werk van de .A.G. der Woodbrookers te Bentveld. Wilt u erbij vermelden: „voor verbouwing Bentveld”?

Wij zouden graag per 1 Maart weten waar wij aan toe zijn, wat wij nog te wachten hebben. Ziet u kans om ons vóór die datum iets te laten weten?

Behalve door eigen bijdragen kunt u ons ook helpen door het opgeven van adressen, waar wij naar uw mening met enige kans op resultaat ons verzoek om hulp kunnen voorleggen. Het beste helpt u ons wanneer u zelf uw vrienden- en kennissenkring voor dit doel bewerkt.

Waarschijnlijk zal menigeen geneigd zijn om te zeggen: het is mooi èn nodig, maar wat gij vraagt kan ik eenvoudig niet missen. Wij begrijpen dit èn denken tegelijk, dat u met deze conclusie zelf toch geen vrede zult hebben. Misschien komt u na ernstig overleg dan toch tot de slotsom: er moet geld komen, het zal toch wel gaan.

In vertrouwen wachten wij uw reacties af; wij, d.w.z. de „commissie” bestaande uit de heren P. W. de Lange, Tomatenstraat 250, Den Haag en W. v. d. Vall, Comansstraat 14, Alkmaar, en het bestuur van de A.G. der Woodbrookers vertegenwoordigd in zijn secretaris en directeur, A. van Biemen, Bentveldsweg 5, Bentveld.

LEE STAFELNIEUWS

Gouden legenden, verhalen van God en heiligen, vromen en zondaars, uit de wereldliteratuur, bijeengebracht door Antoon Coolen, ge'illustreerd door Karei Thole. Uitgave J. M. Meulenhoff A’dam, 1951, 214 blz. ƒ9,50.

„In een tijd als deze, geplaagd door oppervlakkigheid, platheid en nihilisme bestaat aan een boek als dit ongetwijfeld grote behoefte”. Deze regel van de omslag zit me dwars. Legenden leest men niet ter genezing en uit behoefte en ze zijn te allen tijde welkom, zoals ze ook van alle tijden zijn. „De arm van God is niet verkort”. Wie gelooft in Gods voorzienigheid, beleeft er zijn vreugde aan als een verhaal vertelt van Gods omgang met de mensen. Hij leest het anders dan een sprookje; niet omdat hij gelooft aan de historiciteit (ofschoon omgekeerd een legende niet per se onhistorisch is), maar omdat hij heel diep weet, dat het zo had kunnen gebeuren. Ook een fantasie over Gods omgang met de mensen kan ontroeren. Deze aanbeveling zou ik dit boek willen meegeven, dat Coolen zo zorgvuldig heeft samengesteld. Een boek om zelf te lezen en te herlezen en vooral ook om voor te lezen. Deze prachtige verhalen pleiten voor een levensstijl, die hoe ook getransponeerd, de onze dient te zijn.

Jos. F. Steussy: Straten schrijven historie, verlucht door Peter Spier. Biographisch en historisch stratenboek van Amsterdam. Uitgave A. G. Schoonderbeek Laren, 1951, 285 blz. Eigenlijk vind ik het haast jammer, dat dit boek verschenen is. Ik neem aan, dat menig rechtgeaard Amsterdammer, zowel krachtens geboorte als krachtens inwoning, er op den duur een sport van gemaakt heeft te achterhalen waar de straatnamen vandaan komen en wat zé betekenen. Nu heeft men In dit boek ailes keurig en overzichtelijk bij elkaar en men hoeft het maar na te slaan. Ik troost me evenwel met het feit, dat ik ten eerste telkens weer mijn vondsten vergeten was en vervolgens, dat ik sommige verklaringen wel nimmer zelf gevonden zou hebben. Voor zover steekproeven uitwijzen, is het boek heel betrouwbaar, ofschoon de biographische notities vaak wat grillig volgestopt zijn met bijzonderheden en sommige der oudste namen mij nochtans doen twijfelen (bijv. blz. 16 „Bloedstraat”. De hiergegeven verklaring lijkt me bijv. nog al fantastisch). J. G. B.

Dr K. Schilder: „Christus in Zijn lijden, Overwegingen van het lijdensevangelie”, J. H. Kok N.V. te Kampen, deel 1 en 2 (584 en 620 blz.), ƒ 13,75 per deel.

Het gehele werk bestaat uit drie delen. Van deel 1 (Christus aan de ingang van Zijn lijden) en deel 2 (Christus in de doorgang van Zijn lijden) verscheen reeds een tweede druk. Professor Schilder is een groot geleerde. Ik wil graag erkennen, dat ik veel van hem geleerd heb.

In dit uitvoerige werk staan prachtige gedeelten, die ons de persoon, het leven en het werk van Chistus beter doen verstaan. Ik waardeer professor Schilder als de schrijver van dit driedelig boek veel en veel meer dan prof. Schilder als polemist. En ik betreur het, dat veien uit afkeer van de polemist en de man van Art. 31 aan zijn studieboeken voorbijgaan. Ik betreur het echter evenzeer, dat prof. Schilder er zo'n wonderlijke taal op na houdt. Het is waarlijk een soort dieventaai. Ik noem de titels van twee hoofdstukken uit deel twee: „Christus Synegor zwijgend onder de Qategorin uit Levi” en „Christus verdaan als Anhypostatos”. Ik loof duizend gulden uit voor de lezer van Tijd en Taak, die er iets van snapt. Sommige theologen maken het ons wel onnodig moeilijk. Ik zou ook wel willen, dat prof. Schilder zich wat minder te buiten ging aan theologische speculaties, die soms zeer interessant zijn, maar voor mijn besef te veel in de iucht hangen. Al deze bezwaren nemen intussen niet weg, dat ik dit een werk van formaat vind. Kok heeft het op een voortreffelijke wijze uitgegeven.

Ds J. Overduin: „Profetische vergezichten”, J. H. Kok te Kampen, 1951, ƒ6,90 (292 blz.).

Het thema van dit boek is de zegen, die Jacob aan zijn twaalf zonen op zijn sterfbed meegeeft. Het boek is verdeeld in twaalf hoofdstukken. Elk hoofdstuk is gewijd aan één van Jacobs zonen. Het boek geeft echter profetische vergezichten. De iijn wordt uit het verleden doorgetrokken tot in onze tijd. De schrijver geeft een psychologie van het leven van de christen in het licht van het Evangelie. Anders dan prof. Schilder schrijft ds Overduin een voor ieder verstaanbare taal. Opschriften als „Droom en werkelijkheid”, „Verburgerlijking”, „De ironie van de raszuiverheid”, „Vroomheid zonder bijsmaak”, „Soldaat of martelaar” zijn voor ieder begrijpelijk. Men kan goed merken, dat ds Overduin evangelisatiepredikant is. Hij schrijft geen dieventaal.

Ik vind dit een mooi boek. Het is echt Gereformeerd. De meeste iezers van Tijd en Taak zijn niet Gereformeerd, maar ik zou hun willen aanraden dit boek te lezen. Er zullen gedeelten in voorkomen, die hun wat vreemd aandoen. Ik ben het ook niet met alles eens. Toch geloof ik zeker, dat men aan dit boek veel zal hebben en het is toch ook wel eens goed in aanraking te komen met een boek over de bijbel uit een geheel andere kring. Als een boek over het geestelijk leven, waardeer ik dit boek zeer.

Ds H. A. Visser: „Perspectief”, Callenbach, Nijkerk, ƒ5,90 (376 blz.). Spreekt prof. Schilder een theologische dieventaal en ds Overduin gewoon Hollands, ds Visser spreekt welhaast de taal van de straat, zodat men

zich soms afvraagt, of hij niet al te populair wordt. Op 2 Januari een overdenking over de vraag; „Gaan alle kerkeraadsleden naar de hel?”, op 8 Januari idem: „Is leer taai?”, op 2 Mei idem: „Bent u principieel tegen korte rokken”... en zo maar voort. Hiermee in overeenstemming is de taai van dit dagboek. Eén voorbeeld: „Moeten we als christenen altijd vredelievend zijn? Nee, hoor, gelukkig niet. Paulus, dat vaatje buskruit, kan ontzagiijk goed ruzie maken. Fijn! Laat ’t maar eens knetteren”. Ik weet niet, of ik te oud ben geworden, om dit te kunnen waarderen. Dat zal wel, want ik hoorde, dat vele jongeren het prachtig vinden en dat het hun aanspreekt. Ik wil dus voorzichtig zijn niet mijn oordeel, vooral omdat er in dit dagboek heel veel staat, dat voortreffelijk is. Ds Visser kent de jeugd van onze tijd en hij verstaat de kunst om de bijbel tot haar te doen spreken. En hij schreef zijn boek niet voor een dominee van 52, maar voor de jeugd van 1952. En misschien is juist de wijze, waarop ik met enige reserve over dit dagboek spreek, voor de jongeren de beste aanbeveling. Er is verscheidenheid der gaven, maar het is dezelfde Geest. Vervelend is dit dagboek in elk geval niet. Het is niet alleen voor de jongens, maar ook voor meisjes. Op 4 Augustus staat tenminste een overdenking over de vraag: „Hoe komt een meisje aan een goede man?” en op 3 Mei een overdenking over de vraag: „Mag een meisje een short dragen?”. Neem en lees! J. J. B. Jr

KORTE AANKONDIGING

Het mocht u misschien ontgaan, daarom wijzen wij u er even op:

1. D. F. Oosterbaan: Het Naundorff-mysterie. Uitgave J. M. Meulenhoff, A’dam 1951; 99 blz. ƒ 4,90. Dit boek behandelt de vraag of de man, die in Delft begraven ligt en voorgaf de zoon van de ongelukkige Bodewijk XVI te zijn, inderdaad aanspraak op deze titel heeft of dat hij een Pruisisch onderdaan is, en Naundorff heten moet. Methodisch is dit boekje heel interessant: over en weer worden de argumenten pro en contra zorgvuldig afgewogen. De moeilijkheid in dit soort kwesties is steeds, dat men vrijwel nooit boven waarschijnlijkheden uitkomt. Er is echter een bewijsvoering mogelijk, die uit een bundel waarschijnlijkheden tot practische hoewel onbewijsbare zekerheid voert en al aarzelt de schr. ten slotte, voor mij is dit onderzoek negatief uitgevallen.

” 2. Het vraagstuk van de pacht. Rapport van de Wiardi Beckman-stichting, uitgave W.8.-stichting en P.v.d.A., Tesselschadestraat 31, A’dam-W. 1951, 20 blz.

Een doorwrocht werkstuk. Het is te prijzen in onze partij, dat alle belangrijke politieke vragen door studiecommissies geleidelijk onderzocht en tot een voorlopige oplossing gebracht worden. Zo krijgen we op den duur een bruikbaar arsenaal, waarvan onze Kamerleden kunnen profiteren en waarnaar ieder verwezen kan worden, die weten wil, wat onze partij over een onderhavige kwestie denkt. Aanbevolen.

3. Dr A. van Selms: Wie achter is moet voorgaan. Over de Nederlandse geloofsbelijdenis. Uitgave Boekencentrum 1951, 59 blz., ƒ 1,10 ing., ƒ 1,50 geb.

Een allerwege geprezen boekje; verklaring van de geloofsbelijdenis van Guido de Brés (1561), sedert aanvaard als de Nederlandse geloofsbelijdenis. De verklaring begint bij het slot en dat is ook de uitleg van de raadselachtige titel. Als geschrift voor de huisgenoten des geloofs lijkt het me zeer doeltreffend; of het daarbuiten ook dienst kan doen, valt te bezien.

4. AI-Ghazzali: De redder uit de dwaling, serie Scriptorium. Uit het Arabisch vertaald en toegelicht door prof. dr J. H. Kramers, uitgave Arbeiderspers, A’dam 1951, 113 blz., ƒ 4,50. Al-Ghazzali is een beroemd Islamitisch wijsgeer

en theoloog (1058-1111), die in later tijd zich meer en meer op godsdienstige meditatie en mystiek toelegde en zich aansloot bij de Soefi’s, wier erkenning in de Mohammedaanse wereld hij met groot gezag bewerkstelligde. Dit boekje, met tal van autobiographische gegevens, beschrijft zijn religieuze ontwikkeling. Opmerkelijk is de overeenkomst met mystieke inleidingen uit de Christelijke wereld.

5. Onderdrukking en verzet, afleveringen 30, 31, 32, 33. Uitgave van Loghum Slaterus Arnhem en J. M. Meulenhoff A’dam, per stuk ƒ 2,75.

De afleveringen handhaven zich op het hoge peil van dit weihaast voltooid meesterwerk. Deze stukken bevatten vooral de geschiedenis van het verzet. Zonder een der medewerkers te kort te doen, meen ik toch, dat het relaas van Van Randwijk over de illegaliteit met dat van Herzberger over de Joden tot de hoogtepunten van dit boek gaan behoren. Red.-secr.

Druk N.V. De Arbeiderspers Amsterdam