is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 20, 16-02-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan \ den Heer behoort de aarde en haar j volheid. . Psalm 24 : 1 y/

Tijd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 16 Februari 1932 Nr2o

Redactie: dsj. J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg drj. G. Bomhoflf

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoflf

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

/J* f~r> ' c – • ibonnement perjaarJS,—; halfjaarf2,7s; kwartaalf I,soplusf 0,15 incasso. Losse nrsfo,ls; Postgiro 21876pGem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

DE JEUGD EN HET COMPROMIS

Twee avonden na elkaar zat ik deze week naar een toneelstuk te kijken: de ene keer was het een middelbare school, die haar zevende lustrum vierde met een uit het Engels vertaald drama, de tweede avond zag ik in de Leidse schouwburg het Diesstuk, een wederom uit het Engels vertaald blijspel. Het thema was beide keren nagenoeg hetzelfde: mislukte levens, mislukte huwelijken, mislukte liefde, mislukte gezinnen, en vooral financiële narigheden. Je kon er om lachen te Leiden, je kon er om huilen te Amsterdam. Zeker, er werd voortreffelijk gespeeld, de zaal van jong tot oud amuseerde zich uitstekend, maar men bleef er even wijs onder: uitzicht, bezieling werd niet geboden. Ik stel me nochtans een hoogtepunt, in het schoolleven, in het Universiteitsleven, anders voor.

Wie op zoek is naar het antwoord van de jeugd op deze tijd, kan deze twee feiten aan zijn dossier toevoegen: lof, omdat deze jeugd onze wereld dóór heeft, zich geen illusies maakt over de fraaie leuzen omtrent liefde, huwelijk en gezin; lof, want deze jeugd weet, dat ze op de centen moet letten; maar overigens een volkomen gemis aan perspectief, zelfs geen protest, zelfs geen kreet om verlossing of een hartgrondige vloek, laat staan een nieuw ideaal van hoe het anders worden moet. Er werd thee geschonken (de belangrijkste „actie” in dit soort Angelsaksische stukken), er werd sherry of port gedronken en vooral: er werd geroddeld en geruzied om vrouwen en geld.

Laten we oppassen niet te veralgemenen! Er zijn ook andere feiten te noemen, maar ik schreef het reeds: zulke feiten behoren tot het rare dossier: „de jeugd geeft antwoord”. Misschien is nochtans de verwachting te hoog en moet de vraag omgekeerd worden: „Wat is uw antwoord aan de jeugd?” Laat men gerust huiverig zijn om

zo’n antwoord te geven; het is immers zo, dat wel de ouderen telkens vragen, wat het antwoord van de jeugd is, maar dat deze geen haast maakt zich uit te spreken, terwijl men omgekeerd de indruk heeft, dat, waar de ouderen over-ijverig hun antwoord geven, de jeugd bitter weinig gespannen is het antwoord te vernemen.

Naar aanleiding van een klein stukje, dat ik onlangs hier schreef (T. en T. 2 II Briefwisseling) kreeg ik een verontwaardigde brief van een moeder: „Is dit het antwoord, dat u geeft aan jonge mensen, die vol zitten, tot stikkens toe met vragen, welke er gesteld worden?” Maar neen, mevrouw! Ik geef geen antwoord, laat staan hét antwoord. Ze moeten zelf zoeken. Hun vragen ontstaan immers omdat ze ontevreden zijn met onze antwoorden. U hebt het zelf erkend, want u voegt mij min of meer schamper toe: „Ik krijg zeer sterk de indruk, dat uw standpunt is: compromis!” Juist, mevrouw, dat is mijn antwoord! Misschien hoort dat tot de kenmerken der volwassenheid, dat het leven je dresseert tot compromissen.

Men zegt: de jeugd is wars van elk compromis. Het zij zo, maar ik ben nieuwsgierig of ze dusdoende in staat is enig ernstig probleem op te lossen. De echte problemen ontstaan immers uit de vraag hoe de eisen der werkelijkheid gecombineerd dienen te worden met de eisen van het ideaal. Het is voor de toeschouwer zo gemakkelijk om van degenen, die het opknappen moeten, te vorderen, dat zij zich strikt houden aan de nobelste eisen van het ideaal. We kennen allemaal de verbeten puber, die kankert op de middelmatigheid van zijn ouders en leermeesters, omdat ze nooit iets groots verrichten, omdat ze zo hopeloos (kent u dat modewoord ook: hopeloos?) burgerlijk en ouderwets zijn? De puber kan zo zijn, omdat hij op ’s levens

toneel nog toeschouwer is. Heel veel critiek op het politiek beleid komt niet boven deze puber-critiek uit. Het staat daarenboven zo manhaftig en het verplicht tot niets. Men heeft een scherp oog voor de zwakte der gecritiseerde partij, men acht zich niet verplicht duidelijk te tonen hoe men anders kan handelen. Een jong mens kan gemakkelijk van oordeel zijn, dat zijn ouders te kort schieten, bijv. in liefdadigheid, maar hij hoeft het belastingbiljet, dat zijn „ouwe heer” ontving, niet te betalen en hij rekent er „so wie so” op, dat zijn vader hem goed in de kleren steekt en hem nu en dan een feestje gunt. Ergens ligt voor de arme vader het compromis tussen de eisen der liefdadigheid en de beperktheid van zijn inkomen. Of wil men duidelijker taal?

Het heet, dat „zeer vélen zich uit moeheid en angst zonder tegenstand laten inschakelen in de huidige politieke machtsstrijd. Men aanvaardt als een onontkoombaar noodlot de steeds slechter wordende internationale verhoudingen: de tegenstelling Oost-West schijnt onoplosbaar geworden” (aanhef van het manifest „De derde weg”). Ziedaar de politici van vandaag: moe, angstig; ze bieden geen tegenstand meer, ze aanvaarden slechts. Daarentegen: hoor nu de idealisten, wars van elk compromis: „zij wensen volledige onafhankelijkheid!” Wel bekome het u, als eenmaal de orkaan losbreekt.

Er is nog een heel ander aspect aan deze kwestie. Ik heb soms de indruk, dat men zich door de grote politiek te zeer laat imponeren, alsof ieder ogenblik van ons leven vervuld moet zijn van de kwellende vraag: hoe lossen we de wereldconflicten op! Ook dit is allereerst typisch voor jonge mensen, die zich graag vertillen aan al te grote opgaven, maar de voor de hand liggende taak verwaarlozen. Lucas vertelt van Johannes de Doper, hoe hij een machtig toekomstideaal schilderde in heldere profetische klanken. En dan dringen de mensen op en vragen, wat ze moeten doen en hij zegt niet anders dan: „Doe gewoon je dagelijkse plicht. Werk door aan dat waar je mee bezig bent, maar doe het zo goed mogelijk!”

die in krijgsdienst waren, vroegen hem, zeggende: „En wat moeten wij doen?” En hij zeide tot hem: „Plundert niemand uit en perst niet af en weest tevreden met uw soldij.” (Luc. 3 : 14).

Ik stel me voor, dat onder die soldaten er ook één vervuld van hoog idealisme en wars van elk compromis. Hij was wellicht wat teleurgesteld, maar de raad van Johannes was goed, ook voor hem, juist voor hem! j. G. b.