is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 20, 16-02-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ideologieën

In vroeger jaren was het gewoonte, dat aan de vooravond van de grote christelijke feestdagen in Het Volk artikelen verschenen, waarin het eigenlijke van deze christelijke feestdagen volstrekt ontbrak, maar met de christelijke woorden uit een ver verleden propaganda voor het socialisme gemaakt werd. Ik herinner mij, hoe Kleerekoper eens een artikel in Het Volk schreef aan de vooravond van Pasen. Het opschrift was: Opstanding, maar aan het einde van dit Paasartikel was opstanding omgezet in opstandigheid. Nu heb ik niets tegen opstandigheid, integendeel, het is mijn vaste overtuiging, dat het Evangelie van Jezus Christus ons opstandig maakt tegen alle onrecht, dat de menselijkheid bedreigt, maar ik heb er toch wel groot bezwaar tegen, dat men de boodschap van Pasen laat opgaan in opstandigheid. Die socialistische overdenkingen in de buurt van de christelijke feestdagen waren voor overtuigde christenen een onverteerbaar brok.

Het is, geloof ik, een goed ding, dat zulke meditaties, die de christelijke boodschap uithollen door er een uitsluitend socialistische boodschap van te maken, in onze socialistische bladen niet meer verschijnen. Zij hebben de ontmoeting van socialisme en christendom meer in de weg gestaan dan bevorderd.

Het heeft mjj pijnlijk getroffen, dat „Nieuwe Wereld”, het orgaan van de Socialistische Unie in dit opzicht weer een stap terug heeft gedaan.

In het nummer, dat in December verscheen, staan niet minder dan vijf artikelen over Kerstmis. Daar is niets tegen, al vind ik het voor een politiek orgaan rijkelijk veel. Ik zou er echter niet over gedacht hebben, over deze artikelen iets te schrijven, indien vier van de vijf schrijvers niet terug gevallen waren in de verkeerde en noodlottige gewoonte, om met negering van het wezenlijke van Kerstmis de Kerstboodschap te annexeren voor de socialistische strijd.

Zij doen daar de zaak van het socialisme geen goed mee.

Boven het eerste artikel staat een woord van Christus: Uw droefheid zal tot blijdschap worden! Wie de Bijbel kent, weet in welke omstandigheden en met welke bedoeling Jezus dit woord tot zijn discipelen sprak. In dit artikel is het slot: „Moge Kerstmis van dit jaar ons bereid vinden het telkens nieuwgeborene te verdedigen en groot te brengen, opdat de droefheid over geweld en wapens verdwijne en de blijdschap van redelijk overleg tot ontspanning zal voeren. De eenheid te vinden tussen waarachtige nieuwgeboren socialisten, christenen en humanisten. Een eenheid, die eindelijk het Kruis uitbant en de glorie van Kerstmis zeker stelt. Tonen wij ons beschaafd genoeg, na 20 eeuwen het Nieuwgeborene Kruisloos te doen zegevieren”.

Het tweede artikel gaat over „Jjlerstmis en werkelijkheid”. Voor een christen gaat het op Kerstfeest om de geboorte van Jezus Christus in de stal van Bethlehem. Maar hier lees ik: „Het gaat naar onze mening bij de Kerstviering om meer dan om de herdenking van een gebeurtenis, die bij het begin van onze jaartelling in een stal te Bethlehem voorviel, het gaat om de geboor-

te van de Vredesvorst nu, heden ten dage, in onze wereld in ons eigen hart”. Aan die geboorte staan dan volgens dit artikel in de weg: ons burgerlijk wetboek, ons economisch bestel, ons sectarisch politiek en kerkelijk leven. „Dat zijn o.a. de euvelen, die moeten worden weggenomen, wil het waarlijk Kerstfeest voor ons zijn. Als intelligente mensen behoorden we dit te begrijpen.” Ik hoop voor deze intelligentie bewaard te worden. In elk geval heeft dit alles, ons op deze wijze voorgezet, niets met Kerstfeest te maken.

Een derde artikel is een stukje over Zonnewende, zoals er in de bezettingstijd tallooa vele stukjes over Zonnewende in de nationaal-socialistische kranten stonden. Ik had gehoopt, dat we daar voor goed van af waren.

Het vierde spreekt over „Licht”. Het Kerstfeest is voor de christen doorglansd van het milde licht, dat Jezus Christus omstraalt. Voor de socialist is het Kerstfeest het feest van de lichtende idee van menselijkheid en broederschap. Maar voor alle socialisten, van welke* levensovertuiging ook, is het „een feest van het licht”. En het program van de Socialistische Unie wijst de weg. Het zal uitgevoerd worden „als we ons dragers voelen van dat grote licht, dat

het symbool is van Kerstmis en van ons een enthousiaste, niet verflauwende strijd eist voor vrede en menselijkheid”.

Hoe een overtuigd christen dit alles kan verstouwen, begrijp ik niet.

En ik kan niet ontkomen aan de indruk, dat de schrijvers van deze Kerstartikelen van het socialisme iets maken, dat het in wezen niet is en niet zijn kan. Het is een illusie, te menen, dat het alleen in een socialistische wereld Kerstfeest voor ons kan zijn en het is een nog veel groter illusie, te menen dat een socialistische wereld Kerstmis „zeker stelt” en „eindelijk het kruis uitbant”.

Is het een vergissing van mij, dat ik uit deze artikelen concludeer, dat voor de Socialistische Unie het socialisme een levensen wereldbeschouwing betekent, die op alle levensvragen antwoord geeft? Tegelijkertijd een nieuwe wereld, die zo ongeveer gelijk is aan wat de Bijbel het Koninkrijk Gods noemt?

Indien het een vergissing is, laat men dan straks, wanneer het Pasen wordt, anders schrijven dan men het in de buurt van Kerstmis deed. Schrijft men ook dan weer op dezelfde wijze, dan houd ik het er voor, dat mijn conclusie geen vergissing is. Zulke artikelen wekken bij de mensen verwachtingen, die niet vervuld worden en ook niet vervuld kunnen worden, zelfs dan niet, wanneer de nieuwe wereld, die de Socialistische Unie bouwen wil, gekomen is.

Ter wille van het socialisme is het nodig, al deze on wezenlijke ideologieën op te ruimen en uit te bannen. En niet minder nodig is dat ter wille van het christelijk geloof.

J. J. BUSKES Jr.

OPEN

brief

Beste mijnheer Moltzer,

V hebt niet dikwijls een brief van mij ontvangen, maar met uw zeventigste verjaardag wil ik u heel hartelijk gelukwensen!

Gisteravond las ik in het Januari-nummer van Wending uw artikel over uw reis naar Irak, vorige winter. U hebt blijkbaar nog een flinke werkkracht! Toen ik uw beschrijving las van een bezoek aan een instituut in Baghdad moest ik opeens denken aan excursies onder uw leiding, toen ik, twintig jaar geleden, op de School voor Maatschappelijk Werk was. En daarna kwam de ene herinnering na de andere. Ik wist wel, dat ik veel aan u te danken heb, maar ik had eigenlijk nog nooit „de rekening opgemaakt”. Er komt meestal niet veel van om van je leermeesters bij hun leven te bedenken waarom je hun dankbaar bent-Twintig jaar geleden was u onze directeur. Het was uw taak ónze opleiding tot maatschappelijk werkster te leiden.

Wat waren we groen! Ik denk aan het kennismakingweekeinde op de Vonk, waar u mij wilde betrekken in een tafelgesprek met oudere- jaars: „En wat denkt juffrouw v.R. van het vegetarisme?”Ze dacht er niets over, kreeg alleen maar een rood hoofd en snakte naar het einde van die maaltijd.

Wat moest u ons véél leren! Ik was nog maar kort op school. Het was me te zwaar, omdat ik teveel wilde. Hoé u het merkte.

weet ik niet, maar u zond me zonder veel woorden een paar dagen met vacantie: „En doe vooral de hartelijke groeten aan je ouders”.

Ik heb nog een schrift waarin ik de wekelijkse spreuk van het bord in de hal heb overgenomen, als die me trof, en ook citaten uit Rathenau en een korte samenvatting van een van uw Kerstsluitingen. Ergens lees ik „Wir sind nicht da um des Bezitzes Willen, nicht um der Macht Willen, auch nicht um des Glückes Willen; sondern wir sind da zur Verklarung des Göttlichen aus menschlichem Geiste”. Laatste woorden van Walther Rathenau „Von kommenden Dingen”. Enige maanden geleden in een gesprek ontdekte ik opeens hoe Rathenau voor mij leeft dank zij uw lessen. V hebt u destijds stellig wel eens afgevraagd wat wij er van opnamen, want wij hielden het niet geheim dat wij Von kommenden Dingen een moeilijk boek vonden en dat wij u lang niet altijd konden volgen in uw geestdriftig betoog. Wat moest u ons opporren om de krant te lezen, maar ook om op tijd te komen en niet te spijbelen. En loij, wichten die we waren, wij giebelden als uw woordkeus ons te plechtstatig klonk, als wij een „standje” kregen omdat we iets „beroerd” vonden of wanneer we spraken over een toekomstige „baan”, als we om beurten bij u verioacht werden, „om te biechten”, zoals wij dat noemden. Wij lachten daar niet altijd om, want we voelden dat u ons helpen wilde bij onze moeizame ontwikkeling, maar wij, eigenwijs als we waren, meenden uw hulp niet nodig te hebben.

Alleen wie zich geroepen weet, kan dit werk doen, leerden we. We kregen het benauwd, want wie is geroepen? Wie durft te zeggen dat hij de zin van het werk ziet en