is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 21, 23-02-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achtergebleven mensen

Er zijn in onze dagen, behalve achtergebleven gebieden, ook achtergebleven mensen. De achtergebleven gebieden moeten thans om vele redenen vooruitgeholpen worden; met de achtergebleven mensen is dat evenzeer het geval. Men tracht de hulp aan achtergebleven gebieden zo veel mogelijk internationaal te organiseren, maar Nederland heeft bij zijn vraagstuk van de achtergebleven mensen weinig kans op internationale belangstelling. De ontwikkeling van de verhouding tussen Nederland en Indonesië heeft aan ons land de verantwoordelijkheid bezorgd voor drie groepen vreemdelingen, een in ons land, en twee er buiten: de verplaatste Ambonezen hier te lande, de Papoea’s in Nieuw Guinea en de zgn. Indische Nederlanders in Indonesië.

Deze laatste groep is zeer groot en vormt het probleem van de achtergebleven mensen. Hun positie is daarom zo moeilijk geworden, omdat zij zonder te verhuizen in een vreemd land terecht zijn gekomen. Verreweg de meesten hebben geweigerd de nationaliteit van Indonesië voor zich te aanvaarden, en zo zijn zij definitief ingelijfd bij de Nederlandse staatsonderdanen. Sinds het einde van het vorige jaar worden hun geen faciliteiten meer verleend voor een eventueel massaal verkrijgen van het Indonesische staatsburgerschap. Zo is deze groep thans aan de verantwoordelijkheid van Nederland toegevallen.

Hun situatie is uitermate moeilijk. Zij dragen de gevolgen van het feit, dat zij als groep een beschermende laag gevormd hebben tussen de Nederlanders en Indonesiërs in Ned. Oost Indië. Op Nieuw Guinea worden zij weer in de zelfde functie benut door het gouvernement. Wanneer de dunne bovenlaag, de koloniserende macht, door de omstandigheden gedwongen wordt de mat-

jes op te rollen, dan verliest de tussengroep zijn reden van bestaan, en heeft de keuze: ook de matjes op te rollen en heen te gaan, of op te gaan in de onderlaag: de autochthone bevolking, waarmede evenzeer de banden des bloeds bestaan als met de bovenlaag.

Deze beslissing is het vorige jaar gevallen, en verreweg de meesten hebben gekozen voor de bovenlaag: zij willen bij Nederland blijven behoren. Daarmede is, gezien de situatie, echter ook klaar gezegd: voor verreweg de meesten is dan ook de tijd van vertrek gekomen. Het is slechts de of zij nu weg kunnen gaan, en zo ja, waarheen. Het feit, dat zij Nederlanders willen zijn, plaatst hen in de zelfde situatie, waarin de niet in Indonesië geboren en getogen Nederlander zich bevindt: voorlopig zal er zeer weinig plaats en werkgelegenheid geboden worden aan Nederlanders. Niet alleen de Indonesische regering beperkt het aantal Nederlandse ambtenaren op drastische wijze tot het uiterste minimum, maar ook het zakenleven vraagt voor z’n welzijn inkrimping van het aantal vreemde werkkrachten. Men kan dientengevolge een snelle toeneming van de werkloosheid onder de Nederlanders verwachten voor de nabije toekomst.

De Indische Nederlanders hebben voor het merendeel voor het Nederlanderschap gekozen. Het tragische van deze keuze is, dat zij bepaald is door de vroegere positie in Ned. Indië. Deze keuze is bovendien beïnvloed door de na-oorlogse propaganda van de Regerings Voorlichtingsdienst welke gedurende lange tijd geen belang had bij een omslaan van de S3mipathie van de onderhavige groep naar Indonesische zijde. Een pion hoort bij één partij, en gelooft niet in de nederlaag, voordat de koning schaakmat

staat. Wanneer in Regeringskringen wordt opgemerkt, dat de tijd om te kiezen voor de Indische Nederlanders in Indonesië wel heel kort is geweest (vrijwel twee jaar), dan is daarmede nog niet beweerd, dat alleen Indonesië in gebreke is gebleven. Men kan niet verwachten dat mensen, op wier aanhankelijkheid en trouw in critieke jaren een sterk beroep is gedaan door de ene partij, en die daarom in die jaren allerlei kwalijks van de andere partij hebben ondervonden, nu in staat zullen zijn om zich een onafhankelijk oordeel te vormen over de toekomstmogelijkheden die nog bleven. Him keuze is bepaald door het verleden: „opstijgen” of „neerdalen”. Indonesiër worden is in deze gevoelssfeer: bij het plebs gaan zitten.

Kort voor de beslissende datum hield de Hoge Commissaris in Indonesië een toespraak, tot de Indische Nederlanders gericht, waarin hij o.a. verklaarde, dat er in het prijsgeven van het Nederlanderschap niets laakbaars gelegen is. Hij verklaarde tevens dat het verwisselen van nationaliteit niets was dan de logische consequentie van de nieuwe rechtsorde in Indonesië. Hij liet er wijselijk op volgen, dat men in Indonesië zonder Indonesische nationaliteit de verarming tegemoet ging, maar dat verhuizing naar Nederland nog minder perspectief bood. Dit laatste argument moet stellig sterker genoemd worden dan het eerste. Dit gaat immers lijnrecht in tegen wat nog in 1948 als de enige acceptabele mogelijkheid gold. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de rede het niet won, maar het sentiment. En wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, dat hier een rekening wordt gepresenteerd door de achtergelatenen aan Nederland.

Het is de Indische Nederlanders niet makkelijk gemaakt. Hun verleden heeft ze grotendeels ongeschikt gemaakt om op korte termijn de harde strijd om het bestaan aan te durven in een vreemd land. Zij genoten een zekere protectie en zijn daarop gaan vertrouwen. Velen voelen in hun hart heel goed, dat het Indonesiër worden voor hen betekenen kan: diep in de kampong verdwijnen. Zij zouden een illusie moeten prijsgeven, en er geen redelijk bestaan voor terug winnen, niet gehandicapt door overheidsbepalingen, maar door eigen gebrek aan elan. Wij kunnen gerust zeggen: zij konden niet anders kiezen, dan zij deden. In feite betekent deze keuze een zeer zware aanslag op de hulpbronnen, welke Nederland kan beschikbaar stellen. Zij zijn zo hulpeloos als achtergelatenen maar kunnen zijn. Zij zitten ver van Nederland, en zullen in Nederland nauwelijks begrip voor hun positie, en zeker geen plaats om te werken vinden. Nieuw Guinea biedt geen uitkomst, omdat het veel moeilijker zal zijn zich daar een menswaardig bestaan te veroveren, dan in Indonesië, mits genaturaliseerd. Bij immigratie naar andere landen stuit men geregeld op de weigering Indo’s binnen te laten. En in Indonesië hangt voortdurend het zwaard van Damocles boven het hoofd van deze „vreemdelingen”, dat zij ontslagen en als werkloos eventueel uitgewezen kunnen worden.

Een buitenstaander wordt onmiddellijk getroffen door het irrationele van dit gebeuren. Men weet snel waar deze mensen thuis horen: in Indonesië. Was het niet Du Perron die schreef: „Als ik de rode aarde van Meester Cornelis ruik, weet ik, dat ik weer thuis bent”? Toch kan men zich ook goed voorstellen, wanneer men verneemt welke toon er in de na-oorlogse jaren werd gehoord, dat zij zich geheel vreemd voelen tussen de Indonesiërs. Wie de sprong maakten, en „warga negara”, Indonesische

kan dat immers ook niet. Wij kunnen in de eerste tien, twintig jaren ook niet de honderden millioenen opbrengen die er voor nodig zijn. Gevoelsmatig is voor de Indonesiërs bovendien van belang, dat bij voortduring van het Nederlandse beheer een hatelijk stukje kolonialisme naast de deur in leven blijft, hoe verlicht dat kolonialisme ook zijn mag.

Zijn dit nu redenen om te bepleiten, dat Nederland Nieuw-Guinea maar aan Indonesië moet overdragen? Volstrekt niet! Want ofschoon de Indonesische argumenten voor het bezit van het land stellig steekhoudender zijn dan de Nederlandse, toch zijn zij geenszins voldoende. Maar als Nederland Nieuw-Guinea ten gunste van Indonesië opoffert, wordt dan niet de basis gelegd voor een werkelijk goede samenwerking? Misschien, maar waarschijnlijk niet, als wij bedenken, dat de oorzaak van de Indonesische actie in de eerste plaats in de binnenlandse moeilijkheden moet worden gezocht, welke er niet door worden opgelost. Nieuwe ver gaande Indonesische eisen zijn dan na de vervulling van die t.a.v. Nieuw-Guinea geenszins denkbeeldig,

Thans is er een nieuwe Indonesische suggestie om uit de moeilijkheden te geraken, en waarbij gezocht zou moeten worden naar een gezamenlijk Nederlands-Indonesisch beheer. Op zich zelf is dit een fris initiatief. Maar het nut er van is toch

ook zeer twijfelachtig, vooral omdat juist daarmee de agitatie tegen Nederland op allerlei détailpunten van zulk een gemeenschapsbeheer gericht kan worden, terwijl het vraagstuk van de uiteindelijke status van Nieuw-Guinea in de toekomst steeds moeilijker wordt. Maar nog geheel van de uitvoerbaarheid afgezien, is de vraag gewettigd, of onderhandelingen met deze Indonesische regering, die bijna op vallen staat, over een zo ver gaande regeling wel zin heeft. De Indonesische delegatie is zo vriendelijk geweest om in haar voorstel Nederland de mogelijkheid te geven om de beslissing tot na de verkiezingen uit te stellen, maar het Indonesische kabinet staat waarachtig niet sterker dan het Nederlandse.

Het ware te wensen, dat Nederland geheel uit eigen initiatief de enige mogelijkheid, die in deze tijd past, zou openen, nl. die van internationaal beheer over Nieuw-Guinea. Omdat het gebied nog buiten de directe gevarenzone ligt, zou wellicht de U.N.O. hier een goed arbeidsterrein kunnen vinden voor de ontwikkeling van het land. Deze weg te kiezen zou verantwoorder en waardiger zijn dan het overigens goed bedoelde streven van thans om het land te behouden. Hij is ook verre te verkiezen boven een overdracht van het land aan Indonesië.

VAN VEEN