is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 24, 15-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Psalm 24

'W19 • V rwi t fyu en iuak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 15 Maart 1952 Nr24

Redactie; dsj. J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48 “ Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhofF

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

botmement perjaar halfjaat/2JS; kwartaalf 1,50 0,15 incasso. Losse nrsfOJS; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm, N.V. De Arbeiderspers, Hekclveld 15, Amsterdam~C; Postbus 8Ö0

Over cultuurpolitiek

NAAR AANLEIDING VAN DE WEG NAAR VRIJHEID

Deel III: Mens en cultuur

Het fundamentele bezwaar tegen een socialistische cultuurpolitiek bestaat m.i. hierin, dat cultuurpolitiek, als die mogelijk is, zich alleen maar laat denken vanuit een alles-omvattende levensbeschouwing. Waar het socialisme van de Partij van de Arbeid nadrukkelijk ontkent een levensbeschouwing te zijn of die te geven, zxau hiermee het thema als afgedaan beschouwd kunnen worden.

Ten overvloede zou men zich kunnen afvragen of cultuurpolitiek mogelijk is, met andere woorden of de staat de cultuur vermag te bevorderen, te wijzigen, te ordenen. Ik heb daar zo mijn ernstige twijfels over. Allereerst, omdat de staat zelf een gestabiliseerde cultuurgestalte is en uiteraard zichzelf niet in twijfel kan trekken. Voor de hand liggend is vervolgens, dat de staat aan zichzelf normen ontleent en dat hij, voor zover invloed uitoefenend, alleen bevriezend en conservatief optreedt. In feite zien we dit herhaaldelijk in de geschiedenis gebeuren. De staat trekt dan de cultuur naar zich toe, dwingt haar de bestaande toestand te verheerlijken en verstikt daarbij elke oorspronkelijkheid. Voorbeelden uit het jongste verleden, maar ook uit vroegere eeuwen (Napoleon: empire-stijl) liggen voor het grijpen.

De schrijvers van het plan weten dit natuurlijk ook en het is dan ook opvallend, hoezeer zij in dit deel de titel van hun boek waarmaken, en doodsbenauwd om directiiven te geven, allereerst van de staat der toekomst vragen, dat deze ruimere vrijheid en ontplooiingsmogelijkheden geeft. Zij zien daarbij echter over het hoofd, dat zoiets nog juist geen volledige cultuurpolitiek is: de vraag blijft immers klemmen, waartoe die vrijheid dienen zal en die vraag klemt des te meer in deze tijd. Moet er meer vrijheid komen voor het maken van sensationele films en kitsch-romans enerzijds en anarchistische, zeden-ondermijnende, ziekelijke kunst anderzijds? En zo men deze excessen, die toch waarlijk geen fantastisch

droombeeld zijn, wil vermijden, waaraan zal de staatkundige gemeenschap haar normen ontlenen? Toch wel niet aan vage algemeenheden als „de vrije ontplooiing der volledige persoonlijkheid”, enz!

Wat hierover in het plan gezegd wordt (blz. 265-266), bevredigt nauwelijks. Men verwacht wonderwat van „het critisch oordeel der maatschappelijke organen” en vergeet, dat deze, als exponent der bestaande heersende groepen, conservatief de wordende cultuur tegemoet zullen treden, dus in een afweer-houding en van haar alle’-<>erst een bestendiging van het bestaande, dus ook van zichzelf zullen eisen. En dan zullen we maar hopen dat ze bij dit beperkt gezichtspunt nog deskundig zijn!

Ik wil hier nogmaals verklaren, dat ik voor de uitgewerkte detailvoorstellen van deel 111 van „De weg naar vrijheid” veel waardering heb, maar ik verwerp de suggestie, dat dit nu cultuurpolitiek zou zijn. De inleiding van dr Idenburg op het Plancongres (afgedrukt in S. en D. Januari 1952, blz. 44) heeft mijn twijfel in dezen niet kunnen wegnemen. Er staat veel in dat ik met diepe instemming beaam, maar mijn bedenkingen zijn niet geringer. Als dr Idenburg de cultuurpolitiek van ons socialisme typeert als anti-kapitalistisch en antiindividualistisch, kan hij op ons aller bijval rekenen, maar als hij voor zich ook „antirationalistisch” zegt, wil ik hem wel bijvallen, maar we weten beiden, dat deze rationalistische levenshouding ook in onze partij niet overwonnen is (en binnen de partij door de partij niet overwonnen kan worden!). Kunnen we dus het etiket „antirationalistisch” op ons cultuurprogram plakken? En overigens, deze negatieve aanduidingen zeggen nog bitter weinig, wat de tendenz van onze cultuurpolitiek wel is.

Er ligt iets aandoénlijks in die toekomstprofetie van Idenburg: „de eeuw van de gewone man”. En als dit niet meer dan een pleidooi is voor de strekking, dat „de gewone man” zijn plaats zou zoeken en vinden

„in de wereld van het geestelijk genieten en beleven”, kan men alleen er maar mee instemmen. Maar men houde wel voor ogen, dat „de gewone man”, wanneer hij hier aan toe is, geen „gewone man” meer is! Dit is het misleidende van Idenburgs slogan. Hij wil en terecht! de gewone man opheffen uit de grijze massa, maar wanneer de gewone man deskundig keurend, aan zal zitten aan de tafel der cultuur, zal niemand hem meer voor „gewone man” verslijten. Dat hiertoe een anti-individualistische cultuurpolitiek het aangewezen middel zou zijn, mag ook nog wel eens nader onderzocht worden.

Ik vraag me af, waar die „gewone man” vandaan komt en het iiedje van Louis Davids geeft me een suggestie; „De gewone man, met het confectiepakkie an”. Dat confectiepakje wijst naar massa-fabricatie.

Het wordt tijd, dat wie over „sociaiistische cultuurpolitiek” denkt, zich allereerst bezint op zegening en vioek der techniek. Het sociaiisme in zijn reusachtige inspanning om de kwade gevolgen der industriële revolutie te keren en deze tot heil der arbeidende klasse te maken, is ai sedert Marx te weinig critisch geweest tegenover de techniek in deze zin, dat het de zgn. zegeningen der techniek opgeëist heeft voor de arbeiders.

Nochtans er is geen ware cuituur denkbaar, ais er geen halt wordt toegeroepen aan een opdringerige reclame, die ons met geweld allerlei waardeloze cultuurproducten en zinlose tijdspasseringen wil opdringen. Hoe beschermen we de „gewone man” (die we zelf zijn) tegen vergiftiging en indigestie van ons cultureel onderscheidingsvermogen? Wie houdt er eens een pleidooi voor soberheid bij het gebruik van cultuurgoederen?

Wanneer het Plan bijv. over de film spreekt, heeft het oog voor deze gevaren en doet suggesties, die alleszins de overweging waard zijn: suggesties, gedicteerd door het gezond verstand, maar een centrale visie op wat een socialistische cultuurpolitiek zou mogen heten, ontbreekt en moet m.i. ontbreken. Het socialisme, zelf cultuurproduct, overschrijdt zijn grenzen als het een visie op de cultuur aanbiedt. Het kan vanuit zijn gezichtspunt uitwassen signaleren, wantoestanden opruimen, hier en daar suggesties doen, maar verder reikt zijn vermogen niet. j. G. B.

In het voorafgaand artikel over Cultuurpolitiek verbetere men (T. en T. 8 111 biz. 5 Ie kol. r. 28) „federalistische cultuur” in „federalistische structuur”.