is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 24, 15-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Democratie in de partijen

Onlangs hebben mijn vrouw en ik gebogen gezeten over een lijst met namen: het referendum over de volgorde van de namen op de candidatenlijsten voor de Tweede Kamer, te stellen door de Partij van de Arbeid. Heel ernn);ig hebben wij deze namen bekeken, gewikt en gewogen en ieder voor zich de volgorde bepaald. Elkaar uiteraard ten slotte vrijlatend, want men moet elkaar in zijn diepste overtuiging eerbiedigen. Zelfs in het huwelijk, zeggen de boeken.

Wij hebben dat nu al, sinds 1927, voor de zoveelste keer gedaan. Wij vonden het leuk. Wij zagen in dat biljet, dat op een geheimzinnige manier moest worden verzonden, het symbool van de Macht van het Lid.

Ondertussen hadden wij er toch ook onze moeilijkheden mee. Wij wisten, dat het Partijbestuur, voorgelicht door een commissie van wijze mannen, eerst de voorstellen had gedaan aan de Partijraad. Wij wisten dat er in de Partijraad over gesproken is. Dat er zelfs enige verandering was aangebracht in de lijst, zoals die voorgesteld was door het Partijbestuur. Veranderingen, die overigens de niet-zittende leden betroffen.

Bovendien: wij kenden lang niet alle namen. Ter wille van de objectiviteit blijkbaar, wordt er op zo’n lijst nooit iets anders meegedeeld dan de naam. die de vaders der adspirant-candidaten in het register van de burgerlijke stand lieten inschrijven. Academische titels zijn al helemaal taboe. Leeftijden eveneens. Het geslacht kon je aflezen uit de tweede naam. En wat iemand voor functie in de wereld bekleedt, wat zijn bijzondere kwaliteiten zijn, daar mocht men naar raden. Zeker, in de Partij geldt hetzelfde als van de wetgeving. ledere Nederlander wordt geacht de wet te kennen. leder lid van de Partij van de Arbeid wordt geacht de ander te kennen. Anders is het niet te verklaren, waarom wij, gewone edoch belangstellende leden zó in het duister worden gelaten omtrent het leven van al die Kamercandidaten.

En het gevolg? Dat men onwillekeurig de namen die men wèl kent een scheutje naar boven geeft en daardoor automatisch anderen laat zakken.

Nu hindert ook dat weer niet. Want het komt tóch goed. Zolang wij nu al aan deze voorverkiezing deelnemen, in een periode van 25 jaar dus, is, bij mijn weten, nog nooit een lijst anders uit de molen van het referendum gekomen, dan hij er in gegaan is. Er is een ingewikkeld systeem, uiteraard heel eerlijk, uitgevonden, waardoor elke stem van de zoveel duizend leden, die aan de liturgie van‘het persoonlijk kiezen méédoen, tot zijn recht komt. En het gevolg is, dat er nooit iets verandert. Tenzij men, uit brandende begeerte om een bepaalde candidaat naar voren te schuiven, actie zou gaan voeren, met strooibiljetten werken, vergaderingen beleggen. Maar ook dè,n is het niet eenvoudig om effect te sorteren. We hebben dat feest gehad met een zekere Kiès, die door een groep in Friesland hogerop moest worden gebracht omdat zij hem zo uitermate voortreffelijk vonden om Friesland te vertegenwoordigen. Daar is toen wèl actie gevoerd. Maar hij bleef op nummer 10 bungelen. Ondanks die activiteiten, stond het resultaat onwrikbaar vast.

Ik treur daar niet om. Ik vraag mij alleen af of het nu wel nodig is deze kostbare manoeuvre uit te voeren, drie maal in de

vier jaar, om daardoor te bewijzen, dat wij democraten zijn. Ik vraag mij af, of het nog nodig is, dat te bewijzen. En of het feit, dat men zijn vertrouwen heeft gegeven, vrijwillig en zonder reserve, niet voldoende is om aan die gekozen mannen en vrouwen over te laten na te gaan, hoe men zo’n lijst het best kan samenstellen. Zo gaót het immers in feite ook steeds. In de Partij van de Arbeid en in alle partijen. Want alle partijen hebben een soort partijdemocratie, die waarborgt, dat de leden op een of andere manier aan hun trek komen. Ik geloof, dat er in weinig partijen de bepaling van de rangorde der candidatenlijsten naar buiten zo geruisloos geschiedt als in de Partij van de Arbeid.

Ik meen, dat het wezen van de democratie niet ligt in het invullen van stembiljetten, maar in het open en openhartig beraad. Zelfs wanneer dat over mensen gaat. Veel hangt van de leiding af, of dat in een goede sfeer mogelijk is. In de Partij van de Arbeid kan dat zeker.

Van groot belang is het, dat op dit punt een openhartig gesprek plaats vindt met de betrokken lagere organen. Ergens, centraal, moet ten slotte toch de beslissing vallen. Maar er hangt veel van af hoe de voorbereiding tot die beslissing is. Het is veel waardevoller, dat mensen, die geacht worden vertrouwen te hebben in een bepaalde streek en waarin de leiding ook vertrouwen kan stellen, gehoord worden, dan dat al die veel meer dan 100.000 leden in hun eenzaamheid gaan zitten puzzelen over een lijst van namen, waarvan ze de achtergrond niet kennen en evenmin weten, waarom het hun zó en niet anders wordt voorgesteld. Hoogstens is het een paedagogische maatregel, nl. om de verantwoordelijkheid voor het geheel bewust te maken. Maar een bijdrage tot democratie is het nauwelijks. Het is hoogstens een democratisch automatisme.

Nu weet ik wel, dat men, door de uiteindelijke beslissing over de candidatenlijsten niet meer in handen te leggen van alle leden te zamen, voet zou geven aan de vaak

gehoorde klacht over de heersende positie van de bureau’s. Zeker, de verambtenaarlijking van het leven, ook van het partijleven, is een gevaar. Een gevaar, dat overigens niet voortvloeit uit de boosheid van heerszuchtige lieden, maar uit de evolutie der samenleving, die op alle gebieden zo onoverzichtelijk wordt, dat men wel vrijgestelden véél te doen, dus ook veel invloed moet geven om de zaak in orde te houden. Maar deze tendens bestrijdt men niet, door een referendum te handhaven, dat practisch geen zin heeft. Integendeel; men versluiert er alleen maar de werkelijke verhoudingen mee en men vestigt niet de aandacht op degenen, die de verantwoordelijkheid in feite dragen en daarom ook moeten dragen.

Of een partij ook van binnen democratisch is, hangt niet af van reglementsbepalingen, maar van de geestelijke houding der leiders. En of een partij of beweging democraten, werkelijke, intense democraten telt, hangt weer af van de mensen, die zo’n beweging weet aan te trekken. Van haar sfeer, haar klimaat, haar gedragingen.

Ik geloof niet, dat het Nederlandse partijleven op dit punt zich grof in ongunstige zin onderscheidt van het buitenland. Het tegendeel is eerder waar. En de Partij van de Arbeid onderscheidt zich, wat dat aangaat, ook weer niet in ongunstige zin van de andere partijen. Zie ik goed, dan ontlopen deze elkander niet zoveel, al heerst bij de verschillende groepen een verschillend klimaat. En men moet er altijd op bedacht zijn, dat het partijwezen mensen aantrekt, die lust in regeren hebben, een element van geldingsdrift en dadendrang verraden, dat wel eens een wezenlijk democratische gezindheid in de weg staat. Daarvoor is openbaarheid, decentralisatie en het betrekken van groter groepen bij het bepalen van de lijn noodzakelijk. Hoe lastig dat ook is voor mensen, die graag willen opschieten.

Laat men niet vergeten: de vernieuwing van het politieke leven van Nederland is slechts mogelijk in de mate, waarin de partij en-zelf voorbeelden zijn van vernieuwd democratisch bewustzijn.

In dat licht zou het volstrekt niet zo vreemd zijn, als dat hele referendum-werk eens opnieuw onder de loupe genomen werd.

L. H. RUITENBERG

Oorlog en revolutie (II)

Is het onmogelijk, de sociaal-politieke macht van de dictatuur van binnen uit te breken en komt men tot het besef, dat het voortbestaan er van het voortgaan van de bewapeningswedloop ad infinitum noodzakelijk maakt, dan moet men tot de gedachte van de gewelddadige omverwerping van de dictatuur van buiten af komen. Dat wil zeggen, dan moet men doen wat men zegt te willen voorkomen: de ontketening van de derde wereldoorlog! De omverwerping van de dictatuur van buiten af kan dan immers alleen maar resultaat zijn van de toegebrachte militaire nederlaag. Want deze militaire nederlaag is, in de hier gevolgde gedachtengang, de enige mogelijkheid het perfectionisme van de dictatuur en het daar heersende gezagsapparaat te breken.

In werkelijkheid is dus het alternatief: wijziging van de sociaal-politieke structuur van binnen uit of van buiten af de keuze

tussen revolutie of oorlog. Daarmee is dan tevens naar twee kanten het probleem van het materiële geweld gesteld.

Men heeft in de meeste critieken op het manifest van de Derde Weg door het aanvaarden van de onwrikbaarheid van de tweedeling gekozen voor de bewapeningswedloop. Wij voegen er aan toe: ad infinitum. En daarmee voor de consequentie er van: de derde (preventieve!) wereldoorlog. Wij zeggen dit niet om onaangenaam te zijn, we zien dit als het kiezen van een standpunt. Maar we zouden het op prijs stellen, als men het nu ook openlijk zo zou formuleren.

Van tweeën één; de tweedeling van de wereld is, zolang de dictatuur bestaat permanent en zij kan pas opgeheven worden als de dictatuur van buiten af door de militaire nederlaag in de oorlog vernietigd wordt; of de tweedeling is aantastbaar doordat de dictatuur van binnen uit