is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 24, 15-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Japan ALS BONDGENOOT

Het kernprobleem van Japan is, dat het geplaatst is tussen de „onvermijdelijke vriend” en de „onvermijdelijke vijand”. Tegen de erkenning van deze positie verzet zich de gehele Japanse openbare mening. Het is dus voor de hand liggend, dat de Japanse regering, die uiteraard de binding aan de onvermijdelijke vriend het sterkst gevoelt, met grote omzichtigheid de concessies bepaalt ten aanzien van de Amerikaanse politiek.

Generaal Mac Arthur is naar Japan gekomen „om een systeem te vernietigen, tol te heffen voor de gepleegde misdaden, en om een natie te vormen van mensen die de democratische levenswijze zullen aanhangen”. De veranderingen, die Mac Arthur heeft aangebracht, hadden niet de onverkorte instemming van de Japanners. De pretentie was er wel. De door Mac Arthur nieuw geschreven Grondwet begint met: „Wij, het Japanse v01k...” De Amerikanen beslisten, wat de Japanners moesten goedkeuren. Het is merkwaardig, dat het optimistische Amerika gemeend heeft op deze wijze in enkele jaren een democratiseringsproces te kunnen bewerken, dat in werkelijkheid misschien na enkele generaties verwerkelijkt kan zijn. Overigens erkent Mac Arthurs opvolger, generaal Ridgway, nu wel het povere resultaat der Amerikaanse activiteit. Hij bericht zijn soldaten, naar aanleiding van het herwinnen der souvereiniteit door Japan, dat „vele der maatschappelijke gebruiken en gewoonten, die men in het huidige Japan opmerkt, al duizend jaar oud waren voordat Columbus Amerika ontdekte. Kom dus de Japanner niet aan boord met de een of andere idee ter omverwerping hunner gewoonten, of ter wijziging van hun dagelijkse leven in een doordruk van uw eigen. In de eerste plaats is het onmogelijk. In de tweede plaats zijn de Japanse gebruiken en gewoonten aan de

levenswijs aangepast, die de Japanners moeten volgen.”

Hiermee worden twee dingen erkend. Ten eerste, dat Japan ondanks de Amerikaanse inspanning in wezen niet veranderd is; en vervolgens, dat de Amerikanen Japan thans niet wensen te prikkelen met opgedrongen structuurwijzigingen, maar dat zij er ten hoogste naar streven om de binding van Japan aan het Westen te continueren en te versterken. De weg van de oppervlakkige, maar in elk geval bewust gewilde democratisering is verlaten. Een schuchtere poging wordt gedaan om Japan tot een soort vazal te maken. Het ogenblik zal echter niet ver meer zijn, dat Amerika alle zeilen bij moet zetten om ten koste van grote financiële offers en vergaande concessies op economisch terrein de steun van Japan te behouden.

De Amerikaanse positie wordt moeilijker, naarmate de communistische macht in China zich meer en meer consolideert. Japan heeft grondstoffen nodig en afzetterrein. China verschafte dit vroeger, en zou het in steeds aanzienlijker mate kunnen gaan verschaffen. China, de meest voor de hand liggende economische partner, is echter verboden terrein. Het gemis aan dit normale grondstoffen- en afzetgebied doet zich meer en meer gevoelen. Het moet voor de Japanners zuur zijn te constateren, dat thans reeds de productie van katoen met 40% zal moeten worden ingekrompen; dat vele industrieën niet op gang kunnen komen, omdat de Westerse grondstoffenmarkt te weinig bieden kan.

In de laatste tijd richten sommige Japanse politici hun aandacht weer op Formosa, in de hoop hier enig soelaas voor hun problemen te vinden. Amerika stimuleert deze activiteit, ofschoon de onwenselijkheid, en zelfs schadelijkheid er van voor het politieke leven evident is.

In het voorgaande is wel min of meer aangegeven, hoe het Japanse volk denkt. Een bredere benadering van dit punt, dat voor de toekomst van Japan en derhalve eveneens voor de wereld essentieel is, is zeker, gewettigd. Het is stellig een uiterst moeilijke taak, waarbij vergissingen niet zijn uitgesloten. Er staan echter op het ogenblik zeer vele gegevens en inzichten voor kennisneming beschikbaar, zowel van Westerse zijde als van Japanse. Uit deze veelheid van materiaal en opinies kunnen wellicht reeds enige conclusies worden getrokken.

De Amerikanen hebben bij de Japanners succes gehad met de idee, „war does not pay”, oorlog brengt geen profijt. Voor het eerst hebben de Japanners de oorlog en wat voor één ook in eigen land ondergaan. De gemiddelde Japanner is dan ook vredelievend, of beter: hij acht de oorlog geen nuttig middel om vooruit te komen. Hier ligt een tweede belangrijk punt. De Japanners werken harder en voor minder loon dan welk ander volk ook. De bereidheid om dienstbaar te zijn, gaat thans in sterke mate samen met de uitgesproken wil om Japans rechten op ’s werelds provisiekamer te vergroten en te beklemtonen. Japan wil het beter hebben voor zijn vele millioenen. Nu zoals voor de oorlog zoekt het „levensruimte”, om dat gehate woord eens te gebruiken. Misschien zelfs nu nog wel wat nadrukkelijker dan vroeger, hetgeen o.a. door de toenemende bevolkingsdruk wordt veroorzaakt.

Japan ziet, uiteraard, zijn toekomst liggen in Azië. Japan wil, zij het niet met oorlog, weer een vooraanstaande rol in Azië spelen. Daarom beoogt de regering de binding aan Amerika zoveel mogelijk te beperken. Het liefst zou zij in menig opzicht één lijn trekken met Pandit Nehroe. En ook beoogt zij de breuk met China tot het voor de omstandigheden hoogstnodige te beperken. Dit streven is een flauwe afschaduwing van de krachtige wil, welke in dat opzicht bij het Japanse volk leeft. Het is merkwaardig, dat zelfs de militairen van vroeger herbewapening afwijzen voor dit moment. Zij menen en denken hierbij conform de Japanse massa, doch verschillen slechts in de waardering van de militaire methode ter bereiking van het gemeenschappelijke doel dat een Japans leger pas werkelijk nuttig is, als het de belangen van Japan kan bevorderen, en dat dit geenszins het geval is, als zulk een leger in Westers verband de Amerikaanse positie zou moeten versterken. Duidelijker nog: er leeft in deze kring de speculatieve hoop, dat een derde wereldoorlog Rusland en Amerika zodanig zal verzwakken, dat daarna voor Japan een nieuwe kans komt.

Nog eens, het Japanse volk als geheel gelooft niet meer aan het nut van leger en vloot. Het gemeenschappelijk geloof aan een betere toekomst van Japan, op welke manier dan ook; een zeer krachtig, onomwonden nationalisme, waarvoor men offers wil brengen, is wel algemeen. De kern van het Japanse gevaar is dus nog onverkort aanwezig. Deze kern heeft een psychisch én een materieel element. Moge het Japan en de wereld gegeven zijn, dat de geestelijke instelling der Japanners werkelijk een democratische wordt. Moge het Westen spoedig inzien, dat zulks alleen mogelijk is, als een rustige langdurige ontwikkelingsperiode wordt geboden, waarin een nieuwe, gezonde sociale en economische orde wordt gecreëerd. Dit is de voorwaarde, waardoor er ten minste enige kans bestaat op het geleidelijk wegsmelten van het Japanse gevaar.

H. VAN VEEN

(Vervolg van pag. 5)

doen verdwijnen. Het vraagstuk blijft daardoor jteeds aan de orde.

Daar komt bij dat de verschillen in het particuliere bedrijf soms afwijken van die bij de overheid, terwijl in het particuiiere bedrijf de verschillen per bedrijfstak vaak weer uiteenlopen, hetgeen te verklaren is uit de ontwikkeling tussen de beide wereldoorlogen, toen het collectieve landelijke per bedrijfstak afgesloten arbeidscontract in de loonvorming zo sterk is gaan overheersen.

Om deze redenen is men na de oorlog aan het studeren gegaan om nu eens een omvattend, goed afgewogen, oordeel over deze hele min of meer chaotische verhouding tussen stads- en plattelandslonen te krijgen. De minister van Sociale Zaken benoemde hier in April 1948 een studiecommissie voor, onder voorzitterschap van prof. dr J. F. Kruyt, waarvan het zeer gedegen rapport in de laatste maanden van 1951 is verschenen. De titel is: Het Vraagstuk der Gemeenteclassificatie, want het vraagstuk van de loonverschillen moet uiteindelijk worden opgelost doordat men alle Nederlandse gemeenten indeelt in een aantal klassen, waarbinnen een bepaald niveau zal gelden.

Men kan over loonverschillen natuurlijk alleen spreken wanneer men niet alleen ziet naar het nominale, maar ook naar het reële loon, d.w.z. naar de hoeveelheid goederen pn diensten die men in de stad en

op het land voor het daar verdiende loon kan kopen. De commissie heeft zich daar mee bezig gehouden en dit onderzoek heeft een enorm onderzoek gevergd. Ik meen dat men mag constateren dat thans voor het eerst het bonte patroon van het verschil in levenswijze tussen stad en platteland voor een groot deel is te overzien. De volgende maal wil ik er daarom het een en ander van vertellen.

Het rapport is op een voortreffelijke wijze samengevat in een zeer goede en interessante brochure van het N.V.V., getiteld „Loonverschil tussen Stad en Platteland”, die voor 35 ct bij de Arbeiderspers is te krijgen (40 bladzijden) en die als slot het voorlopig standpunt van de Hoofdbesturenvergadering van het N.V.V. bevat, dat ik eveneens nog ter sprake hoop te brengen. Een mooi verhelderend artikel verscheen voorts in het Februari-nummer van Socialisme en Democratie van de hand van prof. Kruyt.

Het Rapport is het resultaat van een sfudje-commissie. Beleidsvragen blijven in het algemeen daarbij buiten beschouwing. De commissie-Kruyt heeft voor deze laatste vragen grondmateriaal willen aandragen. Daarom wordt het probleem nu nog eens met het oog op de beleidsvragen bekeken in een subcommissie van de Sociaal-Economische Raad; daarna zal dan de regering een beslissing moeten nemen.

R. BOUDEWIJNS