is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 27, 05-04-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het rechtsgevoel (al weet ik wel dat sommigen, met name prof. E>e Vries Reiling, op billijkheidsgronden verder willen gaan). Het vormt een basis waarop het bij vele plattelanders bestaande gevoel van achteruitzetting kan worden overwonnen.

Een heel andere vraag is of men economisch er even gunstig over moet denken. De Commissie heeft deze vraag niet gesteld. Wellicht heeft zij gevonden dat dit haar taak niet was? Hoe dit zij, ik geloof dat het mooie rapport nog aanzienlijk aan betekenis had gewonnen indien deze vraag was onderzocht.

Het is zonder ejen vrij diepgaand onderzoek niet mogelijk haar te beantwoorden. Ik kan slechts de betekenis er van laten voelen door een enkele verdere vraag te stellen:

In de eerste plaats, we zitten voor de noodzaak om onze export te vergroten en we zijn daarbij afhankelijk van de hoogte van ons kostenniveau in verhouding tot dat in de met ons concurrerende landen. Ons kostenniveau wordt voor een groot deel bepaald door de kosten van de agrarische producten en deze weer door de agrarische lonen. Wat is de invloed hierop van het nivelleringsproces? Daarbij is het natuurlijk voornamelijk interessant om te denken aan de toekomst: is het verantwoord om met het oog hierop in de eerstvolgende jaren de agrarische lonen nog verder te verhogen?

Andere vraag: het lage loon ten plattelande is in het verleden een belangrijke factor geweest bij het aantrekken van industrie; wat moeten we, met het oog op de enorme behoefte van het platteland aan werkgelegenheid, met name door middel van industrialisatie, van de nivellering denken? Heeft een toonverschil van 10-15% in dit opzicht nog wel enige betekenis, niet alleen voor zeer kapitaalintensieve industrieën, maar vooral natuurlijk voor de meer arbeidsintensieve? Met betrekking tot sommige industrieën, zal, naar ik mij voorstel, het platteland, zeg: Zuidoost-Drente, minder aantrekkelijk zijn dan bijvoorbeeld IJmuiden of Hoek van Holland (zeehaven, nabijheid van geschoolde arbeid, nabijheid van het consumptiegebied van het westen); is het nu wel in het voordeel van Zuidoost-Drente geweest dat de agrarische lonen na de oorlog zijn opgetrokken? Is h»t gedeeltelijk prijsgeven van dit voordeel werkelijk een zo onverschillige zaak, dat we er nog verder mee mogen gaan, zoals bijvoorbeeld prof. De Vries Reiling en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bepleiten?

Ik geef hier het antwoord niet op, om de eenvoudige reden dat mij de daartoe vereiste studies nog niet onder ogen zijn gekomen. Maar mijn „feeling” in deze zaak maakt wel dat ik wil waarschuwen voorzichtig te zijn.

Blijkens de uitstekende N.V.V.-brochure (Loonverschil tussen stad en platteland, 35 cent) die ik de vorige maal noemde, is ook de Hoofdbesturenvergadering van het N.V.V. zeer voorzichtig. Zij heeft in haar voorlopig standpunt het bestaande loonverschil van 10 cent aanvaard (bovenaan blz. 39), maar zij doet dit voorafgaan (laatste regel blz. 37) van de uitspraak: „De eis van gelijk reëel loon moet dus gepaard gaan met de eis dat economische voorwaarden vervuld moeten worden om tot dit gelijke reële loon te komen”.

Waar het N.V.V. zich op dit moeilijke punt beducht toont, is het voor ons zeker zaak om dit probleem uiterst nuchter te bekijken.

R, BOUDEWIJNS

Wie?

De meesten van ons zullen een boek als „Het vijf en twintigste uur” wel gelezen hebben, of met interesse van een stuk van Sartre hebben gewalgd. Wij zijn immers in Nederland (wÉ,ó,r ter wereld overigens niet?) van harte burgerlijk genoeg, om ons gaarne te voegen naar wat mode is en dingen te doen, die behoren tot de bon ton.

Hieruit moet men niet afleiden, dat ik het boek van Georghiu of de existentiefilosofie zou willen degraderen tot burgerlijk modeverschijnsel. Integendeel. Het zijn reële exponenten van de tijd waarin wij leven, maar verschijnselen, waarmee wij niet mogen spelen en die heel wat meer betekenen dan een vorm van „ontspanning” in comedie of bioscoop. Wij moeten deze dingen op zijn minst ernstig bestuderen en ons afvragen: is het zo? en in hoeverre heh ik er zelf deel aan?

De laatste vraag is misschien het gemakkelijkst te beantwoorden. Wij hebben er inderdaad zelf deel aan, aan de tot „ding” geworden mens en aan het existentialistisch levensbeginsel.

Op de vraag of de dingen werkelijk zo zijn, als de schrijver van „Het vijf en twintigste uur” ons voortekent en of Sartre gelijk heeft, is het antwoord niet zo eenvoudig.

Als wij tot de burgerlijk fatsoenlijken behoren en dat doen wij immers? zeggen wij: „nee!” En*stel, dat het zo is, dan behóórt het niet zo te zijn. Hetzij ons geloof of ons humanisme of ons cultuurbesef komt hand in hand op tegen de erkenning, dat de mens zo gezien mag worden als Georghiu en Sartre hem presenteren.

Het is ons, christelijke of democratische burgerlijken, toch nog altijd te doen om de vraag: WIE is de mens? en niet: WAT is de mens? hetzij machine of blote existentie.

Niettemin reageren mensen, die zich menen te koesteren in de warmte van het Evangelie, waarin eindeloos gevraagd wordt naar het WIE van de mens, en die zich politiek scharen onder hen, die het zgn. personalisme aanhangen, in feite niet anders dan de genoemde schrijvers.

Van dit feit werd ik mij onlangs in alle banaliteit bewust in een lunchroom van V. en D.

Wij hadden er koffie besteld en bespraken het knappe boek „Les yeux sont faits” van Sartre. (Dit laatste min of meer toevallig; gewoonlijk bespreekt men en ik dus ook daar de gedane inkopen en bekent men elkaar wat men eigenlijk allemaal had willen kopen).

Toen wij opstapten, ontdekte ik, mij onder de velen, het gezicht van onze dienster totaal niet meer te herinneren. Het is no. 8 zei mijn gezelschap behulpzaam. En zo betaalde ik opgelucht en inclusief aan NUMMER 8.

WIE is deze vrouw? Ik wist het niet. Zelfs haar gezicht en verschijning had ik geen tien minuten kunnen onthouden. Daarbij, het hoefde niet; het is zo eenvoudig om aan een nummer te betalen.

Een werkelijk banaal voorbeeld van onze vijf en twintigste uur-instelling. Zo gerationaliseerd is onze maatschappij,

dat wij de man of de vrouw, die de ons passende confectie maakt, nooit zullen zien, dat wij ons door Nummers in de bioscoop onze plaatsen laten wijzen en dat wij om zo te zeggen niet weten, dat onze brandstof niet van de kolenboer komt, maar uit de mijnen, waar mensen er hun gezondheid aan wagen.

Wij vragen ons niet werkelijk meer af: WIE zijn wij en WIE is de ander? Liever omgeven wij ons met een gevoel van zekerheid (het Engelse woord security drukt het nog beter uit) om te kunnen beantwoorden aan de vraag: WAT zijn wij?, dan dat wij ons er om bekommeren WIE wij zijn. Deze bekommernis is een van de grootste waarden van de existentiefilosofie.

Wij vluchten in de conventie, het burgerlijk fatsoen, in onze uniforme duplexhuizen-met-aangeplakte-balkonnetjes, terwijl wij door ons uiterlijk bepalen WAT wij zijn. Kleren maken immers de man en de make-up de vrouw? Uit de krantenadvertenties kan ik zoeken, wat ik wil zijn: een Engelse Lord of een geruite sportsman. Ik kan kiezen uit een rij van tien, of mijn lippen cerise of cyclamen of frivole zullen zijn. Ik kan bepalen WAT ik ben en ik leef in de magische cirkel van datgene, wat ik uiterlijk wil zijn.

Het is het meesterlijke hoogtepunt van de film „Tramlijn-Begeerte” wanneer Stanley, de zwager, die In zijn bruutheid volkomen zich zelf en eerlijk is, het Blanche toebijt: „We need reality (het gaat om de werkelijkheid)”. Blanche, in haar droomwereld van vermeend, en intussen vergooid fatsoen, antwoordt hem hartstochtelijk: „I want magie (ik wil de betovering)”. Alles wat Blanche ten slotte achterlaat van haar ontredderde leven, zijn lege parfumflessen

Toch, gaat het niet immer nog om de vraag naar het WIE van onze persoonlijkheid? WIE zijn wij? Het is de vraag naar het wezen van de mens, de vraag naar zijn persóón.

Is niet, de enige positieve bewapening in en tegen deze tijd, waarin wij leven, de bewustwording van de persoonlijkheid?

Wij zijn geen dingen, geen nummers, geen existentie-zonder-meer. Wij zijn Godskinderen. Wij kunnen zelf niet bepalen wö,t wij zijn of wiè wij zijn. Wij worden bepaald. Niet echter naar onze blote existentie, maar door de Schepper, die de grond van onze bestemming is.

Wij zullen ook elkaar als personen moeten ontmoeten, verbonden door dit Kindschap; verbonden óók, door de zonde.

Het antwoord op de vraag naar onze persoonlijkheid is niet als recept te geven. Dan zou het opnieuw confectie worden. leder mens zal het op zeer persoonlijke wijze moeten zoeken: de gelovige in de Verzoening van Jezus Christus, de humanist in zijn humanistisch beginsel

Het oprecht zoeken naar de eigen en naar anderer persoonlijkheid met het durven ter zijde stellen van alle parfums en dat wat bon ton is acht ik het allernoodzakelijkste bestanddeel van de Wonderlijke strijd, die Leven heet.

K. VAN DRIMMELEN