is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 29, 19-04-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cïïß 'lfMuk Psalm 24 : 1 y/

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 19 April 1952 Nr29

Redactie:

ds J. J. Buskes Jr

ds L. H. Ruitenberg

dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48 *

Amsterdam-Zuid Telefoon 24386

p/a dr J. G. BomhoflF

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning

j. Hulsebosch H. van Veen

dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs

Mej. dr M. H. v. d. Zcyde e.a.

perjaarfS,-; halfjaar f 2,75; kwartaalj I,soplusf 0,15 incasso. Losse nrsfo,ls; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

VIRULY SPREEKT

Een belangrijk gezichtspunt in de belijdenis van Viruly is dat van de menselijke waardigheid.

De mensen zijn er niet om zich zelf, maar om elkaar. Niets is er om zich zelf.

Daarom kwam Viruly in zijn leven alleen in conflict, wdnneer de waardigheid van de mens in het gedrang kwam. Zulke afschuwelijke, conflicten ontstaan, wanneer leider zijn en gezag hebben elkaar niet dekken.

By zijn aankomst van zijn eerste Indiëvlucht hoorde Viruly een vulgaire patser op grond van zyn Blankheid en zyn Geld tegen bedienden te keer te gaan. Hy gruwt er nog vaji. Het woord Herrenvolk was nog niet uitgevonden, de schaamte er by te horen wel. Deze schaamte is overal op haar plaats, waar de verhouding tussen de mensen niet wordt bepaald door de oude leuze van de revolutie: gelijkheid, vryheid en broederschap. Viruly denkt ook aan het transport van de eerste Joodse emigranten op de vliegvelden van Duitsland en Oostenrijk, aan de hautaine houding van de Engelse christen tegenover de Hindoe, aan de tragische vluchtelingenkampen van de uit Israël verdreven Arabieren, aan al die gevallen, waar nationalisme het won van de internationale redelijkheid, waar het zogenaamde recht van de sterken weer eens het vervloekte recht van vlerken bleek te zijn.

„Rusland of Amerika? Ons niet gezien ... ’t Is beter letterlijk en figuurlijk thuis te horen in het kleine land, waar een vorstin, met een welhaast verlegen hoffelykheid haar onderdanen koninklyk leidende, deze altoos heeft geëerd!”

Er is nog een ander gezichtspunt. Het leven heeft Viruly zo boeiend en oververvuld van de hoogste waarden gevonden, dat hem de verveling de minst begrypelyke van alle psychische afwijkingen toegeleken heeft. De verveling is de grote bedreiging van ons voortbestaan. De arbeid wordt steeds meer gemechaniseerd en de vrije tyd neemt toe.

Het Zondagse geslenter door de Kal-

verstralen van de wereld naar de volgende snertfilm en wat daar verder op volgt, opent een afschrikwekkend beeld van een toekomstige tijd met een weinig-urige arbeidsweek.

Zijn werk heeft Viruly altyd het gevoel gegeven van een rijke wereld, waarin alleen aan tijd een groot tekort is... tyd, om de vruchten te kunnen plukken, die in de wereld des te vrijer voor het grijpen hangen naarmate ze waardevoller zyn.

Want ook nog, waar een natie haar halve levensstandaard versmyt aan bewapening, kan een mens nog tienmaal naar alle Rembrandts en Vermeers gaan kijken voor de prijs van één whiskeysoda of kan hy zich voor zyn gehele leven van Shakespeare voorzien door één gure namiddag niet by Holland te gaan zitten.

Het is zeer veel minder vaak materiële nood, die staat tussen de mensen en hun levensvervulling, dan hun gebrek aan vermogen om werkelijke waarde van dure onwaarden te onderscheiden. De zinvolle waarden van deze wereld kosten niets of byna niets in verhouding tot wat de onzin kost.

Wie in deze overvloedige en boeiende wereld verveeld voelt de weinige tijd nog te moeten doden, is een beklagenswaardige idioot.

Aan het einde van zyn getuigenis keert Viruly weer terug tot het begin.

Wij zullen van de kleingeworden wereld moeten weten en ons leven daarnaar inrichten. Viruly ziet vanuit zyn vliegtuig het gebouw van de Verenigde Naties. Zyn werk heeft hem in deze laatste kwarteeuw geleerd, dat in die richting verder gewerkt moet worden.

Staande voor de keuze tussen Eén wereld (met alle vrijgekomen krachten voor opbouw en voor het scheppen van de geestelyke overvloed van het Beloofde Land voor allen) en geen wereld (de dode planeet, die als een macaber kos-

misch monument voor de menselyke onbekwaamheid om de eigen vermogens te gebruiken, uitgestorven in 365 dagen om de zon zou blyven draaien na de allerlaatste hoera-overwinning) is er voor my geen andere richting meer denkbaar dan deze. Het werk aan de luchtwegen is het werk aan de verbinding der tegendelen tot de ene wereldharmonie... die niet anders dan de gedroomde harmonie van ieder in zich zelf verdeeld mensenhart is.

In die richting liggen onze kansen.

Alleen dat werk heeft echt zin, dat voortkomt uit het begrip van de menselyke hartsverbondenheid. Alle arbeid onder de zon kan geld opbrengen of ydelheid strelen, kan amuseren of aan macht helpen, maar zin heeft die niet. Dat is, samenvattend, wat ik tot dusver met tamelijk veel kopstoten by ’t werk ontdekt heb, hoewel het, bijvoorbeeld, ook ten naaste by al 2000 jaar duidelyk te lezen stond in 1 Cor. 13.

Wy zyn Viruly dankbaar voor zyn belydenis. Een levensbelydenis en een geloofsbelydenis.

En wij zijn dankbaar, dat deze man onder ons leeft en werkt. Hij is waarlijk een verdediger van het Westen en de beste Westerse tradities, die in hem vlees en bloed zijn geworden.

Dat het juist een vlieger van het formaat van deze man is, die ons deze dingen op het hart bindt, moet ons allen dringen tot bezinning op de vraag, wat van deze Europese erfenis ons persoonlijk eigendom is.

Want hoe zullen wij ooit in staat zijn, deze kostbare erfenis te verdedigen, indien zij ook niet in ons op enigerlei wijze vlees en bloed is geworden.

Ik denk in dit verband aan de woorden van een andere vlieger, Antoine de Saint Exupéry, die eens zei: Als ik levend thuiskom hij was militair-vlieger in de wereldoorlog dan zal er voor mij maar één probleem zijn: wat kan men, wat moet men zeggen tot de mensen? De beschaving is iets onzichtbaars, want zij heeft niet zozeer betrekking op de dingen als wel op de onzichtbare banden, die hen onderling verbinden, zo en niet anders! En die, als hij zijn twee vlieger-kameraden ziet slapen, een soort machteloos mededogen met hen gevoelt. Hij denkt dat het dit is: Zij kennen hun eigen onrust niet, maar ik voel die best. Rechtschapen, nobel, trouw... inderdaad, maar ook verschrikkelijk arm. Ze zouden een God zo dringend nodig hebben! En het eigenlijke staat ten naaste bij al 2000 jaar duidelijk te lezen in 1 Cor. 13. J. J. BUSKES Jr