is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 30, 26-04-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nabetrachting op Pasen

Op Pasen spraken prof. Banning en ik in Amsterdam in Carré over de betekenis van Pasen, prof. Banning over de vraag. Wat Pasen voor de wereld betekent, ik over de vraag, wat Pasen voor mij persoonlijk betekent.

Een bezoeker, die een uitnodiging ontvangen had, leverde die tevoren in met zijn antwoord op deze twee vragen.

Achter de vraag: „Wat betekent Pasen voor de wereld?” schreef hij: Eieren! Achter de vraag: „Wat betekent Pasen voor mij persoonlijk?” schreef hij: Twee vrije dagen!

Banning en ik zien Pasen anders, maar wij zullen moeten aanvaarden, dat er duizenden zijn, die het zien zoals deze bezoeker van Carré het ziet.

Dr Van Praag, de voorzitter van het Humanistisch Verbond, ziet het nog weer anders. Voor een humanist blijft er volgens hem geen andere mogelijkheid over dan een eigen zingeving aan Pasen: de humanistische idee van het mens-zijn, van het drager-zijn van de menselijkheid als gees – telijk en zedelijk scheppingsvermogen. Waarom zullen wij het van elkaar niet aanvaarden, dat ieder zo zijn eigen opvattingen heeft over Pasen?

lets anders is intussen, dat men niet kan ontkennen, dat de bijbel ook zijn opvattingen over Pasen heeft en dat daarom de christelijke kerk zich aan die bijbelse opvatting gebonden acht. Men behoeft het er niet mee eens te zijn, maar men kan de kerk het recht niet ontzeggen om op Pasen te prediken, dat Christus uit de doden is opgestaan.

In het Paasnummer van De Open Deur schreef ik een artikel naar aanleiding van enkele woorden van Paulus. Het waren deze woorden: Indien Christus niet is opgestaan, is onze prediking zonder inhoud en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij valse ge-

tuigen van God te zijn. Dan is uw geloof zonder vrucht. Dan zijt gij nog in uw zon – den. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen... Maar neen, Christus is opgewekt uit de doden!

Het opschrift boven dit artikel luidde: Als het nu eens niet waar is? Ik zei, dat ik de opstanding niet kon bewijzen, dat ik alleen van de opgestane Christus kon getuigen. En ik liet zien, wat volgens het getuigenis van de bijbel het leven waard is, indien Christus niet is opgestaan.

Een oud-godsdienstonderwijzeres van de Ned. Prot. Bond schreef mij een felle brief. Met diepe verontwaardiging had zij dit artikel gelezen: „Als het nu eens niet waar is? Dat zou een uitkomst zijn, dan waren wij ten minste verlost van een waandenkbeeld, dat helaas velen meesleept en hun blik benevelt”.

U voelt, dit is geen critiek op wat ik schreef, maar op het getuigenis van de bijbel. Die bijbel is „onverdraagzaam” en deze briefschrijfster deelde mij zelfs mee, dat zij iemand, die schrijft, zoals ik het deed, niet meer kan waarderen: „Ja, het is een bijbelwoord, maar als u daarbij zweert, heb ik niets meer te zeggen”.

Er stond nog veel meer in die brief, maar één ding was heel duidelijk, dat de schrijfster tot het uiterste geprikkeld was.

Waarom eigenlijk? Als zij niet in de opstanding van Christus geloven kan, moet zij dat zeker niet doen. Er is niemand, die er haar toe dwingt.

Maar als er nu zijn, die er wel in geloven, dan is dat toch geen reden voor hen, die het niet doen, om zich daarover zo op te winden?

Ik vraag mij zelf af, wat zo’n brlef-

schrijfster er toe dwingt, zo fel en verontwaardigd te schrijven.

Aan het einde van haar brief zegt zij : „Dit geloofspunt gaat mij zeer ter harte. Komt u niet aan met: die en die, die ook vrijzinnig waren, geloven het tegenwoordig 00k... dat moeten zij weten. Ik kan het niet en voelde, dat ik dit zeggen moest”.

Vanwaar die felheid, terwijl ik toch heel voorzichtig over deze dingen schreef? Zijn er dan inderdaad mensen, die het niet verdragen kunnen, dat er zijn, voor wie de opstanding van Christus het hart van het Evangelie is?

Indien dat het geval is, betekent dit, dat zij de bijbel niet kunnen verdragen, want in de bijbel is de opstanding van Christus wel waarlijk het hart van alles.

Hetgeen overigens niet zeggen wil, dat wij het recht hebben over hen, die het niet geloven, te oordelen.

Daarom besloot ik mijn artikel met deze woorden: „God beware mij voor gebrek aan eerbied voor de oprechtheid van hen, die wel willen geloven, maar het zo moeilijk vinden. God beware mij er ook voor, te vergeten, dat de wegen van het geloof niet worden aangegeven door de dominees en de theologen. Ik weet te goed, hoe ver ik er zelf nog van af ben, om het wonder van de opstanding te peiien. Hoe zou ik iemand durven verwijten, dat hij aarzelt bij het lege graf van Jezus? Ik zal u daarom geen verplichte reisroute voorschrijven. Ik zal u alleen zeggen: denk eens na over het feit, dat het getuigenis van de eerste christenen geheel afhangt van hun geloof in de op – standing van Jezus”.

Ik blijf staan voor het raadsel, dat een medemens kwaad wordt en diep verontwaardigd is, wanneer ik op deze wijze getuig van mijn geloof in Christus’ opstanding. Ook de zogenaamde verdraagzamen kunnen blijkbaar zeer onverdraagzaam zijn.

Er is een ander uiterste.

Dat bleek mij uit een tweede brief, die ik ontving van iemand, die Banning en mij \ua de radio hoorde. Volgens hem zei Banning: „Wat op Pasen gebeurd is, weet ik niet. Als ik die oude verhalen lees, weet ik er geen weg mee”. Hij schrijft mij: „Het is mij een raadsel, dat u op één preekstoel kunt staan met iemand, die deze woorden durft spreken... Uw luisteraars in Carré hebben dit geleerd: de bijbel is een boek van oude verhalen en het staat ons vrij al dan niet te geloven, of het wel echt gebeurd is... Zult u de mensen nu waarschuwen tegen deze valse profeet? Ik hoop, dat u de ernst van deze zonde zult inzien”.

Het staat voor mij vast, dat deze man met vooroordeel geluisterd heeft. Banning is nu eenmaal vrijzinnig en dan weet u het wel.

Hij heeft bovendien slecht geluisterd.

Banning zei: „Nu sta ik met u bij Pasen. Vraag mij niet, wat er precies gebeurd is op die vreemde morgen in de vroegte, waarvan de oude verhalen spreken ik sta bij de lezing ervan nog altijd voor raadselen Maar ik weet wei, dat sedert die dag een boodschap van Heil, van Overwinning en Bevrijding over de wereld gaat Pasen zegt: de Heer is waarlijk opgestaan uit de doden.”

Er zijn er, die van het mysterie van Pasen niets willen weten.

Er zijn er blijkbaar ook, die er zoveel van weten, dat het mysterie voor hen geen mysterie meer is, die precies weten, wat er gebeurd is en menen, dat de Evangeliën een soort notariële akten zijn.

Neen, ik zal de mensen niet waarschuwen tegen de valse profeet Banning. Ook voor mij zijn er raadselen. Het mysterie blijft voor mij voluit mysterie.

En ik kan alleen maar uitermate dank-

Ter zake

Een van de eigenaardige kenmerken van elke politieke partij is, dat zij streeft naar uitbreiding en daarbij geen grenzen kent: haar aspiraties zijn totalitair. Zij wil macht hebben en steeds meer macht. Zelfs als ze de nationale macht in handen zou hebben, bleef ze onbevredigd, zolang er nog internationale tegenstand aanwezig zou zijn. Onze partijsecretaris heeft het op het Partijcongres 1.1. weer eens duidelijk gezegd: „Ons doel is winst. Met onze partij van rond 110.000 leden moeten wij ruim vijf miliioen kiezers bereiken”. Bij een dergelijke actie kan men geen verdeeldheid in eigen gelederen hebben; dat verdraagt de opmars en komt slechts de tegenstanders ten goede. Zodra een beweging dus politieke partij wordt, hebben we met een machtseenheid te maken, die met alle middelen naar expansie streeft. Zo is het met onze partij; met andere partijen is het niet anders. Het lijkt daarom niet helemaal fair om aan andere partijen te verwijten, wat

we zelf zonder blikken of blozen doen. En terecht! Ik stel dus voor, bijv. in onze polemiek met de KVP, deze regel van welvoeglijkheid in acht te nemen: hun niet te verwijten, wat we zelf doen, nl. het opbouwen van een machtseenheid. Ik kan het de KVP niet kwalijk nemen, dat ze streeft naar de vorming van een r.k. hegemonie in onze Westerse cultuur; het ligt wel in onze lijn deze machtsvorming te voorkomen.

Laten we nu eens proberen met schone handen de a.s. verkiezingsstrijd te winnen. Maar dan moeten we ook de stoffige spoken op zolder laten. Als onze tegenstanders nu eens ophielden met die naargeestige bangmakerij met staatssocialisme, die zij (niet wij) af leiden uit ons programma. Maar dan zouden wij ook de KVP niet moeten bestrijden met het spook der opheffing van de godsdienstvrijheid, die wij (niet zij) af leiden uit de Spaanse situatie. We hebben genoeg zwaarwegende argumenten om de KVP te bestrijden. Dat de KVP er naar zou streven hier in Nederland de protestantse kerken te sluiten, is een sprookje en niet eens een leuk sprookje. Overigens, wij zijn er ook nog! KORZELIGE KES