is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 31, 03-05-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ordenen van de investeringenstroom

Een heel apparaat van bevoegdheden ten aanzien van het vestigen en uitbreiden van bedrijven gaat verdwijnen en een nieuw apparaat zal er voor in de plaats komen. Het is de moeite waard om er even naar te kijken. Dit is nl. een onderwerp waar iedere socialist belangstelling voor heeft, want wie spreekt over overheidsbemoeiing met het vestigen en uitbreiden van bedrijven spreekt over bemoeiing met de investelingenstroom en deze laatste is van grote betekenis wegens zijn invloed o.a. op de werkgelegenheid en de investeringen. Men herinnert zich wel dat het vorige jaar ter wille van de betalingsbalans een beperking der investeringen met 25 % is nagestreefd (en ook verwezenlijkt) en dat daar een heftige strijd bij is gevoerd wegens verschil van inzicht tussen de regering en de P.v.d.A. met betrekking tot de methode die men daarbij diende toe te passen: de regering heeft zich beperkt tot monetaire en fiscale, zgn. globale middelen, de P.v.d.A. achtte physieke investeringscontróle noodzakelijk, rechtstreeks ingrijpen in de investeringsactiviteit van de bedrijven. In de Sociaal-Economische Raad, die over het nieuwe wetsontwerp heeft moeten adviseren, is zwaar gestreden of deze controle in het arsenaal van de wet moet worden opgenomen. Het is daarom gewenst er hier op in te gaan.

Allereerst: wat gaat er verdwijnen?

Verdwijnen gaat ten eerste de vestigingswetgeving voor het kleinbedrijf (ambacht, detailhandel en kleine nijverheid). Enige tijd geleden is een wetsontwerp ingediend dat het van 1941 daterende Besluit Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf door een nieuwe Vestigingswet wil doen vervangen. Ik wil echter op de investeringen in het kleinbedrijf ditmaal niet ingaan omdat 20 Maart de regering twee ontwerpen heeft ingediend op het voor de investeringen en de algemene economische politiek veel belangrijker terrein der eigenlijke nijverheid, waar de oude regeling, belichaamd in het eveneens uit 1941 daterende Bedrijfsvergunningenbesluit zal worden vervangen door twee nieuwe wetten: Bedrijfsvergunningenwet en: Bedrijfsvergunningenwet buitengewone omstandigheden.

Het Bedrijf svergunningenbesluit was, net als het 8.A.V.K., een oorlogskind. Het draagt het kenmerk van de oorlogsschaarste. Evenals het B.A.V.K. kende het maar één stelregel: „VERBODEN”. Wie iets nieuws wilde beginnen moest in (en na) de oorlog bij de regering aankloppen om et3n vergunning. Op het gehele terrein der ir.ivesteringen was dus de overheid oppernr achtig.

Nü' zit het ordenen de socialist als het ware in h->et bloed. Als hij kans ziet de wirwar van vrije initiatief leiding te geven, dan is hij van de partij, omdat hij in de crisisja'ren tussen 1930 en 1940 van de zo erg veel ellende heeft beleef:;d. Het is dus te begrijpen als hij de bevoegrdheden van het Bedrijfsver-

gunningenbesluit nog zo gek niet zou vinden.

Toch moeten we, naar ik meen, om het verdwijnen van dit besluit niet treuren, want dit algemene verbod is naar zijn aard nu eenmaal louter negatief; het remt, ontmoedigt, bemoeilijkt initiatieven en ook op zijn best blijft de remmende,, ontmoedigende, bemoeilijkende overheid bij het uitreiken van de vergunningen passief, in zoverre zij nl. als regel het initiatief tot het maken van investeringsplannen overlaat aan de particuliere ondernemers. Men moet dit laatste in deze tijd, waarin onze welvaart afhangt van het tot stand komen van een enorme expansie in de industrie, goed onthouden: alleen bij uitzondering, in een enkel geval, zoals het Breedbandproject, ziet men de overheid zelf, behalve bij openbare-nutsbedrijven en monopolies, aan de investeringsactiviteit en het daar mede verbonden risico deelnemen, nl. als de investering van zo grote omvang is dat zij niet uit de normale bronnen kan worden verzorgd (Breedband). Dit is eveneens denkbaar in gevallen waar het risico voor een, uit nationaal oogpunt buitengewoon gewenste, investering uitzonderlijk groot zou zijn. In aUe andere gevailen berust het initiatief bij de ondernemers. Zolang ook socialisten op voor individuele gevallen passende zakelijke motieven geen voorstellen doen voor andere overheidsinvesteringen moeten wij de bestaande practijk als de op dit moment normale vorm aanvaarden waarin het investeringsproces plaats vindt.

Men moet dan tevens erkennen dat de uit de oorlog daterende vestigingsregelen, net als de distributievoorschriften, een dodende werking hadden en dat deze, nu de abnormale schaarste voorbij is, voor een bij de nieuwe omstandigheden passende wetgeving plaats moeten maken. In de oorlogstijd is straffe ordening trouwens alleen niet dodelijk voor de oorlogsindustrie en wel omdat de overheid daar de afzet geheei in de hand heeft. Zodra de productie weer voor het civiele verbruik kan worden vrijgegeven is de zekerheid omtrent de afzet verdwenen, het risico komt geheel voor de ondernemer en de Yorm waarin de overheid zich ermede bemoeit past zich aan. Zo is het Bedrijfsvergunningenbesluit door dispensaties voor grote delen van nijverheid en groothandel sinds ongeveer 1948 op enorme wijze uitgehold.

De nieuwe grondslag kan geen andere zijn dan dat het bord „VERBODEN” wordt vervangen door een bord ~VRIJE TOEGANG”, waarbij dus het overheidsingrijpen niet meer is de regel maar de uitzondering, die in speciaal aangegeven gevallen optreedt.

Ik meen dat de logica van deze redenering ons ertoe moet brengen de beide nu ontworpen bedrijfsvergunningenwetten juist te achten. We zullen er mee terugkeren tot de grondslag die reeds vóór de oorlog bij de met het oog op de crisisellen-

de geschapen wetgeving aanwezig was (Vestigingswet Kleinbedrijf van 1937 en Bedrijfsvergunningenwet van 1938).

Het ontwerp Bedrijfsvergunningenwet maakt het de regering mogelijk een bedrijfstak te sluiten:

a. bij overcapaciteit; b. ter wille van de industrialisatie

c.) wegens volkenrechtelijke verplichtingen.

Het laatste argument is van deze drie het duidelijkste, immers, indien de regering zich men denkt onwillekeurig aan de Europese Kolen- en Staalgemeenschap verplicht zou hebben een bepaalde tak van bedrijf niet uit te breiden moet zij de nodige bevoegdheden kunnen gebruiken om dit na te komen. Dat spreekt haast vanzelf.

Het tweede motief is ook nog wel duidelijk. Men kan zich voorstellen dat een ondernemer hier met iets begint dat in het raam van de industrialisatie nu net precies brengt wat wij nodig hebben. Men kan zich ook voorstellen dat bijvoorbeeld een buitenlands bedrijf zich haasten zou om hier een filiaal op te richten met het doel de nieuwe concurrent dood te drukken. In zo een geval zou de regering door sluiting de gewenste binnenlandse ontwikkeUng kunnen beveiligen. Wel is men geneigd hier dadeUjk aan toe te voegen dat ter wille van de consument deze beveiliging na een bepaalde periode moet eindigen en de wet voorziet hier dan ook (de periode is twee jaar). Voorts is de kans op een misgreep natuurlijk altijd aanwezig.

Het eerste motief, het hoofdmotief dus, dat der overcapaciteit, is tegelijk het twijfelachtigst. Noch de wet, noch de Memorie van Toelichting, die de moeilijkheid wel blijkt aan te voelen, is nl. in staat om een hanteerbaar criterium aan te geven voor hetgeen onder dit begrip moet worden verstaan. Hoe zal men overcapaciteit moeten onderscheiden van afzetmoeilijkheden waar elke bedrijfstak wel eens mee te kampen heeft? Hoe zal men dit doen ten aanzien van de exportbedrijven? Bestaat er, indien overcapaciteit aanwezig is, in zulk een bedrijfstak een sterke neiging tot expansie? Kan omgekeerd, in zulk een bedrijfstak, een nieuwe onderneming, met nieuwe methoden beginnend, deze bedrijvigheid niet voor het land redden door de oude er uit te concurreren? Zal de regering dan prompt zulk een bedrijf een vergunning geven? Om verder eens een actueel voorbeeld te noemen: kan men momenteel objectief uitmaken of bij onze textielindustrie al dan niet van overcapaciteit sprake is? Het lijkt aliemaal buitengewoon netelig. Laten we ons oordeel over de levenskracht en de zin van dit hoofdmotief maar eens opschorten tot te zijner tijd het debat er over, in de tijdschriften, de pers of de Kamer, plaats vindt.

Tot slot een enkel woord over het tweede wetsontwerp, de Bedrijfsvergurmingenwet buitengewone omstandigheden. Deze gaat verder dan de tot nu toe behandelde Bedrijfsvergunningenwet. De laatste, voor normale tijden bedoelde regeling beperkt de mogelijkheid tot ingrijpen voor de overheid tot bepaalde sectoren van de nijverheid; het voor abnormale omstandigheden geconstrueerde ontwerp opent de mogelijkheid van een verbod voor het gehele bedrijfsleven. De regering denkt daarbij aan gevallen van oorlog, oorlogsgevaar of dreigende betalingsbalanscatastrofe. Met behulp van dit op de oude oorlogsregeling gelijkende systeem van totaal verbod-plus-vergunningen zal dan ook een physieke investeringscontróle mogelijk worden. De regering, die in het laatste