is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 32, 10-05-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in woorden ten beste geven, maar dat getuige zijn niet in de laatste plaats ook practisch is en moet zijn. Het is natuurlijk mogelijk hier tegenstellingen en onderscheidingen te gaan maken; ach, wij, redenerende Westerlingen (schijnen soms wel niet anders te kunnen. Maar er zijn, en er waren zeker in de vorige eeuw) nog steeds van die pioniers, die vanuit een elementaire gegrepenheid aanpakken. Zo’n pionier was de ex-dominee, inspecteur van de bewaarscholen, J. A. Tours, de eerste directeur van Ons Huis. Die, om het in zijn eigen woorden te zeggen, „besefte dat we allen zijn van hetzelfde deeg, de een moge een pain de luxe, de ander tot een stevige mik gebakken zijn”. De achtergrond van deze opmerking is ongetwijfeld de toenmalige controverse tussen kapitalist en arbeider, maar in z’n principe is deze uitspraak nog altijd juist en geldig, ook voor de arbeid van Ons Huis in deze tijd. Trouwens: voor alle sociaal-culturele werk en... vanzelfsprekend ook voor het kerkewerk.

Ik wil maar zeggen: laat dit jubileum van Ons Huis niet aan ons voorbijgaan. Hier wordt massajeugdwerk en gezinsarbeid, werk onder jonge kinderen en rijpere jeugd, onder vrouwelijke en mannelijke volwassenen verricht, dat gericht is op wat dan genoemd wordt volksontwikkeling en waarbij rekening gehouden wordt met de veranderde tijdsomstandigheden zowel als met de gewijzigde mentaliteit van deze buurtbewoners. Men wil er werken aan het mens-zijn. En nu kan men dit grote woord gelaten uitspreken; men kan ook onmiddellijk vanuit een gevestigde stelling er bezwaar tegen maken. Voorshands zal het wel het beste zijn om in dankbaarheid te constateren, dat Ons Huis een zeer positieve plaats bekleed heeft in de Jordaan (en in andere wijken waar buurthuizen zijn gesticht) en dat er toch al wel heel erg veel gebeurd is als deze en gene bezoeker van Ons Huis is gaan verstaan wat mens-zijn betekent. Dat dit meer inhoudt dan alleen een „menswaardig” bestaan te hebben in sociaal-economisch opzicht en dat het ook omvat persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid, innerlijke groei, rijping van cultureel inzicht, en niet in de laatste plaats: innerlijke keuze tegenover de meest elementaire waarden van het leven en de gemeenschap.

Als nu maar eens zeer velen zich voor deze arbeid interesseerden en hem steunden...

Misschien dat dit jubileum er aanleiding toe is. A. A. W.

OM TE ONTHOUDEN I

Juist vermeldt de radio dat minister Lieftinek televisietoestellen niet meer onder het weeldetarief der omzetbelasting, dat dertig pet. bedraagt, zal laten vallen maar onder het normale tarief van 4%. Stellig is het betwistbaar dat dus televisietoestellen volgens de minister niet meer als luxe zijn te beschouwen. Dat past heel slecht bij de eis tot soberheid! Het is echter goed om bij alle critiek te onthouden dat het voor de industrialisatie en de export van groot belang kan zijn dat Philips er in slaagt de export te steunen door het opbouwen van een afzet in het binnenland. Het wordt dan een kwestie van afwegen. Men behoeft geen vriend van de televisieluxe te zijn om de realiteit van deze kant van de zaak te erkennen. Zal het echter, zolang de bioscoopbonden het draaien van films voor televisie weten te beletten, veel zoden aan de dijk zetten? r. b.

De

E B U

Ook de T. en T.-lezer moet zich een enkele keer in zaken van internationaal betalingsverkeer verdiepen, want deze kunnen voor de internationale goederenen dienstenstromen en daarmee voor productie en werkgelegeriheid in alle landen van enorme betekenis zijn. We moeten er dus aan wennen om ons af en toe te dwingen het meest essentiële van zulke verbanden te begrijpen; dat is een eis die men als democraat mag stellen. De lezer zal stellig zijn moeite beloond vinden wanneer in de komende weken deze materie in de kranten verschijnt.

Het verdrag betreffende de Europese Betalings Unie, de E.8.U., op 1 Juli 1950 voor twee jaar gesloten, loopt 1 Juli as. af. Algemeen verwacht men dat het zal worden verlengd, want de E.B.U. heeft op belangrijke punten aan de verwachting voldaan. Dit is allereerst het geval uit een oogpunt van betalingstechniek: slechts ongeveer 15% van alle transacties is in goud afgerekend, de rest is betaald door saldi van de leden tegen elkaar weg te schrappen. Nog belangrijker is dat ook op een belangrijk economisch gevolg kan worden gewezen: bij het aangaan van het verdrag hoopte men dat de betekenis van de E.B.U. voor een groot deel zou worden bepaald door de verruiming van het handelsverkeer die het zou veroorzaken, en men kan na twee jaar op een verdubbeling van dit verkeer wijzen.

De E.B.U. is dus een steunpilaar gebleken van de liberalisatie die hiertoe nodig was. Helaas is deze onlangs doorbroken door de Franse en Engelse importrestricties. Hoe schadelijk deze ook zijn, men mag ze als een tijdelijke terugval beschouwen; maar als de E.B.U. zou verdwijnen, dan zouden ze heel waarschijnlijk permanent worden (zij het misschien niet in volle omvang) en ze zouden door verdere ellende worden gevolgd, want Europa zou dan terugkeren tot de volkomen door tweezijdige verdragen tussen paren landen geregelde ruil die vóór 1950 bestond en die funest is omdat dit zgn. bilateralisme het onderiinge verkeer tussen elk paar ruilpartners omlaagdrukt tot het peil van de laagste import. Daardoor zou ook in totaal het Europese verkeer ineenschrompelen, met dienoverkomstige gevolgen voor productie en werkgelegenheid.

Hoewel velen van u het al wel eens ergens anders zullen hebben gelezen, is het wellicht nuttig om dit gewichtige nadeel van het bilateralisme nog even uit te leggen: als twee landen, A en B, ruilen op bilaterale basis dan wil land A slechts goederen accepteren van B tot hetzelfde bedrag waarvoor B goederen van A toelaat. Indien dit laatste bedrag kleiner is, dan remt A onmiddellijk zijn import uit B af; is het groter, dan doet B dit met de invoeren uit A. leder is bang om met een debetsaldo ten opzichte van het partnerland te blijven zitten. Internationale clearing, bijvoorbeeld die in E.8.U.-verband, maakt het daarentegen mogelijk zulk een debetsaldo kwijt te raken doordat met een derde, vierde of vijfde partner een creditsaldo wordt gekweekt

waar men de schuld aan het tweede land mee kan dekken. De vrees voor het aangroelen van de invoeren uit dat tweede land is daardoor vrijwel verdwenen, de invoeren uit dat land mogen rustig groeien en het internationale verkeer, ook dat tussen de twee bilaterale partners, kan op een veel hoger niveau komen.

Dit voor heel Europa aanwezige voordeel is zo groot dat men stellig voor de moeilijkheden van de E.B.U. vóór 1 Juli wel een oplossing zal vinden.

Die moeilijkheden zijn er namelijk.

In de eerste plaats blijkt dit uit de daling die de goudreserve van de clearingcentrale heeft ondergaan. U zult vragen hoe die mogelijk was, want als alle deelnemers al hun onderinge transacties over de E.B.U. laten lopen en dat is het geval moet het totaal van alle vorderingen gelijk zijn aan dat van alle schulden. De verklaring van het raadsel is allereerst dat het tempo waarin tot verrekening in goud moet worden overgegaan bij debetposities verschilt van dat bij creditposities (de technische bijzonderheden laat ik maar daar); en verder en dat is veel ernstiger dat er landen blijken te zijn wier saldo constant in één richting beweegt, hetzij die van een debetsaldo, hetzij die van een creditsaldo. Van het laatste is België het bekendste voorbeeld.

Dat is verschrikkelijk lastig. Allereerst voor landen als België zelf (de debetposities laat ik nu maar verder rusten), want op die manier komt het aan het plafond waarboven de E.B.U. niet meer in goud afrekent en daarmede worden de vorderingen van België en dergelijke landen voor hen practisch oninbaar en daar elk Europees land, ook België, een negatief saldo heeft op zijn betalingsbalans met het dollargebied, mist het daardoor al gauw de bron waar het deze put mee placht te vullen. Dit vormt een moeilijk twistpunt tussen de E.8.U.-landen en deze groep van constante schuldeisers.

Het zal nodig zijn om tot overeenstemming te komen over de gedragsregels voor landen met een dergelijke eenzijdige ontwikkeling. De crediteurlanden in de E.B.U. zullen iets moeten doen om deze ophoping van vorderingen op de E.8.U.-partners te voorkomen. Misschien zullen ze in dit verband ook wat zuiniger moeten leren omgaan met hun importen uit Amerika, zodat hun schuldposities ten opzichte van Amerika, waar ze zich tot nu toe niet veel om hoefden te bekommeren, ter wille van de E.B.U moeten verminderen. Hier zal nog wel wat strijd over gevoerd moeten worden. Men zal het in het bestuur van de E.B.U. hier echter over eens moeten worden.

Als dit lukt, en daar is wel hoop op, dan is het bijvullen van de lege goudkist van de E.B.U. een kleinigheid. De verruiming van het handelsverkeer is een zo groot belang dat het vinden van de paar honderd millioen dollar die nodig zijn naar verhouding het minst moeilijke probleem zal zijn.

R. BOUDEWIJNS