is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 33, 17-05-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Europese defensiegemeenschap

Het bouwwerk der (West-) Europese samenwerking is omvangrijk en van ingewikkelde constructie. Gedeeltelijk is dat veroorzaakt door de vele en veelzijdige belangen, die in de beoogde gemeenschap gebundeld moeten worden, gedeeltelijk ook door de urgentie, welke aan de herbewapening en de militaire samenwerking is verieend. Deze voorrang is begrijpelijk, aangezien het Westen zich in zo kort mogelijke tijd zo sterk mogelijk wil maken in verband met de commimistische dreiging.

Meer en meer echter, nl. naarmate deze herbewapening en samenwerking duidelijker geconcretiseerd worden, ontstaat er in de deelnemende landen beduchtheid voor de consequenties van het gestelde principe. Zulks geldt niet alleen voor Frankrijk en West-Duitsland, ook in heel sterke mate reeds voor Engeland en evenzo voor de Verenigde Staten. Het gevolg van deze toenemende tegenstand is, dat de leidende politici trachten de aanhangige kwesties zo snel mogelijk, nl. voordat de oppositie te sterk geworden is, te regelen.

De meeste druk gaat uit van de Verenigde Staten, omdat het politieke werk van allure er binnenkort wegens de voorbereidingen voor de presidentsverkiezingen gedurende het eerstkomende half jaar onmogelijk wordt; tevens, omdat het geenszins zeker is, dat de nieuwe president een zelfde koers zal willen varen.

Blijkens de Kamerdebatten is de situatie in Frankrijk eveneens hachelijk. Hoe langer de voorbereidingen duren, des te kleiner wordt de kans op aanvaarding door de Franse volksvertegenwoordiging.

In West-Duitsland zelf wankelt de coalitie van kanselier Adenauer. Omtrent het te sluiten verdrag heeft hij zelfs zijn eigen ministers nauwelijks ingelicht. Nu ten slotte het concept ter tafel is gekomen, laait het protest op. Gegeven de sterkere positie van de socialisten, die evident is geworden in de laatste maanden, is Adenauers positie op zijn minst genomen zwak. Deze terugslag behoeft geen verrassing te zijn. Ten eerste is een concreet plan, dat langs de weg van geven en nemen tot stand gekomen is, altijd minder aanlokkelijk dan een vaag ideaal. Het plan verplicht tot nauwkeurig aangegeven daden, het ideaal slechts tot vrijblijvende woorden. Bovendien is een plan, door zijn concreetheid, een veel gemakkelijker prooi voor detailcritiek. Zelfs als men het ideaal niet ontrouw wil worden, kan men het plan op details afwijzen.

Het verzet groepeert zich rondom drie principiële punten. Ten eerste het oude twistpunt van de verdedigbaarheid van West-Europa. Hier staan twee meningen lijnrecht tegenover elkaar. De ene zegt, dat ook een zeer redelijk verdedigd West-Europa onhoudbaar is tegenover een Russische invasie. Niet alleen zou West-Duitsland onmiddellijk prooi worden van een Russische strijdmacht, maar ook zou verdediging langs de Rijn illusoir zijn. Zelfs twijfelen sommige militaire deskundigen aan de houdbaarheid van de Britse eilanden. Aan dit twistpunt heeft het Franse blad

„Le Monde” nieuwe ruchtbaarheid gegeven door de publicatie van een „geheim rapport” van de Amerikaanse admiraal Fechteler. Het is niet zeker, of het rapport echt is, maar dat doet er niet eens veel toe. De „Monde” is deskundig genoeg om in elk geval volstrekt zeker te weten, dat het in het rapport weergegeven standpunt algemener gangbaar is dan de meeste politici willen bekennen. Fechteler nu stelt, volgens het stuk, tegenover de z.i. nutteloze verdediging van West-Europa die van de Middellandse-Zeelinie. De steunpunten zijn Gibraltar (en dus ook Spanje), Malta, Kreta en de Dardanellen. Het achterland is Afrika. Uit deze stelling zou naar zijn mening slechts met succes een oorlog tegen Rusland gevoerd kunnen worden.

Wij kunnen uiteraard geen keuze doen uit deze beide strategieën. Het is echter goed te weten, dat de groep rondom senator Taft in Amerika om welke reden dan ook genoemd standpunt min of meer inneemt, maar dat dit op het ogenblik volstrekt niet de officiële Amerikaanse opvatting is. Truman doet alle moeite om het schip der Europese militaire samenwerking zo snel mogelijk de veilige haven binnen te loodsen.

Het tweede principiële punt, dat sterk de aandacht vraagt, is dat van de gewenste omvang der herbewapening, zoals o.a. Bevan aan de orde stelt. Het is in T. en T. reeds enige malen besproken. Belangrijker is, dat Bevan meer en meer steun in de Labour Party krijgt voor zijn stelling, vooral via de vakbonden. Bevans opvattingen raken echter het beginsel der Europese herbewapening en militaire samenwerking niet. Voor de plannen als zodanig zijn zij derhalve minder gevaarlijk dan ogenschijnlijk lijkt.

Het derde punt is echter het belangrijkste. Het geldt de vraag of Duitsland zelf wil herbewapenen en deel gaan uitmaken van een verenigd West-Europa. Niet Adenauer, maar de gemiddelde West-Duitser.

De Britse socialist Crossman heeft onlangs de cijfers van een opinie-onderzoek naar deze vraag gepubliceerd in de „New Statesman and Nation”.

55% der ondervraagaen stelt hereniging van Oost- en West-Duitsland boven Europese integratie, tegenover 27% die de voorkeur aan Europese samenwerking en 18% die geen mening geeft.

32% is voor dienstplicht, 47% tegen, 21% zonder mening. 13% wil weer soldaat worden, 75% niet, 12% heeft er geen mening over. Dit wijst in de richting van hetgeen de Duitse socialisten steeds bewezen hebben, nl. dat er geen meerderheid is voor de herbewapening en Europese integratie. Het is dan ook aan geen twijfel onderhevig, dat Adenauer zijn boekje te buiten gaat door te verklaren, dat wel de meerderheid van het Westduitse volk voor zijn plannen voelt. Het zal hem moeite genoeg kosten om een meerderheid in de volksvertegenwoordiging mee te krijgen.

De Europese defensiegemeenschap is op de Duitse militaire bijdrage gebaseerd, en dat is haar grote zwakte. Omdat men Duitsland er beslist bij moet hebben, is de (overigens dus nog dubieuze) Duitse bijdrage reeds duur gekocht door de geallieerden. Ook zonder Russische tegenpropaganda zou de prijs heel hoog moeten zijn geweest, om de Duitse onwil te overbieden. Bovendien zullen vele Duitsers voelen, dat een dergelijke inschakeling bij West-Europa, de kans op een hereniging van het land volkomen uitsluit. Daarover is geen twijfel mogelijk.

Omdat de Duitsers, als tot de samenwerking besloten wordt, deze veeleer als een middel zien om weer onafhankelijk te worden en minder als een positieve vredesbijdrage, kan er niet enkel vreugde zijn over hetgeen ten aanzien van de Europese defensiegemeenschap thans op papier is bereikt. Er zal nog heel wat moeten gebeuren, voordat de gezonde basis gevonden is, waarbuiten zulk een gemeenschap niet kan bestaan. Het eigenlijke werk moet dus nog komen. H. VAN VEEN

CENSUUR EN CULTUUR

Het r.-kath. weekblad „De Nieuwe Eeuw” maakte onlangs melding van de te Utrecht gehouden jaarvergadering van de Vereniging van R.-Kath. Boekhandelaren. De voorzitter dezer vereniging moest sombere berichten geven. Ze zullen binnen de kring van de leden dezer vereniging, waartoe blijkbaar ook de r.-kath. uitgevers behoren, wel allerminst nieuw zijn. Het feit dat ze dan weer naar voren werden gebracht, kan er alleen op wijzen, dat het om verschillende redenen zeer nodig is zulks te doen.

Wat waren die sombere geluiden dan? In de eerste plaats, dat er, ten einde een behoorlijke spreiding te verkrijgen van het katholieke boek, te weinig r.-kath. boekhandelaren in Nederland zijn, namelijk slechts één op de zes. En dat dit aantal in dit milieu te gering wordt geacht, zal mede gevolg zijn van andere ter vergadering genoemde verschijnselen.

Want, zo lazen we, de r.-kath. boekhandel heeft een te geringe omzet. De r.-katholiek, intellectueel of niet-intellectueel, jongere of oudere, loopt zijn, en haar, eigen boekhandel voorbij en heeft voor de

catholica veel te weinig belangstelling. Indien dit feit gesignaleerd werd zonder meer, zou het kunnen wijzen op een gebrek aan opvoeding in deze richting. Dat zal het voor een deel ongetwijfeld zijn, maar voor een ander, wellicht nog belangrijker deel, werd in deze vergadering opgemerkt, dat de r.-katholiek uit onderscheiden milieu, wel boeken koopt, maar zijn keus doet bij de Algemene Boekhandel, waar nu eenmaal alles te zien en alles te krijgen is, ook die lectuur' die de r.-kath. boekhandel niet kan etaleren, omdat zij geen kerkelijke goedkeuring verkreeg en langs de eigen boekhandel niet in handen kan komen van het grote lezerspubliek, dat voor een deel natuurlijk mede door de r.-katholieken wordt gevormd. Hieruit blijkt, dat de r.-katholieken, die belangstelling hebben voor wat er in de wereld omgaat en dat zijn neerslag vindt in boek en blad, die belangstelling niet van boven af laten afgrenzen door de keuze van anderen, zelfs niet door die der kerkelijke functionarissen, die deze keuze op een of andere wijze bepalen of hopen te kunnen bepalen. Het