is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 35, 31-05-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lange, ingewikkelde zin waagt, en... er uit komt, zonder kleerscheuren. Ik controleer, of hij zijn beloften gestand blijft en of hij de vier verschillen die hij aankondigde, levert. Ineens tovert hij een boeiend citaat, juist ó, propos te voorschijn. Hij maakt een zinspeling en ik herinner me. En nu kondigt hij zijn slot aan. Hij zegt niet „ten slotte” en gaat dan nog een half uur door o wanhoop der orave kerkgangers maar hij bouwt zijn betoog af en neemt een aanloop voor de laatste hindernis. De finale weerklinkt: een sonore slotzin als samenvatting en perspectief en ik ben overtuigd, dat hij nog veel meer te zeggen had. De luisteraar, niet de spreker is uitgeput. Ik zeg u: er is geen sportprestatie, die hiermee te vergelijken is.

Ik ben blij, dat dr Dijksterhuis de Hooftprijs gekregen heeft, o.a. omdat deze prijsuitreiking een erkenning inhoudt, dat letterkunde meer omvat dan poëzie en verhalend proza. Wie aan proza-literatuur denkt en zich een willekeurige bloemlezing of letterkunde-geschiedenis voor de geest haalt, zou gaan denken, dat alleen romans in die letterkunde meetellen. Of neen. Er is nog wel een andere categorie, die men gemeenlijk tot de fraaie letteren rekent en dat is het essay. Maar in de traditionele opvatting moet een essay luchtig zijn, een beetje inconsequent, een thema meer aanduidend dan uitwerkend. Het moet liefst literatuur over literatuur zijn en het moet vooral geen voetnoten of verwijzingen hebben. Het spelkarakter domineert. Het lezen van een goed essay kan verfrissend zijn, het kan een mens aan het denken zetten. Je stemt er mee in of je spreekt het tegen, maar het biedt vrijwel altijd invallen, die o zo moeilijk in te passen zijn in eigen gedachtegoed. Het leert wel, maar is zelden leerzaam. Het biedt zich aan als een solospel, terwijl wetenschap greepwerk is. In tegenstelling tot het literair essay ontstaat het waanbeeld, dat echte wetenschap dor moet zijn, gekleed in slordig Nederlands, want het gaat immers om de leerstof en de degelijkheid wordt gegarandeerd door een onleesbare taal. Deze opvatting is weer een typisch voorbeeld van de heilloze versplintering onzer cultuur, alsof een kunstenaar alleen de schoonheid, een geleerde alleen de waarheid te dienen heeft en alsof de mens, die zij beiden zijn, niet diep moest beseffen, dat waarheid en schoonheid elkaar ergens treffen, ja in hoogste zin samenvallen. Men kan het contrast ook anders toelichten: het lijkt soms of literatuur alleen maar het gemoedsleven mag weerspiegelen met zijn grillige bewegingen, maar alsof het verstandsleven met zijn systematische ontplooiing niet geschikt is tot weergave in schone taal. Ik ben blij, dat door de bekroning der staatscommissie van een typisch wetenschappelijk werk, dit misverstand zoal niet opgeheven, dan toch gesignaleerd is.

Het eindexamen Gymnasium van dit jaar presenteerde aan de candidaten een tekst van dezelfde schrijver en de opdracht deze samenvattend weer te geven. Lang niet altijd was de examencommissie zo gelukkig in de keuze van een tekst: hier nu eens geen dubbelzinnigheden, geen zonderlinge gedachtesprongen, geen onverantwoorde overgangen, maar een rustig voortschrijdend, aaneengeschakeld betoog zonder herhaling of tegenspraak. Het bleek lang niet gemakkelijk te zijn, maar het vroeg van de candidaten geen aanvullende fantasiesprongen, doch een gehoorzaam mee- en nadenken. Dit proza was een tucht en daarom een triomf van de geest.

Een volgende keer vertel ik iets over de inhoud van dr Dijksterhuis’ boek. jq b

MENS, GEZIN, INDUSTRIE

Onder bovenstaande titel is een speciaal nummer verschenen van het „Sociologisch Bulletin”, het orgaan van het Sociologisch Instituut der Ned. Herv. kerk, dat voorheen het Sociologisch Instituut van „Kerk en Wereld” heette. Van buiten ziet dit speciale nummer er, met een zeer suggestieve foto op de omslag, fleurig en aantrekkelijk uit. De inhoud bestaat uit een rapport dat, zoals dat bij een goed rapport past, een verschrikkelijk langademige titel draagt. Het heet nl. „rapport betreffende het onderzoek naar de sociale, culturele en kerkelijkgodsdienstige situatie in industrie-arbeidersgezinnen, waarvan de gezinshoofden bij het Hoogovenbedrijf werkzaam zijn”

Wanneer men over zijn schrik vanwege deze titel heen is en het rapport zelf begint te lezen, raakt men al gauw geboeid. Misschien verwachten vakmensen van een dergelijk rapport hier en daar wat meer, maar wat er eventueel in dit opzicht ontbreekt, maakt het rapport voor niet-vakmensen ongetwijfeld alleen maar leesbaarder.

Het is dus een rapport over de sociale en geestelijke situatie in gezinnen van industrie-arbeiders. Laat ik in aansluiting op het artikel van vorige week er eerst nog eens mijn vreugde over mogen uitspreken, dat een kerkelijk instituut zo iets publiceert. De industrialisatie (en de techniek in het algemeen) is bezig een diepgaande invloed uit te oefenen op een groot deel van ons volk. Ook in geestelijk en zedelijk opzicht. En ziedaar; bij de instanties, die zich ter wille van het welzijn van ons volk en in het bijzonder van onze arbeiders ernstig bezighouden met de verschillende problemen, die de industrialisatie oproept, is ook de kerk present met een eigen wetenschappelijk apparaat. Men vergelijke dit nog eens met de vooroorlogse situatie! Het is te hopen, dat men in de kerk voldoende blijft beseffen, hoe noodzakelijk en waarde vol een der gelijk apparaat is en dat men niet in een averechtse bezuinigingspolitiek op een gegeven moment aan dit werk beperkingen gaat opleggen.

Een tweede oorzaak van vreugde vond ik in een passage uit het voorwoord van prof. dr W. Banning, waar ik lees: „Voorop moet gaan een woord van hartelijke dank aan allen, die hun medewerking verleenden: de directie der bedrijven met hun staven, de vakverenigingen, de vertegenwoordigers van de kern, en de arbeiders, wier steun en medewerking over het geheel goed gegeven werd.”

Het ging om een onderzoek naar de sociale, culturele en geestelijke invloeden van de arbeid in een grote industrie. Dat en de directie en de vakverenigingsorganen van harte hun medewerking verlenen bij een dergelijk onderzoek, mag wel even gesignaleerd worden. Het kan helpen om wat voorzichtiger te zijn met generaliserende zwart-wit-schema’s. Directies en ondernemers in grote industrieën zijn blijkbaar niet alleen maar mensen, die uitsluitend denken'in termen van winstbejag en economische belangen. Dat dit type ondernemers uitgestorven is, zouden we niet graag durven beweren, maar het is niet minder waar, dat er in de kringen van leiding-

gevende mensen in diverse groot-industrieën soms een zeer sterke interesse leeft voor de diepere menselijke belangen, die op het spel staan. En evenmin is het blijkbaar zo, dat de vakverenigingen er uitsluitend op uit zijn om de materiële belangen der arbeiders te behartigen en in een puur ma- strijdhouding verstard zijn. Een derde opmerking, die ik zou willen maken is deze, dat de lectuur van een rapport als dit voor velen zeer verhelderend en nuttig kan werken. Niet het minst, doordat het allerlei, vage, romantische ideeën opruimt. Zoals bijvoorbeeld de quasi-gewichtige, algemeen-gangbare voorstellingen over „het ontzettende” van de fabrieksarbeid in een grote fabriek. Al zegt dit rapport hierover uiteraard lang niet zoveel als bijvoorbeeld het boek van dr Ydo: „Plezier in het werk”, toch geeft het een aantal zeer opmerkelijke en interessante feiten. Daardoor wordt een dergelijk rapport voor allen, die door hun werk met de industrie en de industrie-arbeiders in aanraking komen, maar niet zelf rechtstreeks bij het industriële arbeidsproces betrokken zijn, zo belangrijk. We denken hier aan predikanten, onderwijsmensen, enz.

Daarom dit als vierde opmerking is het jammer, dat de prijs van een publicatie als deze noodzakelijk aan de hoge kant moet liggen. Een rijksdaalder voor een nummer van 44 pagina’s is. geen kleinigheid. Men kan echter zijn rijksdaalders op een heel wat slechtere wijze uitgeven!

Uiteraard wordt in dit rapport een grote plaats ingeruimd aan de verhouding arbeider-kerk. Daar bij het onderzoek arbeidersgezinnen van diverse kerkelijke (en niet-kerkelijke) groeperingen betrokken waren, komen daarbij vaak verrassende dingen naar voren.

Voor de kerk is het rapport uitermate leerzaam door het feit, dat telkens weer aangetoond wordt, hoezeer allerlei oorzaken in de kerk zelf hebben meegewerkt aan de vervreemding, die er vaak is gegroeid tussen de arbeiders en de kerk. Niet, dat de schuld eenzijdig bij de kerk ligt. Zo wordt ergens in het rapport in verband met de ploegendienst heel nuchter opgemerkt, dat de ploegendienst in veel gevallen slechts een aanleiding, doch geen hoofdoorzaak is van de geringe opbloei van een breder verenigingsleven en dat de doorsneemens ook de ploegendiensten zal gebruiken om een latente onkerkelijkheid te camoufleren. Maar daarnaast lezen we ook in het gedeelte over de r.k. gezinnen „In ’t algemeen kan men zeggen, dat de overgang naar de industriële werkzaamheid nieuwe contacten kan scheppen, waartegenover de betrokkene een houding moet vinden. Deze contacten kunnen critiek en twijfel ten opzichte van kerk en geestelijkheid wakker roepen... Tot een kerk behoren en arbeider zijn, komen dan voor het gevoel van de betrokkenen steeds minder overeen.”

Allerlei factoren spelen niet alleen bij de r.k. arbeiders hier een rol. Ook daarvan geeft het rapport interessante feiten. In een volgend artikel zullen wij misschien een aantal van die feiten kunnen noemen.

J. H.