is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 35, 31-05-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPNIEUW BERLIJN

Maandag, 26 Mei 1952 is voor de Westeuropese wereld, noch voor de communistische een vreugdevolle dag. Hoogstens hebben de onderhandelaars (Fransen, Ekigelsen en Amerikanen tegenover West-Duitsers) een gevoel gehad van verbeten ingenomenheid, omdat zij het na veel geharrewar eens geworden zijn over de verdragsstukken, waarin de nieuwe overeenkomst tussen de Westerse Grote Drie en de Bondsrepubliek is vervat. Maar niemand juicht, en zelfs ontbreekt georganiseerd vreugdebetoon. Een schuchtere poging daartoe door kanselier Adenauer ondernomen leed terstond schipbreuk. De Lander hebben zijn voorstel om de vlaggen uit te steken en de schoolkinderen vrij te geven ter ere van de grote gebeurtenis, vierkant van de hand gewezen. Als er één regeling bestaat, waarop de vloek van de tegenstelling Oost-West onontkoombaar drukt, dan is het ook wel de thans getroffene.

Een regeling met een half Duitsland, omdat het hele Duitsland niet mogelijk is. Een militaire regeling, om de geduchte vijand van zeven jaar geleden weer te bewapenen, ten einde daarmede de nieuwe, evenzeer geduchte vijand in Oost-Europa schrik aan te jagen. Een regeling, die, om door de verschillende parlementen te worden geratificeerd, overal krachtige oppositie zal moeten kunnen weerstaan. Ten slotte een regeling, die, terwijl het doel is het Russische gevaar in te perken, de Russische vijandigheid aanzienlijk zal doen toenemen. Het is een somber verdrag, dat wellicht als meest in het oog lopend voordeel heeft, dat het na ratificatie de discussie over het al dan niet wenselijk zijn van het sluiten van zulk een verdrag overbodig maakt.

Wij kunnen ons aan speculaties overgeven ten aanzien van de betekenis dezer overeenkomst bijvoorbeeld de (West)Europese samenwerking, voor het welslagen van de Westeuropese economische en financiële planning, maar dat blijven beslist speculaties. Er zijn zoveel onzekerheden, materiële, politieke en menseiijke, dat het

weinig zin heeft hierop thans reeds in te gaan. Bovendien is de allesoverheersende vraag, of de overeenkomst vooralsnog de kans zal krijgen heilzaam te worden in deze opzichten. Dat hangt af van de verdere ontwikkeling der verhouding Oost-West, van de vraag of Rusland de spanning niet zozeer zal opvoeren, dat er van heilzame invloeden geen sprake zal kunnen zijn.

De verhouding Oost-West; als politieke zet in dit grote spel heeft de overeenkomst vandaag de dag dus voornamelijk betekenis. Het Westen heeft thans duidelijk te kennen gegeven, dat de periode van praten voorgoed voorbij is. In antwoord op de vage Russische en de duidelijke Russische plagerijen is het verdrag tot stand gekomen, als duidelijke waarschuwing en als onmisbare indicatie, dat het Westen bereid is veel op te geven (namelijk tal van illusies ten aanzien van de toekomst van Duitsland), als daardoor de Russische druk beter kan worden weerstaan. Hierover behoeft Moskou thans geen twijfel meer te hebben.

Dit is een teken van kracht, dat zijn invloed niet zal missen. Hoe deze invloed op Rusland zal zijn, is echter op geen enkele manier te zeggen, hetgeen het verdrag tot

een misschien noodzakelijk maar in elk geval hachelijk avontuur maakt. Geen der ministers, diplomaten of andere deskimdigen heeft er enig idee van. In West-Berlijn heerst grote onrust. In de afgelopen weken hebben tal van Russische plagerijen plaats gehad. Met zorg vraagt men zich af, of nu hier misschien een nieuwe slag in de koude oorlog geleverd zal worden. Maar niemand weet wanneer, en hoe. Eén ding lijkt slechts zeker, nl. dat de Russen hun tactiek van toenadering, welke uit de voorlaatste nota’s bleek, kennelijk weer hebben prijsgegeven. Dat was te verwachten. Het laatste Russische antwoord aan het Westen is wrevelig, doorspekt met de bekende hatelijkheden en op geen enkel punt constructief. Laten wij liever gaan praten, luidt het ongeveer, want deze briefwisseling is zinloos. Maar die briefwisseling heeft juist plaats gehad om na te gaan, waarover precies gepraat zou moeten worden. In sommige kringen wordt de vrees geuit, dat Ruslands tegenzet de zelfstandigverklaring van het dan naar Russische voorstelling het gehele Duitsland vertegenwoordigende Oost-Duitsland zal zijn. Ook Oost-Duitsland zou dan een leger krijgen en een vredesverdrag met de andere communistische landen. Een verdrag, dat een propagandastunt op zich zelf zou moeten worden. Zo’n ontwikkeling is te logisch om enkel denkbeeldig te blijven. Maar ook wanneer zij plaats vindt, zal het centrum van spanning opnieuw Berlijn worden. De toekomst van deze stad moet dan ook met de meeste zorg worden tegemoet gezien.

H. VAN VEEN

weer zouden worden aangeknoopt, en de zending in bescheiden mate een dienende taak op de achtergrond zou verkrijgen.

Er was groeiend begrip voor deze houding van Wu Wei bij de zending, maar niet overal en altijd. Ook hierin was het mogelijk dat misverstand, verkeerde beoordeling en valse beschuldiging ontstond, uit een wantrouwen alsof de zending gelijk een poes op de loer lag om op een gunstig moment op haar prooi toe te springen.

Toch mocht op deze misvattingen niet te veel acht geslagen worden, opdat de waarachtige intentie zou blijken wanneer het er op aan kwam.”

Het is goed, om eens naar een zendeling, die midden in de branding staat, te luisteren. Dat is misschien het beste, dat wij op Pinksteren kunnen doen.

Wij zijn dankbaar, dat Hildering en zijn vrouw zo vele jaren zich aan het zendingswerk hebben mogen geven. Straks komen zij terug. Dan is het werk volbracht. Maar wij weten heel zeker, dat Hildering niet stil zal zitten. Hij blijft een rasechte zendeling. Daar kunnen wij zeker van zijn.

J. J, BUSKES Jr

Jongeren en parlement

Toen in de jaren 1940—’45 de democratie in Europa in acute doodsnood verkeerde en men die tijd van gedwongen afwachten probeerde te verkorten o.m. met het zoeken naar wondermiddeltj es om haar te redden, ontstond vooral in Zwitserland de gedachte van de jeugdparlementen. Men ging daarbij hoofdzakelijk uit van de overtuiging dat het werk van het (echte) parlement meer onder de aandacht van de opgroeiende generatie gebracht moest worden. Met het élan van een fabrikant, die met lede ogen aanschouwen moet, dat zijn eens zo geliefd artUiel niet meer „gewild” is en dan plotseling aandacht krijgt voor de mogelijkheden der reclame, wierp men zich op de uitvoering van deze jeugdparlement-gedachte. Allerwegen rezen ze als paddenstoelen uit de grond hoe kon het anders toen ministers, burgemeesters en andere ambtsdragers zich enthousiast achter de plannen stelden en pers en vergaderruimten met bijbehorend decorum onmiddellijk ter beschikking stonden? Allicht dat er dan jongeren gevonden worden die zich tot een en ander aangetrokken gevoelen en belangstelling tonen die zich gaarne willen tooien met de afglans van het decorum van het echte parlement, die net mogen doen alsof ze van een bepaalde partij zijn en die zich overigens via het jeugdparlement gratis in de sympathie van allerlei belangrijke lieden kunnen verheugen. Gratis, want deze jeugdparlementen in ons land werden ze ook betiteld als jeugdgemeenteraad kregen geen enkele concrete verantwoordelijkheid. Het is ook te begrijpen, dat zulks moeilijk zou gaan! Door deze omstandigheid moesten deze colleges wel van een ge-

vaarlijke leegte blijven; in plaats van de democratische gezindheid bij de jongeren te versterken, verzwakten ze deze veeleer, doordat in deze speelparlementjes de valse indruk gewekt werd, dat de democratie zowat gelijk te stellen is met maar uitvoerig („om eikaars standpunt te leren verstaan”) met elkaar te praten. Het is duidelijk, dat onder de jongeren de leegte van deze jeugdparlementen vroeg (meestal) of laat (soms) haar uitwerking heeft: dan gaat de lust in het parlementje spelen er uit, men trekt zich van het parlement met de bijbehorende democratie weinig meer aan en ziet er gebeurt niets! Er loopt niets mis, er verandert niets; het kan blijkbaar ook allemaal evengoed zonder dat eens door de publieke opinie zo belangrijk geachte jeugdparlement En in plaats van kennis van en achting voor het echte parlement (of de echte gemeenteraad) ontstaat er vaak onbewust een stemming van „och, daar hoef je je óók niet druk om te maken ”

Ik geef toe; het is een feit dat er over ’t algemeen weinig belangstelling voor de parlementaire werkzaamheden bij de jongeren bestaat. Maar het is ook een feit, dat zulks niet bij de jongeren alléén het geval is. Het meest beschamende en ook verontrustende rondom dit schijngedoe van de jeugdparlementen is, dat men blijkbaar weinig geneigd is om de oorzaken van deze geringe belangstelling bij het parlement zelf te zoeken. Ik weet wel dat het in verband met de krachten die niets liever zouden zien dan een faillissement van de parlementaire democratie, niet zo leuk is om zo