is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 36, 07-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Contact met Niemöller

In de week voor Pinksteren was dr Martin Niemöller, Kirchen-president van de Evangelische Kerk van Hessen in ons land. Hij kwam o.a. in Den Haag. Hij preekte in de Grote Kerk. Afgeladen vol. De autowachter bij de kerk vertelde trots, dat er 27 auto’s kwamen voor de kerk en 4 voor de bioscoop. Zijn woord sprak wie de Bijbel verstonden, diep aan.

De volgende morgen gaf Niemöller eerst gelegenheid aan persvertegenwoordigers om vragen te stellen, daarna aan een aantal Haagse predikanten om met hem op verschillende kerkelijke en politieke problemen in te gaan.

Bij beide zittingen mocht ik tegenwoordig zijn. Het gaat er mij nu alleen om een indruk weer te geven van deze gesprekken.

Gesprekken? Waren het gesprekken? In wezen niet. Hier zat een man, slank, benig, met heldere ogen, snel van begrip, die sinds 1945 gewend is te zeggen, wat hij van de dingen vindt. Hij maakt de indruk elke vraag reeds vele malen eerder gehoord en beantwoord te hebben. Hij heeft duizenden journalisten te woord gestaan en aan tienduizenden christenmensen geduldig, met een typisch Duitse neiging tot leerzaamheid, zijn inzichten uiteengezet. Daarbij heeft hij ontzaglijk veel gereisd. Hij was zo vertelde hij als hij alle maanden bil elkaar rekende, sinds 1945 een vol jaar in Amerika geweest. Hij is slagvaardig geworden (zonder ooit te kwetsen), onafhankelijk in zijn oordeel. Zo krijgt men sterk de indruk van een gesprek met een eenrichtingsverkeer. Van Niemöller uit.

Men kan niet zeggen, die hij diplomatiek te werk gaat. Integendeel. Zijn manier van spreken heeft iets resoluuts, iets openhartigs. Dat wekt vertrouwen. Ook als men zijn conclusies niet deelt. Want dit staat als een paal boven water: hier is een man aan het woord, die niet alleen meent wat hij zegt, maar die ook zegt wat hij meent. Dat kwam vooral naar voren bij de journalistenconferentie. Een correspondente van een buitenlands persagentschap deed priemende vragen. Zij hoopte kennelijk op antwoorden, die slagwoorden konden worden voor de kop van artikelen in Amerikaanse kranten. Niemöller wist dat. Hij liet zich echter niet wéerhouden de meest ondiplomatieke dingen te zeggen. Omdat hij ze meende. Bijv. dat de Franse en Italiaanse communisten géén bolsjewisten zijn. Hij bedoelde daarmee te zeggen, dat hun overtuiging in een andere cultuur rustte dan in de Sowjet-Unie. Daar valt in abstracte over te praten. Maar als de kop boven een artikel is het natuurlijk moorddadig. Niemöller sprak dat echter zo en niet anders uit en gaf niet eens de toelichting, die hij later, onder de predikanten, wél zou geven.

Wie op deze wijze een morgen Niemöller bezig ziet en hoort, komt bovendien onder de indruk van zijn volstrekte geloofsgehoorzaamheid. Dat is echt. Er is géén vroomdoenerij bij. Hij loopt met zijn overtuiging alle (inderdaad: è,lle) poUtici tussen de benen. Toch raakt hij hen. Want door deze geloofsgehoorzaamheid is hij onaantastbaar. Zie ik goed, dan is de betekenis van zijn optreden vooral gelegen in het feit, dat hij van de kerk uit aan de politici grenzen aanwijst. Hij is een grens-

ganger op politiek gebied. Maar hij woont in de kerk. Heel bewust en uitdrukkelijk, Zijn overtuiging in kerkelijk en politiek opzicht mag bekend verondersteld worden, Hij wil in ieder geval, dat de kerk géén politieke macht vormt, maar critisch blijft waar ’t nodig is. De ervaring met Hitler heeft hem de ogen geopend voor de duivelse kracht, die in de politiek kan liggen, Wanneer Niemöller over politiek spreekt, moet men nooit vergeten, dat deze ervaring mee een rol speelt in zijn beoordeling, Daar komt bij, dat hij vroeger nooit écht aan politiek gedaan heeft en zich, uit een bijbelse visie, afwendt van alle politieke tinnengieterij, van alle beleid dat op de lange baan is ingesteld. Hij heeft te weinig voor ogen gehad, dat politiek ook iets anders kan zijn, nl. vormgeving van zedelijke krachten in staatkundig verband. Hij schampert op de Weimar-republiek met zijn rationalisme. Hij laat zich bovendien niet uit over andere politieke problemen dan die van de herbewapening, ofschoon daar toch ook vlak naast nog de vraagstukken van economische macht en van sociale ordening liggen. Hij zegt het zelf herhaaldelijk en met nadruk: ik ben geen politicus. Dit kwam vooral naar voren, toen een journalist vroeg, wat hij dan wel zou gedaan hebben, als hij politieke macht had. „Daarop blijf ik het antwoord schuldig”, zei hij. „Want ik ben geen politicus”.

Hoe sterk dat is, bleek uit het volgende verhaal. Op zijn Moskouse reis zat hij aan een banket aan met de minister van eredienst. De man dus, die de Russische kerk „controleert en bij staat”, zoals Niemöller zei. Op een bepaald ogenblik, toen er een stilte gevallen was, stelde deze minister de vraag: „Wat denkt u van die Amerikaanse agressie, die onze opbouw en vredeswil zo ontzaglijk hindert?” Niemöller antwoordde, na een lange stilte, dat hij er van overtuigd was, dat zelfs elke Amerikaanse mülionnair, precies als elke gewone Amerikaalï, bereid was zijn laatste cent te geven mits hij maar zeker was van het verdwijnen van de Russische agressie. Toen hij een maand later in Amerika kwam, heeft hij dit verhaal overal vertelt. Men was er zeer door gesticht. Maar herhaaldelijk werd hij terzijde genomen en hoorde hij de fluistervraag in de oren: „Maar gelooft u dat van die millionnair zelf óók? ”„Ja”, zei Niemöller steeds, „daar ben ik zeker van”. Ziehier de uitspraak van een man, die geen antenne heeft voor politiek. Die van een wezenlijk ander levensgebied tot deze werkelijkheid van staatkundige machtsvorming komt.

Het probleem nu voor de luisteraar bij Niemöller is: wat is het politieke gezag van deze man? Meestal vragen de politici: wat is zijn functie. Met andere woorden: wie speelt hij in de kaart. En dan zijn het steeds de Russen, die hij in de kaart heet te spelen. Niemöller zet daartegen dan een betoog op, dat niet hij, maar de tegenwoordige bewapenaars de Russen in de kaart spelen door Duitsland een leger op te dringen, dat eens mét Rusland tegen het Westen zal optrekken. Ik geloof, dat men onrecht aan Niemöller doet door te vragen hoe zijn politieke functie is. Neen, het gaat om deze vraag: in hoeverre heeft deze

Vanaf een balkonnetje

De hele stoet heb ik voorbij zien trekken. Vanaf het balkonnetje van mijn woning aan het Oosterpark een van de weinige pastorieën van de Hervormde Kerk in Amsterdam heb ik ,ze gadegeslagen, de duizenden betogers, van Drees en Vorrink als de eersten af tot aan de allerlaatsten toe, die een paar uur later mijn woning passeerden. Er wapperde een rooie vlag op dat balkonnetje en voor één van de ramen hing een groot portret van Drees.

Op een goed ogenblik riep één van de demonstranten tegen mij: je moet niet op het balkon staan, maar mee betogen!

De man had gelijk. Op het balkon ben je toeschouwer, die de stoet gadeslaat. Wanneer je meedoet aan de optocht, ben je deelnemer. Toeschouwers zijn er genoeg: balkonmensen, die van uit de hoogte critische opmerkingen maken. Deelnemers, die verantwoordelijkheid op zich nemen, zijn er te weinig.

Maar in mijn geval kon het nu eenmaal niet anders.

’s Morgens moest ik preken. De Hemelvaartsdag is nu eenmaal één van de christelijke feestdagen. Ik preekte, dat Christus

ten hemel gevaren is, om ons op aarde te zegenen.

Vroeger zongen wij in de kerk:

Wenscht g’ een hemel voor uw deel, hemelsch zij uw hart geheel!

Dat zingen wij niet meer. Wij hebben ontdekt, dat de bijbel heel iets anders leert: de hemel is de hemel van God, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven! Christus is zegenend ten hemel gevaren en Zijn zegenende handen omsluiten de gehele wereld. Christen zijn betekent niet de aarde verloochenen, omdat wij een hemel voor ons deel wensen, maar de aarde trouw blijven, op aarde leven en werken onder een open hemel, onder de zegenende handen van Christus.

Zo preekte ik en omdat ik preken moest, kon ik onmogelijk de grote samenkomst bij het Westerscheldeplein meemaken. Ik had wel aan de tocht door Amsterdam kunnen deelnemen, maar ik had nu eenmaal in mijn hoofd gezet, de hele stoet te' zien voorbijtrekken. Daarom stond ik op dat balkonnetje in het Oosterpark. Met die rooie vlag en dat portret van Drees. Ik weet wel, er zijn er, die het niet begrijpen, maar voor mij bestaat er geen