is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 36, 07-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE P.C HOOFTPRIJS 1952'

„Dr C. J. Dijksterhuis heeft voor zijn werk „De mechanisering van het wereldbeeld” (Uitgave J. M. Meulenhoff, A’dam 1950, 590 blz. ing. ƒ 13,50, geb. f 16,50) de staatsprijs voor letterkunde ontvangen”, aldus een krantenbericht van 22 Mei. Zie ook T. en T. van 31 Mei.

Er is geen denken aan het boek van dr Dijksterhuis samen te vatten. Wel kunnen we kort aanduiden, waarover hij schrijft en daarmee tevens de lezer begerig maken het boek zelf ter hand te nemen. Het vorig jaar verscheen in de serie „Gastmaal der eeuwen” (uitgave van Loghum Slaterus, Arnhem) een boekje van hem: „Het wereldbeeld vernieuwd. Van Copernicus tot Newton”, dat in 65 bladzijden samenvat de wordingsgeschiedenis der nieuwe natuurwetenschap in de belangrijke periode 1593—1687. In zijn groot bekroond werk geeft hij uitvoeriger de gehele geschiedenis vanaf de klassieke oudheid tot en met Newton. Ge moet beginnen dat kleine boekje eens te lezen. Het is geen gemakkelijke kost, maar het richt zich toch tot de doorsnee-ontwikkelde lezer en het loont volop de moeite. Het onderwerp immers, waarmee dr Dijksterhuis nu al zoveel jaren bezig is en telkens weer over pubUceert, is belangrijker dan ge welUcht denken zoudt. Hij heeft volop gelijk, als hij betoogt, dat we de geschiedenis en dus ook onze tijd onvolledig en onvoldoende kennen, als we slechts letten op de politieke en economische ontwikkeling en desnoods daarnaast nog wat aan kunstgeschiedenis doen, maar de geschiedenis der wetenschap en speciaal der natuurwetenschap volledig verwaarlozen.

De omwenteling in het Europees denken, veroorzaakt door Copernicus, toen deze poogde aan te tonen, dat niet de aarde in het middelpunt van het heelal staat, maar zelf als planeet rondom de zon cirkelde, is geweldig geweest. Niet alleen het wereldbeeld, maar zelfs het mensbeeld werd er door gewijzigd. Wat de techniek aan de mathematisch-empirische natuurwetenschap te danken heeft, bevroedt men wel zo ongeveer, maar hoezeer ze ons denken en voelen beïnvloedt, wordt meestal nauwelijks beseft. Alvorens men zich uitlaat, of die ontwikkeling een zegen of een vloek voor de mensheid was, diende men zich toch eerst eens te verdiepen in de geschiedenis van die ontwikkeling. Men zal dan merkwaardige ontdekkingen doen. Allereerst de ontmoeting met de grote geleerden uit het verleden zelf. Zonder al te zeer in het anecdotische te vervallen, schetst de schrijver terloops hun leven, hun bezieling, hun persoonlijke eigenaardigheden en zo gaan ze voor ons leven, de stille vorsers van de sterrenhemel, de grote wis- en natuurkundigen, een eenzelvig, maar hoe aantrekkelijk type mensen. Ondershands

ruimt hij vooroordelen op: hij toont aan, dat in de Middeleeuwen de natuurkunde niet stil heeft gestaan, maar moeizaam naar ontwikkeling heeft gezocht; door echter meer te zoeken naar het wat dan naar het hoe en meer op kwaliteit dan op kwantiteit te letten, zijn de vorderingen aanvankelijk gering; hij knabbelt wat aan de reputatie van de grote Leonardo da Vind, hij herstelt de reputatie van Rome tegenover de illusoire martelaarsfiguur van Galileo Galilel; hij streelt onze nationale trots met een schets van de geniale prestaties van onze Christiaan Huygens.

Enkele belangrijke leringen uit zijn boek moge ik in het kort aandulden: ten eerste: het valt op, hoezeer de belangeloze studie der sterrekunde het totaal der natuurwetenschappen heeft geprikkeld en bevorderd. Vraagstuk en oplossing, aan de beweging der sterren aflezen, vindt een ruime toepassing, bevestiging en toelichting op dit ondermaanse. Vervolgens blijkt dat heel het statige gebouw der empirische natuurwetenschap van heden een ontwikkeling is van de mechanica. Toen de geleerden er eenmaal in geslaagd waren de beweging te ontleden en te beschrijven in wiskundige symbolen van de uiterste precisie (mechanica), werd het mechanisme van het heelal, zowel dat der micro- als dat der macrokosmos voor hen doorzichtig. Opgemerkt dient hierbij te worden, dat deze wetenschap (de mechanica) de vraagstukken van Oudheid en Middeleeuwen volkomen heeft laten liggen. Nu als toen, weten we niet wat massa, kracht, beweging eigenlijk is; de definities daarvan gegeven, beschrijven, hoe ze wederzijds elkaar bepalen en op elkaar inwerken, maar laten het wezenlijke onuitgesproken. Maar we weten, hoe ze elkaar beïnvloeden, hoe ze werken; we kunnen hun optreden grootste triomf

der wetenschap! voorspellen.

Opmerkelijk Is ook, hoezeer de moderne empirisch-mathematische natuurwetenschap de aanschouwing van het heelal kleur- en smaakloos gemaakt heeft. Alle kwaliteiten worden herleid tot hoeveelheden en beweging. Het protest der zintuigen hiertegen wordt genegeerd. Wie hiertegen in verzet komt, wordt voorgehouden, dat zo alleen het heelal zich laat registreren en doorzichtig maken, en dat de mathematische voorspellingen slag op slag uitkomen, en dat de techniek wel de proef op de som is van deze analyse der werkelijkheid. Of de bewijzen volledig opgaan?

Ten slotte is de hoofdstelling van dit boek, dat de gemechaniseerde, technische cultuur teruggaat op een wereldbeeld dat de physici in de 17e en 18e eeuw ontworpen hebben. Het komt me voor, dat deze stelling niet van eenzijdigheid is vrij te pleiten, hoezeer overigens de stelling zelf door Dijksterhuls aannemelijk wordt gemaakt. Wanneer nochtans, zoals in het Parool (23 V) opgeworpen wordt dat onze mechanische, technische cultuur verklaard dient te worden door economische factoren, dan is men weer geneigd Dijksterhuls gelijk te geven, die antwoorden kan, dat de economische ontwikkeling slechts mogelijk was dank zij de technische resultaten van het empirisch-mathematisch denken. Alleen kan men zeggen dat de voortschrijdende secularisering van onze cultuur een duidelijk nevengevolg is van deze ontwikkeling. Dr Dijksterhuls komt de verdienste toe de gegevens ter tafel gebracht te hebben, waarmee wie over cultuurgeschiedenis wil denken of schrijven, voortaan rekening moet houden.

Men ziet het conflict met een meer geestelijke beschouwingswijze aanschouwelijk in het leven en werken van Isaac Newton, die nog menen kan dat zijn wetenschap een rechtstreekse verheerlijking van Gods Scheppende en Behoudende Almacht was. Hoe snel bleek dat juist nu men God niet meer nodig had om dit heelal te verklaren. Wat dit voor conflicten heeft opgeroepen eerst bij de geleerden zelf en later bij de gewone gelovigen, kan men wel vermoeden. Het boek van dr Dijksterhuls is geen gemakkelijke lectuur; ik vrees zelfs dat het menige lezer als mij zal vergaan en dat nu en dan een enkele alinea te hoog grijpt voor de leek, maar de winst aan Inzicht loont de moeite en het is een apart genot de heldere betoogtrant te volgen, waarom dit boek vermaardheid verdient. J. G. B.

Cultuur en Censuur

ook deze kant

In het nummer van 17 Mei schreef ik onder bovenstaande titel een en ander over de gevolgen van de kerkelijke censuur aan r.-katholieke zijde voor het debiet van de r.-kath. boekhandel en de trage culturele ontwikkeling van het r.-katholieke publiek, dat blijkbaar liever, indien het boeken koopt, dit in de algemene boekhandel doet. De achterstand in ontwikkeling, door de coadjutor van de Aartsbisschop geconstateerd, zou dan gevolg zijn van het feit, dat r.-katholieken te weinig catholica lezen.

De zaak van Cultuur en Censuur heeft echter ook nog een andere kant. Dat is mij o.a. gebleken uit de uitvoerige reactie op mijn bovenbedoeld artikel van een protestantse uitgever en boekhandelaar. Deze

wijst er allereerst op, dat naar zijn mening de censuurvoorschriften bij de r.-katholieken „liberaal” worden toegepast en dat hij zich bijv. met 90% van de gevallen („Idil”), waarin „ongewenst” wordt gezegd, zou kunnen verenigen. Ik neem dit gaarne aan, maar moet dan toch constateren, dat zelfs 'deze „ruime” censuur door tal van r.-katholieken blijkbaar als een ingreep op hun eigen mening wordt gevoeld en men liefst helemaal geen censuur ziet en 'derhalve de r.-kath. boekhandel passeert. Maar, en dat acht ik belangrijker, deze protestantse uitgever schrijft mij, dat er aan bepaalde protestantse kant dan wel geen officiële censuur is, maar dat niettemin toch wordt gecensureerd. Dat censureren kan ook bestaan in het eenvoudig