is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 37, 14-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het volk heen...

We zien in Japan precies hetzelfde gebeuren als in Duitsland: verdragen worden gesloten... maar naar de stem van het volk wordt niet gevraagd. En dat gebeurt door Amerika, dat zegt de strijd te voeren vóór vrijheid en democratie. Er wordt wel een heel raar spelletje met de volken gespeeld.

In Duitsland waagt de Bundesregierung het niet om een Volksabstimmung te houden. Daarmee wordt een wezenlijk stuk democratie met voeten getreden. Het is een daad van moed, dat het Zwitserse blad „Freies Volk” (2-5-’52), een blad dat geen „communistische” draad aan het lijf draagt, hierop met ronde woorden heeft durven wijzen.

Ter verdediging van de democratie rollen we zelf de democratie op!

Robert Wood, een Amerikaanse zendeling in China, die in Kyoto (Japan) werkt, heeft over de achtergronden en de perspectieven van het Japanse vredesverdrag een uitvoerig artikel geschreven in „Unterwegs” (Jahrgang 6, Heft 2, S. 122-119 ~Japans Weg”). Hij wijst er op, dat de 307 stemmen in het Japanse Huis van afgevaardigden die vóór het verdrag waren (47 waren tegen) helemaal niet de mening van de bevolking weergaven. Zeer vele arbeiders, studenten, leidende figuren denken er heel anders over.

„Sokai” („de Wereld”), een tijdschrift in Tokio met ongeveer 50.000 lezers wijdde het nummer van Oct. ’5l aan een nuchtere en critische beschouwing van het vredesverdrag (272 blz.). Het was dadelijk uitverkocht en het moest vijf malen herdrukt worden.

Er is verzet genoeg. Net als in Duitsland.

Maar het verzet komt niet aan bod. Over het volk heen worden de beslissingen genomen. Dat kan ook niet anders: het men het volk werkelijk meespreken, dan zouden de plannen niet kunnen doorgaan. In Duitsland niet. En in Japan niet.

Of het volk nooit aan het woord zal komen? Ja maar alleen wanneer het door een stelselmatige propaganda zo beinvloed is, dat het met de plannen meegaat.

Over dit verzet in het volk lezen wij niets bij Dulles. Maar er Is nog meer waarvan we in Dulles’ artikel niets horen.

Wat men vreest

Robert Wood legt er de nadruk op, dat de mensen die tegen zijn en die hij in zijn artikel aan het woord laat komen, geen communisten zijn, maar voor een groot deel tot de liberaal-democratische kringen behoren.

Waarover maken velen in Japan zich dan zo bezorgd? Ik noem een paar dingen:

Japan is nu aan Amerika gebonden. Maar z’n wézenlijke verbondenheid is die met Azië. Dat blijkt ook op allerlei heel practische punten. Kolen moet Japan uit China krijgen, voor de export is het voor een zeer groot deel op China aangewezen. Het zal, op korte termijn, tot een modus vivendi met China moeten komen. Maar hoe zal Amerika dat vinden?

En verder: zoals in Duitsland remilitarisatie ook renazificatie inhoudt, zo betekent het Japanse vredesverdrag (dat de mogelijkheid tot remilitarisatie van Japan opent) dat de oude extreem-rechtse groep, de militair-reactionnaire kliek het weer te 'zeggen krijgt. De Kadt moge dit én voor Duitsland én voor Japan „bakerpraatjes” noemen (Soc. én Dem. Oct. 1951, 516) hij moest eens wat meer rekening houden met keiharde feiten en althans eens met open ogen naar West-Duitsland kijken. Wat Japan betreft: ook daar zijn en worden de

„oorlogsmisdadigers” bij duizenden tegelijk losgelaten... en aan het werk gezet. Het blijft een trieste geschiedenis dat we over deze politieke, militaire en economische facetten van het vredesverdrag niets horen in het artikel van Foster Dulles. En dat terwijl hij toch moet weten in welk een nood tallozen zich in dit overbevolkte land bevinden. Het huidige Japan is even groot als de staat Californië, maar er wonen lOxzoveel mensen; 84 millioen, zegt Wood). Maar er is nog meer.

Bezetting in andere vorm Amerika heeft ook na dit vredesverdrag nog zoveel in Japan te vertellen, dat de vraag is gesteld of de bezetting nu niet onder een andere naam gewoon doorgaat, ter ondersteuning van de Amerikaanse Oost-Azië-politiek (Hugo Kramer, Neue Wege, Sept. 1951, S. 382). De Christian Century spreekt in hetzelfde nummer, dat het artikel van Dulles bevat (19-3-’52) over de wrok der Japanners tegen de Amerikaanse verordening, dat Japanse gerechtshoven niets te vertellen hebben over de Amerikaanse soldaten die in Japan zijn of daar worden neergezet de oude kwestie van de zgn. extra-territoraliteit.

Terecht zijn velen bang aldus Wood dat door dit vredesverdrag Japan tot kolonie gestempeld is. Dat is ook wel te begrij-

pen. Japan blijkt geheel aan Amerika’s wil te zijn overgeleverd. In de vijf jaren, dat Mac Arthur het er te zeggen had, werden enkele economische en sociale hervormingen van betekenis doorgevoerd (land aan vele boeren, breking van de macht van bepaalde concerns). Nü beschikt Amerika anders... het levenspeil van Japan zal nu wel omlaag moeten en de reactie zal kunnen zegevieren.

Een „vrede van verzoening”? Wanneer we dit alles bedenken, dan wordt het ons wel wat vreemd te moede, wanneer we de Christian Century horen spreken over het Japanse vredesverdrag als over een „vrede van verzoening” (19-9-’5l, p. 1070). Wanneer aan het eind van dat artikel Achesons woorden worden geciteerd over de „vrede, die alle verstand te boven gaat” dan zijn we geneigd om, in een letwat andere zin, te zeggen dat deze vrede met Japan inderdaad ons verstand te boven gaat.

Maar dit mag, op deze wijze, toch ons laatste woord niet zijn. Daarmee doen wij Dulles’ artikel onrecht. Maar wat moeten we er dan mee?

Ik wil proberen in het volgende, laatste, artikel, hierop in te gaan. KR. STRIJD

’s-Hertogenbosch.

Rumoer rond Rhee

Reeds bij het begin van de interventie op Korea hebben sommige Westelijke mogendheden hun afkeer van Syngman Rhee, president der Zuid-Koreanen, laten blijken. Vooral in Britse commentaren werd er op gewezen, dat het kwade zaak was het bewind van de Zuidkoreaanse president te verdedigen; een bewind immers, dat met de „voikswil” en het „volksverlangen” weinig, met de belangen der grootgrond- en andere bezitters bijzonder veel rekening hield. Maar er waren andere kwesties in het geding, nl. de willekeurige communistische agressie vanuit het Noorden met tal van strategische consequenties, waaraan de vraag of Syngman Rhee persoonlijk al dan niet het verdedigen waard was, ondergeschikt werd. Slechts het Amerikaanse hoofdkwartier te Tokio kon het goed met Rhee vinden. Maar ja, daar had generaal Mac Arthur dan ook de leiding.

Vooral .ten gevolge van Amerikaanse invloed hebben de Verenigde Naties zich op het formele standpunt gesteld om zich niet met de Zuidkoreaanse interne aangelegenheden te bemoeien. Een formeel standpunt, dat overigens waarachtig niet op grond van regels van internationaal recht was vereist. In andere delen der wereld is wel degelijk ook in binnenlandse aangelegenheden geïntervenieerd, al dan niet met succes. Als plotseling driekwart der Zuid-Koreanen communistisch zou stemmen, zou het Westen zeker tussenbeide komen, „ter wille van het behoud van de democratie”.

Rhee bleef dus president en bleef met weinig kieskeurige middelen achter het front de politieke en economische belangen van zijn groep handhaven. De oorlogssituatie werkte de reeds aanzienlijke corruptie nog meer in de hand. Verschillende malen moest de V.N.-commandant ingrij-

pen, omdat het al te gek werd. Het bleef echter bij nota’s, die hun uitwerking veelal hebben gemist.

Er is ook een Zuidkoreaans parlement, waaraan, hoewel Rhee veel persoonlijke macht bezit, de president toch verantwoording schuldig is. Bovendien heeft het parlement het recht om de president te kiezen. Men stelle zich van deze gekozen volksvertegenwoordiging niet al te veel voor. De vrijheid van kiesrecht bestaat hoogstens formeel. Bovendien is niet erg waarschijnlijk, dat de eenvoudige Zuid-Koreanen door een eerlijke voorlichting alle kans hebben gekregen om hun stem verantwoord uit te brengen. Als Rhee nu dan ook beweerd, dat het parlement stellig geen zuiver beeld van de politieke verhoudingen in de bevolking geeft, spreekt hij ongetwijfeld de waarheid. Een waarheid echter om een leugen te verbergen; nl. dat hij, Rhee, wel de steun van de meerderheid geniet.

Het belang van Rhee bij deze bewering is, dat de presidentsverkiezingen voor de deur staan. Als het parlement moet kiezen, maakt hij geen schijn van kans. Als, gelijk hij voorstelt, het volk zijn president rechtstreeks kan kiezen, hetgeen een grondwetswijziging vereist, heeft hij naar zijn mening meer kans. Zulks is misschien inderdaad zo, vooral ook ten gevolge van de activiteit der buitenparlementaire groepen als de jeugdbonden en de „liberale partij”, die sinds maanden een ware terreur uitoefenen.

Rhee heeft derhalve in het begin van dit jaar voorgesteld om de grondwet zo te wijzigen, dat de president rechtstreeks door het volk gekozen wordt. Het parlement heeft hierin niet toegestemd en zelfs