is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 38, 21-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ruilvoetplaatjes

Het nieuwe jaarplan van het Planbureau is eind Mei in druk verschenen („Centraal Economisch Plan 1952” te verkrijgen bij de Staatsuitgeverij en in de boekhandel). Dat is voor allen die zich voor onze economische ontwikkeling interesseren altijd een interessant stuk en ook hier moet er de aandacht op worden gevestigd. Ik meen echter goed te doen er ditmaal niet een min of meer afgeronde bespreking aan te wijden, maar er iets uit te pikken dat verband houdt met een verschijnsel waar ik een paar weken geleden al eens op wees en dat voor onze welvaart van bijzonder grote betekenis is, terwijl velen, naar ik vermoed, er desniettemin maar een vage voorstelling van hebben; nl. de ruilvoet. Ik kan dat nu goed doen omdat het Planbureau er een paar plaatjes bij geeft die bijzonder aanspreken.

Wat is dat, die ruilvoet? De ruilvoet is een cijfer, dat de beweging aangeeft van twee prijsniveau’s ten opzichte van elkander, nl. van de invoerprijzen en van de uitvoerprijzen. Die verhouding bepaalt uiteraard of we met eenzelfde hoeveelheid voor export bestemd product meer of minder kunnen kopen. Kunnen we er meer mee kopen dan stijgt ons nationale inkomen, omgekeerd daalt dit nationale inkomen als we er in de internationale ruil minder mee kunnen krijgen. De ruilvoet neemt m het eerste geval toe en in het laatste geval af; de rekenaars onder u kunnen dit narekenen als ze onthouden, dat de ruilvoet eigenlijk een breuk is, met in de teller het indexcijfer van de uit- en in de noemer het indexcijfer van de invoer (uiteraard met de prijzen van eenzelfde basisjaar = 100 gesteld).

Die ruilvoet is van onze wil vrijwel onafhankelijk want zowel onze uitvoerprijzen als onze invoerprijzen worden op de veel en veel krachtiger buitenlandse markten

gevormd. Dat de invloed op ons nationale inkomen van deze buiten onze macht staande factoren groot is, begrijpt men zodra men zich de omvang van onze buitenlandse handel in verhouding tot ons nationaie product te binnen brengt: in 1951 was het nationale product 16,7 mrd, de invoer bijna 10 mrd en de uitvoer ca 7,5 mrd. De economische stormen rukken en trekken dus op werkelijk geweldige manier aan onze welvaart. Hoe geweldig, dat laten de plaatjes van het Planbureau met één enkele oogopslag zien.

Het eerste plaatje dat ik ovemeem laat de beweging van de ruilvoet zien: in het Koreajaar 1950 zakte die tot een ontstellend laag peil, waar hij tot Augustus 1951 vrijwel op bleef staan; in de laatste vier maanjden van 1951 steeg hij weer een eind.

En nu het tweede plaatje, dat de gevolgen er van laat zien.

Op de bovenste helft ziet u twee lijnen. De onderste iijn geeft het verloop weer van het werkelijke betalingsbalanssaldo, de bovenste van het saldo dat er geweest zou

zijn als de prijzen van de invoer en van de uitvoer sinds 1948 niet waren veranderd, als met andere woorden de ruilvoet gelijk was gebleven. De laatste lijn schiet ver boven de eerste uit, wat dus betekent, dat, naar het volume (in kilogrammen) gemeten onze uitvoer heel veel sneller is gegroeid dan onze invoer, maar dat we het profijt dat we daar van trokken niet hebben gemerkt doordat we die meerdere voor export bestemde productie nodig hebben gehad om er de hogere prijzen van onze invoer mee te betalen. Deze „derving” vormt het gearceerde gedeelte. Op de onderste helft van het plaatje is dat gedeelte nog eens apart neergezet om ons te laten zien, dat het neerkomt op ongeveer 800 mln, zowel in 1950 als in 1951: Dat is niet minder dan een procent of vijf van ons nationale inkomen!

Men ziet uit het plaatje ook heel goed hoe de betalingsbalans in 1951 precies in evenwicht is geweest en tevens dat dat resultaat al stellig een jaar eerder zou zijn benaderd zonder de achteruitgang van de ruilvoet. R. BOUDEWIJNS

TER ZAKE

Toen ik „De Vrije Amsterdammer”, verkiezingsorgaan van de afdeling Amsterdam van de V.V.D. gelezen had, overviel me de gedachte: „Wat moeten die ons haten om zo te kunnen schrijven”. Nu is het lezen van verkiezingspamfletten zelden opwekkende lectuur en ook onze partij is niet feilloos. Ik voor mij althans vind, dat wij ons wel eens te veel op de stoere mannenborst beuken, in de trant van: „Dat hebben wij gedaan! Daartoe zijn wij in staat!”

Men kan de V.V.D. jiiet kwalijk nemen dat zij niet naar haar jongste verleden wijst: ze was oppositie, hoewel Buitenlandse zaken werd door haar partijgenoot beheerd. Daarover geen woord! ’t Is overigens opvallend hoe weinig bij de partijstrijd de buitenlandse politiek in het geding wordt gebracht, tenzij door de communisten. De V.V.D. moet het dus hebben van het af tuigen van de regeringspartijen en daarbij krijgt de tweede regeringspartij de volle laag, want de K.V.P. loopt immers aan de leiband van de P.v.d.A.!

Een sappig stukje geidt het N.V.V. dat een staat in de staat wordt genoemd, omdat het wel eens „wenselijkheden” kenbaar maakt. Het schijnt, dat we op Oud moeten stemmen, om de dictatuur van het N.V.V. kwijt te raken. Waarom moet ik ineens aan die fraaie bankverslagen denken, die ook wel eens „wenselijkheden” en „nauw-verholen bedreigingen” uitspraken? Over de „arbeidsvrede” heet het smalend, dat deze duur wordt betaald. Spreekt u iets duideiijker, mijne heren, en zegt u maar hardop, dat de lonen omlaag moeten. Gelukkig, dat de tekenaar voor de luchtige noot zorgt. Hij heeft een schroefpers getekend, waar enkele ongunstige indivi-

duen in herenpakken door geperst worden. „Weg met te hoge belastingdruk” heet het artikel, dat een aardig voorbeeld van boerenbedrog is in de trant van: de belastingen zijn te hoog, de oudedagsvoorziening is te beperkt, met als verrassend hoogtepunt: „Ook de V.V.D. is voorstandster van een sociale herverdelingspolitiek” (sic.). Met deze stelling heb ik eerlijk gezegd moeite gehad, tot me inviel, dat men verlaging van sociale lasten ook sociale herverdelingspolitiek kan noemen. Het ligt er maar aan, welke sociale groepen men op ’t oog heeft.

De kabinetscrisis 1951 wordt geïllustreerd door een wankel kabinet-kastje, waar mr Oud met opgeheven been in streepjesbroek aan voorbij marcheert. „De man die de moed had” heet het leugenachtige stukje. Een hoogtepunt bereikt het miezerige blaadje met „Twee loten van één stam”, waarin op gezag van de C.P.N. de innerlijke verwantschap van Communisme en Socialisme betoogd wordt. Na deze climax valt het slot tegen: De Vara wordt verweten, dat ze socialistische propaganda pleegt van de algemene Nederlandse luisterbijdrage, alsof de arbeiders geen gulden luistergeld betalen om die nare Zondagse heertjes van de Avro te bekostigen. Minister In ’t Veld houdt bij de huizenbouw geen rekening met de nood van het ogenblik. „Het particulier initiatief” moet ruimer gelegenheid tot ontplooiing worden geschonken. „Voor het bouwen van villa’s, banken en café’s?” willen we vragen.

Conclusie: dit blaadje doet een beroep op het kortzichtige egoïsme der rijken, op de rancuneuze gevoelens van onsociale belastingbetalers en vooral op de politieke vergeetachtigheid en domheid. Wat gaat het er in Nederland donker uitzien, als deze „Vrije Amsterdammer” succes heeft! KORZELIGE KES

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek