is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 39, 28-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zestien maanden als journalist in Moskou en heeft in die tijd intens geprobeerd door allerlei contacten met Russen achter allerlei feiten en verhoudingen te komen. In „A Room on the Route” geeft hij in romanvorm zijn ervaringen en indrukken weer. Wanneer ik de gegevens uit dit boek vergelijk met die uit andere bronnen, lijkt het mij, dat Blunden hier een goed verslag geeft, dat getuigt van scherpe observatie.

Welnu, Blunden houdt zich in dit boek ook bezig met de „processen”, zoals die in de dertiger jaren in Rusland zijn gevoerd tegen de „groten” uit de periode van de Revolutie. Bij die „grote zuivering”, waarbij enkele millioenen slachtoffers zijn gevallen (van de hoogste top tot de allerlaagste regionen is er toen nl. „gezuiverd”) is vrijwel de gehele laag van „oude revolutionnairen” opgeruimd.

Het was de generatie van revolutionnairen uit de periode vóór en tijdens de Revolutie, de tijd van de Burgeroorlog, de tijd van vestiging der bolsjewistische macht.

De revolutionnaire generatie, die Lenin had meegemaakt en Trotzky. De generatie, die opgegroeid was in de gedachtenwereld, de scherpe dialectiek en de idealen van de „oude beweging”. De generatie daarom ook, die diep innerlijk de breuk zag met dat verleden, het verraad aan de oude idealen. Die het revolutionnaire „vroeger” nog kende. Die zich vanuit diezelfde merkwaardige dialectiek niet verzette tegen wat beschouwd werd als ijzeren noodzakelijkheid der zich zelf rechtvaardigende geschiedenis. Maar die juist vanwege het oude, revolutionnaire ethos een latente en permanente bedreiging vormde voor het „nieuwe regiem” en de nieuwe Heerser, die over Rusland heerste, zoals eertijds door heersers over Rusland geheerst was. Die daarom ook verdwijnen moest, daar dit „nieuwe regiem” alleen veilig kon zijn bij een jongere generatie, die niet het revolutionnaire verleden had gekend.

Bij wie nauwkeurig de lijst van mensen volgde, die in de laatste jaren in de satelliet-landen in ongenade vielen, kon de indruk niet uitblijven, dat dezelfde gang van zaken zich nu ook daar afspeelt. Stuk voor stuk zijn in de afgelopen paar jaar daar ook de groten, die tot de „oude generatie” behoorden, gevallen. En het was bijna wel te voorspellen wie er na korter of langer tijd ook aan de beurt zou zijn. Tot die voorspelbare namen behoorde ook de naam van Ana Pauker.

Is dit alles meer dan een veronderstelling? Neen. Maar wel een veronderstelling, die het mogelijk maakt een aantal opmerkelijke feiten in een vrij logisch verband met elkaar te brengen.

Als deze verklaring der feiten op goede gronden berust, dan krijgt de val van Anna Pauker een diep tragisch aspect. Want dan zijn het niet in de laatste plaats haar bezieling, haar lijden en haar idealisme uit het verleden geweest, die haar nu deze bittere ontgoocheling en misschien straks een nog bitterder einde hebben bezorgd.

Er blijven zoals steeds veel vraagtekens. Volgens de voorlopige berichten, behoudt zij haar plaats als minister van Buitenlandse Zaken en krijgt ze de kans om „tot inkeer te komen”.

Is dit om de schok voor de Roemeense communisten niet al te groot te maken? Is .het omdat zij momenteel nog niet geheel gemist kan worden? Is het een krachtproef om na te gaan of zij opnieuw „bruikbaar” gemaakt kan worden? Gaat zij straks onopvallend helemaal verdwijnen om „geliquideerd” te worden? Ik weet het niet Het laatste zou mij echter niets verwonderen .... J. H.

Acht jaar

Op de terugreis van een bestuursvergadering in Bentveld, koop ik in Haarlem een krant. Op de voorpagina staat een heel kort berichtje: „Verscheidene Amerikaanse veteranen zijn vandaag bijeengekomen op de stranden van Normandië, waar acht jaar geleden de invasie begon”.

Acht jaar natuurlijk! onze jongste is met acht geworden en zij was een baby: ik zat haar te voeden op die morgen toen een van onze illegale vrienden kwam binnendraven met dat wonderbaarlijke bericht. Even denk ik me in in de situatie van toen.

Stel je voor, dat je die tussenliggende acht jaren weg kon denken. Stel je voor, dat dit wat je nu beleeft, een visioen is of een dagdroom, zoals je er zo veel in de oorlogsjaren hebt gedroomd:

Ik zit in een electrische trein hij is hélemaal niet vol. Hij rijdt hard en niemand denkt meer aan treinbeschietingen. Er loopt een kellner door de wagen in een schoon wit jasje. Hij verkoopt bier, limonade en chocomel. Buiten het raam zijn weilanden met koeien. Niet zo maar een paar koeien: honderden rode en zwarte koeien staan knie-diep in het malse gras. Over de Haarlemmerweg glijden tientallen auto’s: glimmende auto’s, die op benzine rijden, want de gascylinders en de karretjes voor houtgas zijn weg. Op het tafeltje voor mij liggen open en bloot twee kranten van gewoon formaat. Ze heten „Het Parool” en „Vrij Nederland”.

Ik zit in het bestuur van de A.G. in Bentveld is zo juist verbouwd en opgeknapt. We hebben een najaarsprogramma vastgesteld met cursussen op het gebied van de literatuur, van de politiek, van de religie. We hebben ook gegeten in Bentveld: bloemkool en gehakt en chocoladepudding. De jus en de aardappelen héb ik voorbij laten gaan. Want ik word werkelijk wat te dik!

De eerste huizen van Amsterdam schuiven voorbij: nieuwe blokken, hele nieuwe straten, huizen in aanbouw. Voor alle ramen hangt schone, hele vitrage. Sommige ramen hebben biljetten met portretten van Drees. Want over enkele weken hebben we verkiezingen. Al voor de derde maal kiezen we in vrijheid ons parlement.

In Amsterdam drink ik een kopje koffie op het perron. Ik krijg echte koffie met twee klontjes suiker in een papiertje en een kannetje room. Het perron is vol buitenlanders: er staan Amerikaanse soldaten en een paar meisjes uit Zweden en Noorwegen. Dat luidruchtige gezelschap bestaat uit Fransen of Belgen, die gaan straks met de nachttrein naar Parijs. Ik praat even met een Engelse vrouw en naast mij drinken twee Zuid-Amerikanen een glas bier. En het echte reisseizoen is nog niet eens begonnen!

’t Is niet alleen dat er buitenlanders hier komen: ik las ergens, dat er deze zomer zeker een half mïllioen Nederlanders voor één of meer dagen naar het buitenland zullen gaan. Mijn eigen kinderen gaan ook over de grens: ze nemen fietsen mee en een

tent. Want ze hébben allemaal weer uitstekende fietsen en er is geen verbod meer voor kamperen in de open lucht. Mijn kinderen hebben rode wangen en ze dragen schoenen met leren zolen geen houten kleppertjes meer. Ze hébben normale schooltijden in goed onderhouden en verwarmde schoolgebouwen. Een vliegtuig is voor hen een interessante machine en als ze een sirene horen dan weten ze, dat er een fabriek uitgaat.

Zelf schrik ik ook niet meer van zulke dingen: ik ben niet eens meer bang als ik in de nacht of de vroege ochtend een auto hoor stoppen of een portier dichtslaan. Ik kan weer alles in mijn zakboekje schrijven en in de tuin liggen geen blikjes met bonkaarten meer begraven.

Volgende week moet ik naar Duitsland: spreken voor een vrouwenvereniging over het Verenigd Europa. Misschien kan ik dan meteen even langs dat plaatsje, waar ze zulke interessante sociale experimenten doen. Duitse vrouwen zijn een moeilijk gehoor. Maar Duitse studenten en andere jonge mensen vormen het prettigste publiek, dat je je wensen kunt.

Laat ik er om denken even aan Esther te schrijven. Ze woont in Palestina en heeft er weer een zoontje bij.

In de trein naar Utrecht is het voller, maar iedereen heeft een plaats. We rijden door Amsterdam als de lichten aanflitsen: de straatverlichting en de reclamelichten. In de huizen kun je de gezellige huiskamers zien. Binnen de twee uur zal ik in Eindhoven zijn.

De mensen in de coupé zien er zomers uit: sportjasjes en lichte jurken. Ze hebben solide regenjassen bij zich en hun schoenen zijn heel. Het meisje tegenover mij heeft een verzorgde huid, een tikje opgemaakt. Ze draagt een alleraardigste nieuwe zomerhoed.

Mijn eigen kleren zijn helemaal niet nieuw meer: was het vier of vijf jaar geleden, dat ik dit Sterke mantelpak kocht? Maar ik draag glanzende nieuwe nylons van Nederlands fabrikaat

Hol hier zou de droom anachronistisch gaan worden. In 1944 hadden we van nylons geen weet: die kwamen in onze dagdromen beslist niet voor.

Ik zou stellig uit déze dagdroom spoedig zijn ontwaakt. Ik zou mijn fiets hebben genomen met de massieve banden om in de rij te gaan staan voor wat groente. Of ik zou er op naar een boer gereden zijn om een fles melk. Of ik moest ejen nieuw onderdak zoeken voor Marietje. Want eigenlijk heette Marietje Esther en de mevrouw, waar ze werkte, ging het te gevaarlijk vinden. En er was weer meer groene politie in de stad.

Natuurlijk heb ik mij in 1944 aan zulk soort dagdromen overgegeven. Steeds heb ik geweten dat we wel eens zo’n dag als deze zouden beleven na lange tijd. Maar nooit heb ik kunnen denken, dat het dan voor mij en alle andere Nederlanders zo volkomen vanzelfsprekend zou zijn!

H. VERWEY—JONKER