is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 39, 28-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij een gebouw of monument wil zien geplaatst. Twee aardige voorbeelden van deze kwatrijnen „in opdracht” vindt men in een pompstation in Petten, dat na de oorlog werd herbouwd. Zij werden geschreven door A. Roland Holst voor het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier.

Geen vloed dan die Teutoons uit de Oost [geweldig opkwam Besprong nog ooit dit kustvolk met zo [barschen schal.

Doch toen geen macht het voor hun dorp [meer langer opnam. Bleef tegen het geweld der zee, hun [wering pal. en het tweede:

Petten herrijst. Wat lang bij dagen en bij [nachten

Gold, geldt opnieuw, gebeiteld in dit [Dienstgebouw:

De Hondsbossche beschut het dorp, welks [mannenkrachten

Haar kracht weer door hun werk waar[borgen: trouw om trouw.

Men herkent er onmiddellijk hoe kan het anders de grote mannelijke persoonlijkheid van Roland Holst in. De normale lengte van de regels was blijkbaar te kort voor zijn bezweringen, waardoor zij tot 12 en 13 lettergrepen zijn uitgebreid. Maar men kan niet anders zeggen dan dat deze vier regels de moeite van het beitelen in steen waard zijn.

Een dergelijke opgave ontving schrijver dezes eens voor een rusthuis voor ouden van dagen, ergens op het Friese platteland. Een weinig inspirerende opgave, zal men zeggen. Inderdaad. Maar toen de gedachte eenmaal vorm begon aan te nemen was het toch een boeiende opgave. Ziehier het resultaat;

Gij die in dit Tehuis Uw leven overziet Een klein bedrijvig spel, in een bedijkt [gebied,

Zie! het schip Eeuwigheid wacht altijd op [de rede

Reeds voert het U naar nieuw en lichtender [verschiet. DIRK JORRITSMA

Donatello’s Johannes de Doper

Wanneer men als toerist op een smoorhete dag door Florence dwaalt, is het een verademing om door een monumentale poort de binnenplaats te betreden van het Museo Nationale, het vroegere stadhuis van deze prachtige stad. De omslotenheid en de stilte van dit binnenplein scheppen als vanzelf de juiste sfeer voor aandachtige beschouwing. Een van de monumentale trappen voert ons naar de galerijen waaromheen een aantal zalen gebouwd zijn, die de prachtigste scheppingen van kunst bevatten. In een van deze zalen waarin de koele voornaamheid van de middeleeuwse burcht onmiskenbaar is, zijn de meesterwerken van Donatello opgesteld. Men ervaart het „van aangezicht tot aangezicht staan” met deze scheppingen als een schok. Wat is het aangrijpende in deze kunstwerken dat ons zo stil maakt? Waarom is de spanning die deze opwekken zo ontroerend? Is het de volmaakte behandeling van de materie, hetzij het koele brons, of het voorname marmer? Ook de Griekse beeldhouwers beheersten op volmaakte wijze de techniek, maar deze innigheid is in hun werk toch zelden te ontdekken. Hoe bewogen, höè indringend moet de kunstenaar geweest zijn om het koele marmer te dwingen eigen belevenis gestalte te geven.

Donatello werd geboren in 1386, slechts 65 jaar na de dood van Dante en Dante leefde weer van 1266 tot 1321. In deze tijd, waarop in de noordelijke landen de Gotiek pas tot bloei kwam, werd In Italië de Renaissance reeds ingeluid. Een andere 'voorloper (in de schilderkunst) is Giotto, ook een Florentijn, die voor het eerst het verstarde gelaat der middeleeuwse madonna’s een eigen persoonlijk leven wist in te blazen. Maar Dante en Giotto, hoezeer zij als vernieuwers optraden, hoorden wat hun geestelijke achtergrond betreft toch ten dele nog thuis In de middeleeuwse sfeer. Ditzelfde kan men zeggen van Donatello, die hoewel behorende tot de beeldhouwers van de Vroeg-Renaissance, in zijn denken doortrokken was van een vroomheid die de Hoog-Renaissance node mist.' Het is niet onze bedoeling om tegenstellingen te maken waarbij men het stijlkenmerk van één tijd afbreekt ten koste van een ander tijdperk. Van belang is slechts, dat men de

kunstenaar in zijn eigen tijdperk verstaat, Van Donatello wordt gezegd, dat hij geen begrip voor eigen bezit had; hij was ondanks de grote opdrachten die hij kreeg steeds arm, omdat anderen op hem parasiteerden. Ten slotte vonden zijn opdrachtgevers het verstandiger om hem wekelijks wat geld te geven, omdat hij anders in voortdurende geldzorgen zou verkeren. Dit alles mag misschien anecdotlsch zijn, het geeft toch duidelijk het type van de kunstenaar weer nl. de toegewijde mens die de

beloning niet telt. Men zou haast kunnen zeggen: de kunstenaar als asceet.

Hoe dit ook zij, wie de Johannes de Doper van Donatello ziet, zal niet kunnen ontkennen, dat de kunstenaar het indringend vermogen heeft gehad zich in zijn Bijbels onderwerp geheel te verdiepen. Johannes de Doper, de voorloper van Christus, de zich niet waardig achtende profeet, is een van de ontroerendste scheppingen en tevens een van de laatste van Donatello.

De profeet, haast nog een jongeling, schrijdt over de rotsachtige bodem van de woestijn. Zijn lichaam is mager en hoekig. Om het schrale lijf is een dierenhuid geslagen. Hij moet een wonderlijke verschijning geweest zijn te midden van zijn tijdgenoten. Het lijkt mij zelfs niet onwaarschijnlijk dat in het begin van zijn optreden zijn verschijning een kleine hilariteit heeft verwekt. Denk eens aan, een bijna naakte jonge man die barrevoets gaat en blijkbaar het rotsachtige pad niet ducht. Zo onbewogen als deze woestijnman zijn weg heeft vervolgd, onbewogen voor lof of blaam, zo schrijdt ook dit beeld en zijn gang is als die van de slaapwandelaar.

Alle vitaliteit is rustende, maar de gespannen aandacht van het gelaat doet vermoeden, dat vanuit de uiterste concentratie, plotseling en hartstochtelijk, de mens Johannes tot getuigen komt. Thans is alles naar binnen gekeerd, de volle aandacht gericht op zijn roeping. In de linkerhand houdt hij een geschriftrol vast die half ontrold Is. Het Is de aandacht voor dit geschrift, „zijn opdracht” die zijn gehele wezen vervult. Dit „niet zien” van zijn omgeving en het „geheel vervuld zijn” van zijn opdracht is wel een zeer bijzondere interpretatie van de figuur van Johannes de Dooper.

In de rechterhand draagt hij een staf, niet als een steun voor zijn voet, maar door de kruisvorm van de staf, duidelijk als een symbool van Hem die na hem komt. Een staf die even onafscheidelijk bij hem hoort als zijn opdracht.

Laten wij thans nog enkele andere bijzonderheden zien, die schijnbaar van minder belang zijn, maar die In werkelijkheid de gehele indruk van het beeld versterken. Het gelaat Is van een grote schoonheid; toch ziet men in het gefronste voorhoofd hoe zorgen dit jonge leven drukken. De nauwelijks geopende mond prevelt de gelezen zinnen na. Het iets naar voren gebogen hoofd vertolkt de zware verantwoordelijkheid die op deze jonge schouders is gelegd. De handen zijn heel gevoelig, heel expressief; straks, als de profeet ontwaakt om te getuigen, zullen deze handen de gedachte die in hem leeft door expressieve gebaren nog versterken. Thans zijn zij in rust, zoals het gehele lichaam; bijna krachteloos is de linkerarm gebogen; alleen het losjes vasthouden van de geschriftrol tussen de eerste en de tweede vinger verraadt iets van de spanning waarin Johannes verkeert. De rechterhand verschilt aanmerkelijk van de linker. Deze krachtige hand omklemt stevig de staf die de Doper (zelfs niet in zijn slaap) ontvallen mag. Het is of deze hand buiten het bewustzijn om zijn dragende en vasthoudende functie vervult. Loom gaan de voeten als van iemand die ver liep, langen langzaam en waar het einde van de moeizame weg nog niet In zicht is. Dit zal eerst zijn wanneer Christus aan de horizon verschijnt en zijn taak beëindigd is.

Waar innerlijke bewogenheid en uiterlijke schoonheid tot zo’n volmaakt geheel gegroeid zijn, staan wij tegenover een van de heerlijkste scheppingen die de mens kan voortbrengen en wij zijn de kunstenaar hier dankbaar voor. PIET VAN STAM