is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 39, 28-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een belangrijke kwestie

In de middagvergadering van de Prot. Chr. Werkgemeenschap in de P.v.d.A., op 3 Mei 1952 te Den Haag, heeft ds L. H. Ruitenberg een belangwekkende en degelijke inleiding gehouden over het onderwerp „Weerstanden in de kerken tegenover het socialisme”.

In het daarop volgende debat kwamen enkele zeer belangrijke aspecten naar voren. Op één er van wilde ik graag iets dieper ingaan.

Eén der debaters wees er op, dat christenen in de P.v.d.A. zich altijd goed voor ogen dienen te houden, dat verlossing van de mens in christelijke zin iets anders is dan verlossing uit materiële nood, hoe belangrijk we die ook als leden van de Partij V. d. Arbeid vinden. In verband hiermee merkte een andere spreker op, dat sommige (vele?) leden van de P.v.d.A. nog grote moeite hebben met bepaalde socialistische liederen. Hij zal m.i. wel gedacht hebben aan „De Internationale”: Reedlijk wilien stroomt nu over de aarde. Begeerte heeft ons aangeraakt; Vaandellied: Heil u. Vaandel van den Arbeid, Schutsbanier van ’t menschenrecht; Socialistenmarsch: Ail’ aardsch geluk, all’ zonnepracht. All’ geesteslicht, all’ wetensmacht zij aan het zwoegend volk gegeven; De Rooden roepen: Wij zijn de brekers van het heden, Wy zijn de bouwers van den tijd, enz.

Nu zullen we eerst eens moeten vragen: Wat is verlossing in christelijke zin? Wie oog heeft gekregen voor het feit, dat Jezus’ prediking bepaald wordt door de apocalyptische eschatologie; dat Hij het Rijk Gods eerst tijdens Zijn leven, en later korte tijd na Zijn dood en opstandig verwachtte; dat dit Rijk niet is aangebroken volgens Zijn voorstelling, (nl. op kosmisch-bovennatuuriijke wijze); dat wij sinds Jezus’ dood met het einde van Zijn eschatologie te maken hebben, en we ons sedert die tyd in een ont-eschatoliseringsproces bevinden, zal zich de vorm der verlossing anders voorstellen dan de liberale theologie, maar ook en vooral dan de oude en „nieuwe” orthodoxie. En toch kan de wezenlijke inhoud van de verlossing voor „links” en „rechts” dezeifde zijn. Welke is die wezenlijke inhoud? Het anders en het vrij worden van de wereid! Wat wil dat zeggen? In het wereld- en natuurgebeuren schijnen geen motieven van ethisch handeien te zijn. Het éne leven wil zich ten koste van het andere doorzetten. Ook in mij zelf is de drang naar levensbehoud en de zucht dit leven tot de hoogst mogelijke zelf vervolmaking te brengen ten koste van anderer leven. Dit is het natuurlijke, instinctieve leven. Tegelijk is er echter in mij het diepe besef van verbondenheid met en verantwoordelykheid voor het leven van mij en van de ander.

God is maar niet de demiurg, de onpersoonlijke scheppingsgod, maar ik word me Hem bewust als ethische persoonlykheid, zoals Hij zich het hoogst en het diepst openbaarde in Jezus. Jezus is de verkondiger van het Rijk Gods, een Rijk anders dan de wereld en vrij van de wereid, een verlost-worden uit de wereld, dat uit het ethisch bepaalde zijn in God ontstaat. De vorm van deze verlossing is bij Jezus gebonden aan de tijd, waarin hij leefde, die wortelt in de laat-Joodse eschatologie. Wij kunnen deze vorm niet overnemen; wy dienen de inhoud in önze wereldbeschouwing en metaphysica te „vertalen”, om te zetten, waarbij nochtans de wezenlijke inhoud dezelfde blyft. Ons leven krijgt zijn bestemming in zover en voor zover wij ons door de ethisch zich in ons openbaarde God laten grijpen en ons willen aan het Zyne overgeven in de wil-gemeenschap met Jezus, wiens verschijning het begin van de verwerkelijking van het Gods-Ryk in deze wereld is.

Het Gods-Rijk is een ethisch-geestelijk Ryk in een wereld van de materie, niet in die zin, dat het hierin in de allereerste plaats aankomt op het volgen van allerlei ethische regeien en voorschriften. Dit zou alleen maar een veruiterlijking en denaturalisatie van het waarachtig christeiyk ethos ten gevolge hebben. Het christelijk ethos is een onbegrensde verantwoordelijkheid voor alle leven, waarvan de ethischpersoonlijke God de schepper is. Daarom, omdat het van en uit God komt, is het leven voor mij iets heiligs, waaraan ik my in volle overgave te wijden heb. In mijn ethische zelf-vervolmaking en zelf-handhaving is daarom een sterke zelf- en levensontkenning begrepen. Dat brengt mij voortdurend tot allerle(i spanningvolle besllsslngsdaden, waarvoor Ik maar niet eenvoudig een ethische codex kan opstellen, maar waarin ik in diepe verantwoordelijkheid tegenover God, naar het „Gebot der Stunde” heb te handelen. Zö en zö alleen ben ik bezig voor de verwerkelyking van Gods Rijk in het geioof, dat de geest van de wereld door Gods Geest zal worden overwonnen. Wij worden tot het werken aan Gods Rijk opgeroepen, maar zijn hiertoe slechts in staat, als de Geest Gods zijn overwinning op de geest van ons hart heeft behaald. Het komt dus aan op een verandering van onze natuurlyke, egoïstisch gerichte gezindheid, of in Bijbelse term: op onze bekering.

De verwerkeiijking van Gods Ryk is echter niet mogelijk in een quiëtistisch-piëtistische „vrome” gezindheid, of in een individualistisch intellectualisme die deze wereld laten voor wat zij is. Ook de strijd voor materiële vryheid voor grote groepen is een strijd voor de verwerkelijking van Gods Rijk. Ook deze strijd is inhaerent aan de christelijke verlossingsgedachte. Ik ben het dan ook in het geheel niet eens met christenen in de P.v.d.A., die deze strijd wel willen zien als een opgave Gods, maar ze ; losmaken van de verlossingsgedachte. Wij ] kunnen nu eenmaal het materiële niet van ] het geestelijke scheiden, willen we niet in ] een onvruchtbaar spiritualisme vervalien. < In Gods Rijk heerst waarachtige humani- ' teit in bovengeschetste zin, maar het is i ondenkbaar, dat deze in een mens-onwaar- < dig-materieel bestaan doorbreekt. Wy ] moeten niet zö geesteiijk worden, dat we j dit ontkennen. Dit geschiedt helaas nog ] maar al te dikwijls, tot schade van de ver- j werkelijking van het Gods-Rijk. i

In de oude strijd der S.D.A.P. en de 1 nieuwe van de P.v.d.A. voor lotsverbetering ’ van de grote massa lag en ligt een stuk i strijd voor het Ryk, voor zover ze bewust of £

onbewust verbonden was en is met de strijd voor waarachtige menselijkheid. En wie van de christenen in de P.v.d.A. zou durven beweren, dat bij vele nietchristenen in de S.D.A.P. en P.v.d.A. deze verbondenheid niet minstens onbewust bestond en bestaat?

Natuurlijk is het gevaar groot, dat we nu omgekeerd het Rijk gaan vermaterialiseren; dat we critiekloos een verbetering van de materiëie omstandigheden gaan overschatten, en deze als hét heil der mensen beschouwen. Dan gaat het in de grond der zaak om een belangenstryd, waarin men alleen nog maar de belangen van de groep ziet, die kil en koud tegenover de belangen van andere groepen staat een strijd, die niets meer met waarachtige solidariteit te maken heeft, maar grof groeps-egoïsme is. Dat dit er ook was, en nog is, wie zal het ontkennen? Dat dit met de christelyke verlossingsgedachte, met waarachtige humaniteit en met Gods Rijk zo goed als niets meer te maken heeft, zal in verband met het bovenstaande duidelijk zijn.

Ik kan me voorstellen, dat de „verworpene der aarde” en als u meent, dat die in ons land niet meer is, dan toch in elk geval wel in India bijvoorbeeld zich niet meer in het minst om de „verlossing” van de rijke, onderdrukkende medemens bekommert, (en ik hoop de laatste te zyn hem daarom te veroordelen) maar toch is dit niet goed te praten. Nog veel minder echter de gezindheid van die rijke!

Wy delen niet meer gelukkig! het 19de-eeuwse vooruitgangsgeloof; wy zijn er ons van bewust, dat hoe meer veroveringen op de cultuur behaald worden en hoe groter ons technisch kunnen en weten wordt, het des te moeilijker wordt waarlyk ethisch, anders dan de wereld en vry van haar, te leven. Daarom zal het er op aan komen vooral in onze tijd meer oog te krijgen voor het komen en de verwezenlijking van Gods Rijk, waarin ook de materiële omstandigheden een rol spelen. Van een orthodoxie, die wat de cultuur betreft, negatief is ingesteld, is weinig voor de reaiisatie van het Rijk te verwachten.

En hoe moeten we nu staan tegenover de socialistische liederen? Ten eerste met historisch besef. Laten we niet vergeten, dat deze liederen zijn ontstaan in een tijd, waarin een felle strijd moest worden gestreden tegen maatschappelijk onrecht. Er is een enorm verschil tussen de strijd en de strijdiust ter verkrijging bijvoorbeeld van de acht-uren-dag, en het betrekkelijk gemak, waarmee vele sociale maatregelen na 1945 zijn tot stand gekomen, hoewel de verwezenlijking daarvan natuurlijk niet los te maken is van de vroegere strijd en inzet. Het ging er om, de arbeider van zijn menswaardigheid bewust te maken. In dit wordende proces speelden ook de socialistische iiederen een grote rol, waarvan, laat het dan wat oppervlakkig geweest zijn, een groot élan uitging. Dat men van het tegenwoordige standpunt af gezien, misschien hier en daar wei eens over de schreef ging, kon historisch gezien wel niet anders. Men heeft ditzelfde verschijnsel in elke maatschappelijke, politieke en godsdienstige beweging; het hangt nauw met ons mens-zijn samen, dat in dit opzicht weinig van tijd en afstand afhankelijk is. We kunnen deze liederen, die met het socialisme zijn vergroeid, toch maar niet als socialistische partij in het museum opbergen? We kunnen ze toch ook niet gaan restaureren en moderniseren? We zouden wel kunnen proberen ze door nieuwe te vervangen, maar ik vrees met grote vreze, dat we daartoe niet in staat zijn, omdat we, het zij met teleurstelling en pijn gezegd, niet meer over het