is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 41, 12-07-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De generaal en de demonen

De zomerse warmte der afgelopen dagen heeft menig onweer uitgelokt. Het is misschien wel deze drukkende hitte geweest, waardoor het politieke onweer in de Rassemblement du Peuple Frangais, de politieke beweging van generaal de Gaulle, zo fel is geweest. Hoe het ook zij, de slag is hevig aangekomen. Sinds een week is de Gaulle de steun kwijt van een vijftigtal zijner parlementariërs (dertig leden van de Nationale Vergadering en nog eens twintig senatoren) hetgeen ruwweg zeggen wil, dat een kwart van zijn fractie er de brui aan gegeven heeft.

Deze rebellie is niet nieuw. Zij tekende zich al af bij de kabinetsformatie-Pinay. De Gaulle gaf als richtlijn de regering-Pinay niet te steunen. Niettemin verwierf de provinciaalse fabrikant 27 gaullistische stemmen in de Nationale Vergadering. De toen ontstane breuk heeft de R.P.F. afgelopen week nader besproken met het bovengemelde resultaat.

Er zijn door de generaal en zijn luitenants (Capitant, Malraux en Soustelle) op de bijeenkomst van de nationale raad der R.P.F. grote woorden gebruikt. Sprekend over de regering-Pinay heeft de Gaulle verklaard niet bereid te zijn tot „een pact met de

demonen”. Het komt er eigenlijk op neer, dat de Gaulle geen afstand wil doen van zijn negatieve oppositiepolitiek. Zijn redenering is, dat de toestand van het land door het gemodder der politici maar zo ellendig moet worden, dat het volk zijn leiding wel zal vragen.

Zijn oppositie tegen elke regeringsmaatregel heeft inderdaad de toestand van het land niet verbeterd. Zijn alles-of-nietshouding is één der oorzaken geweest van de beangstigende instabiliteit der Franse regeringen sinds het einde van de oorlog. De neiging van het volk om zich tot de Gaulle te wenden, is er echter niet groter op geworden, integendeel I Deze omstandigheid en het feit, dat Pinay’s program voor de conservatieve gaullisten wel aantrekkelijkheden bezit, was de oorzaak van de steun die de regering-Pinay van een aantal gaullistische afgevaardigden heeft gekregen.

Hiertegenover heeft de Gaulle thans als eis gesteld, dat voor belangrijke stemmingen in Kamer en Senaat de afgevaardigden de voor deze stemmingen door het partijbestuur uit te geven richtlijnen zouden moeten opvolgen. Fen dit regelende motie van discipline werd op de vergadering van

de nationale raad der R.P.F. ingediend en aangenomen met 478 tegen 56 stemmen. Nauwelijks een overwinning voor de generaal, als wij zien, dat er maar liefst 566 onthoudingen waren, zodat het voorstel slechts steun van een minderheid geniet. Zeer terecht hebben de rebellen opgemerkt, dat een der gelijk dictatoriaal ingrijpen in het vrije parlementaire leven ontoelaatbaar is. De kiezers hebben de afgevaardigden hun mandaat gegeven, een partijbestuur of nationale raad der R.P.F. is niet gekozen en is dus ook niet vertegenwoordigend te achten.

Versterking der democratie

Deze vijftig onafhankelijke stemmen, die wel ten gunste van Pinay zullen worden gebruikt, geven de Franse democratie een belangrijke steun in de rug. Het is hoogst belangrijk, dat de vijftig gaullisten hun verbintenis met de Gaulle’s negatieve beweging (en met zijn positieve fascisme!) hebben verbroken. Met uitschakeling van uiterst rechts (R.P.F.) en uiterst links (communisten) is er nu weer enigszins een normaal parlementair bedrijf mogelijk.

De invloed van de socialisten wordt er overigens verder door teruggedrongen. Pinay kan zich de weelde van socialistische oppositie tegen zijn coalitie thans veroorloven. Zulk een oppositie kan het bestaan van zijn regering niet al te zeer meer bedreigen.

Het zal van de staatsmanswijsheid van Pinay afhangen, of hij zijn koers thans nog iets meer naar rechts zal verzetten. Hij heeft er, de politieke verhoudingen in aanmerking genomen, de kans voor, maar hoogstwaarschijnlijk zou andersoortige dan parlementaire onrust er door toenemen. Stakingen als gevolg van een gevoel van onbehagen bij de arbeiders zijn geenszins uitgesloten. De invloed die de M.R.P. in progressieve zhi kan uitoefenen op Pinay, worde niet overschat. De M.R.P. schijnt vooruitstrevender dan zij is en zal derhalve veel minder tegenwicht vormen dan de socialisten konden doen.

Elke objectieve waarnemer zal echter erkennen, dat een conservai’pf maar democratisch en wat stabiel bewind voor Frankrijk oneindig veel gunstiger is dan het politieke geharrewar der afgelopen jaren. Zelfs als een conservatieve regering gelijk die van Pinay een ruime arbeidsperiode wordt gegund, zal de daarvan uitgaande stabiliserende invloed voor Frankrijk heilzaam zijn. Een dergelijke periode kan het klimaat zuiveren voor een later politiek herstel op bredere basis.

Eén aspect van de zaak is bepaald ongunstig, nl. het internationale. Frankrijks rol bij het onderdrukken van nationale aspiraties in Azië en Afrika is er tot nu toe één geweest van vérgaande besluiteloosheid. Misschien is de oorlog in Indo-China niet uitsluitend toe te schrijven aan de onmacht van Frankrijk om zich bij de gewijzigde verhoudingen aan te passen, de gebeurtenissen in Tunis echter komen beslist geheel en al voor rekening der Franse politici.

Pinay zal zich ten aanzien van deze pun- * ten ook grotere beslistheid kunnen veroorloven. Zijn besluiten zullen echter, dat ligt wel voor de hand, het ontvoogdingsproces der betroken volken sterker afremmen dan tot nu toe het geval is. Het lijkt dan ook waarschijnlijk, dat de spanningen tussen het Franse moederland en zijn onwillige zorgenkinderen zullen toenemen. Een ontwikkeling die de westerse wereld slecht te pas komt.

H. VEEN

HET WOORD

Het Woord is het fundament der schepping. Voor zover men over enige godsdienstige kennis beschikt en men zich het begin van het Johannes-evangelie herinnert, schijnt deze waarheid niet zo moeilijk aanvaardbaar. Vooral dan niet, wanneer men „Woord” met een hoofdletter schrijft. Dan weet men, waar het eigenlijk over gaat. Is echter het onderscheid tussen hoofdletter en kleine letter niet kunstmatig? Zouden wij de waarheid niet op dezelfde wijze dienen te aanvaarden, wanneer „woord” met een kleine letter geschreven werd? En schuilt er niet een neiging tot eerlijkheid in, wanneer men dat in moderne tijd steeds meer gaat doen? Het woord is het fundament der schepping.

Maar dan komen de vragen los. Is het woord niet het meest onaanzienlijke, het meest wisselvallige van alle dingen der schepping? Kan men het zich niet eerder indenken, dat een wolkenkrabber op een lucifer dan dat de schepping op het woord gefundeerd wordt! Is er wel iets zo beweeglijk, zo vluchtig als het woord? Is er wel iets, dat zo moeilijk op zijn plaats blijft als het woord? Reeds de Grieken hebben ontdekt, hoe gemakkelijk het is de mens met zich zelf in tegenspraak te brengen. Socrates is een groot kunstenaar, die uit liefde tot het woord moest laten zien, hoezeer het woord verkracht wordt.

Er wordt veel gesproken over de devaluatie van het woord. Dit is inderdaad een verschijnsel, dat erg veel te denken geeft. De mens van onze tijd verdraagt het woord nauwelijks meer. Hij heeft geestelijk gesproken een zwakke maag. Wat maar even te veel is, geeft hij onmiddellijk terug. Hij leeft bij slagzinnen en als ook deze binnenkort zullen hebben afgedaan, leeft hij bij beelden. Beeldromans en film doen wat vroeger het woord deed.

Dit is de oorzaak, dat de mens onpersoonlijk wordt. Waar de mens het fundament van het woord verlaat, verliest ook de persoon haar waarde. De mens is voor zich zelf op de vlucht en kan niet meer tot de beantwoording van de vraag komen, die in de verhouding tot God wezenlijk is, deze vraag: „Wie ben ik eigenlijk?”

Wie ben ik eigenlijk? Ik ben niet degeen, voor wie de mensen mij aanzien. Ik ben niet zo flink, als ik mij soms voordoe, ik heb niets van de zekerheid, die uit mijn woorden spreekt, ik ben niet zo eerlijk, als mijn woorden doen denken. Ik ben Ja, wie ben ik eigenlijk? Deze vraag houdt de gelovige of denkende mens het gehele leven bezig. Toen Schopenhauer zich op de wandeling eens op verboden terrein bevond, kwam een politie-agent naar hem toe, die hem op enigszins hooghartige toon vroeg: „Wie bent u eigenlijk?” Toen antwoordde Schopenhauer: „Als u mij dat nu eens zou kunnen zeggen!” De politieman bleef het antwoord er op schuldig evenals Schopenhauer zelf.

Hoe kan de mens het geheim der herkenning doorgronden? Hoe leert de mens verstaan, wie hij eigenlijk is? De herkenning heeft plaats in het Woord. Wij schrijven „Woord” nu toch met een hoofdletter, omdat dit de ontkenning der devaluatie is. Wij mogen niet geloven, dat het woord zijn kracht verliest, want als Woord is het het fundament der schepping. Dit Woord is niet onpersoonlijk, niet zuiver geestelijk, zoals men geneigd is te denken. Dit Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Het heeft zyn plaats ingenomen en het is zonder enige reserve tot het menselijke ingegaan. Het is het handelen van God,, dat als liefde zin geeft aan het geheel der schepping. A. F. L. VAN DIJK