is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 42, 19-07-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een reuzezwaai?

Zie je wel, zal mijn vriend de Onpolitieke zeggen, daar heb je het weer. Vóór de verkiezing schelden en briesen. Er was geen groter vijand van het vaderland en het koninkrijk Gods dan de Partij van de Arbeid als je „Trouw” las en nu kruipen ze in één kabinet met Drees. Omgekeerd: de Partij van de Arbeid heeft jaar en dag betoogd, dat een smalle basis progressiever was dan een brede en zij heeft zich in het bijzonder verweerd tegen de aantijgingen der anti’s en nu reserveert Drees, volgens de geruchten, twee zetels voor deze heden. Waar Is de lijn, wara is het principe? Of gaat het nu alleen maar om de baantjes?

Brul braaf en lees de „Telegraaf” zou ik kunnen antwoorden. Maar zo gemakkelijk zullen wij ons er niet afmaken.

In ons blad is menige aanval op de antirevolutionnairen gepleegd. Men lette er op, waarom dit geschiedde. Hierom, omdat de a.r. bij uitstek vasthielden aan de figuur, die ons ten diepste tegenstaat, nl. dat het principe, aan de Bijbel en de belijdenis en de historie ontleend, de dwingende richtlijnen zou geven voor staat en maatschappij. Wij hebben steeds gezegd, dat dit in feite tot conservatisme, tot afwijzing van nieuwe vormen moest leiden. Wij constateerden, dat men steeds achteraan kwam in het positief waarderen van de dynamiek in de samenleving.

Wat is nu gebeurd? Een aanzienlijk deel van de trouwe a.r.-stemmers is gedrost. Bijna twee volle procenten van het totale kiezerscorps. Had de P.v.d.A. de stemmen van de Sociahstische Unie gehad (of slechts een deel ervan), dan zou de A.R. Partij niet één, maar twee zetels verloren hebben en de Partij van de Arbeid tot 31 zetels geklommen zijn. Deze drossende a.r.-stemmen zijn, aldus de N.R.C., voor 40% bij Oud terechtgekomen, voor 60% bij de P.v.d.A. Dit heeft dr Schouten en de zijnen grondig doen schrikken. Wie de a.r.-pers volgt, merkt, dat men, nu de woede bekoeld is vanwege het krachtig leven der doodverklaarde doorbraak, zich afvraagt of men niet méér de schijn had moeten vermijden van overal tegen te zijn en of men nu niet eindelijk ertoe komen moet duidelijk te zeggen wat men wèl wil op sociaal-economisch gebied. De a.r. zeggen, dat ze per se niet liberaal zijn. En helemaal niet socialistisch. Maar ze hebben tot nu toe verzuimd duidelijk te maken welk maatschappijbeeld hun dan wèl voor ogen stond. Dat betekent, dat een nieuwe aandacht binnen hun rijen zal groeien voor wat de progressieve figuren onder hen eigenlijk willen. Dat betekent een mogelijkheid van heroriëntering.

Voor de A.R, Partij (zoals voor elke partij) is het een levensaangelegenheid deel te krijgen aan de macht. Dat de meerderheid dier fractie dat wil onder de signatuur van Drees is er een bewijs voor, dat men de progressieve vleugel een kans wil geven.

Is dat een reuzezwaai? Ja, voor wie de dingen van de buitenkant ziet. Neen, voor wie de tekenen heeft verstaan, die reeds geruime tijd hoorbaar en zichtbaar werden: het boek van Bouman—Booy, de economische theorieën, die aan de Vrije Universiteit verkondigd worden, het grommen van C.N.V.-leiders. Wie hier laffe baatzucht of

ruggemergverwekelijking achter vermoedt, doet beter niet meer aan politiek te doen, maar in een selecte secte zijn reine principes op sterk water te zetten.

Volgende vraag: is het voor de P.v.d.A. verstandig om met deze lieden in zee te gaan? Een feit is, dat de A.R.P. een weinig minder kieskeurige verkiezingscampagne gevoerd heeft dan de V.V.D. Zij hebben immers gezegd, dat Drees een staatsfooi gaf aan de bejaarden; dat In ’t Veld de woningbouw geremd had. Het verschil tussen de A.R.P. en de V.V.D. is echter, dat de kiezers van de eerste partij tegen die propaganda néén hebben gezegd en daarmee de bezwaarden (die er ook waren!) gelijk gaven en dat de V.V.D. van haar reactionnaire aanhang gelijk kreeg. In die laatste partij werd Stikker oprichter van de Stichting van de Arbeid uitgerangeerd en won het meest kortzichtige burgermansbelang het. Daarom is het goed, dat de V.V.D. in de oppositie blijft.

Er zijn overigens nog drie redenen, waarom de A.R. Partij thans, na haar nederlaag, wèl voor partnerschap in aanmerking komt. Ten eerste: hiermee wordt de wens om een coalitie te vormen tegengegaan en de krachten die hiervan dromen, ernstig verzwakt. Het is Troelstra geweest, die steeds de coalitie als politiek-houdbare figuur bestreden heeft. Hij heeft het gewonnen. Er is geen reden om straks het fatale woord „nooit” tot een „niet-christelijke” staatkunde te zeggen, als men enige jaren lang het premierschap van Drees aanvaard heeft.

Ten tweede: hiermee wordt Ouds lievelingsdenkbeeld van de Derde Macht ter zijde gesteld. Schouten en Tilanus hadden haar, de laatste in gemitigeerde vorm, afgewezen. Maar de gedachte leefde en leeft wel degelijk in hun kringen.

Ten derde: indien het lukt de prot.-chr. partijen, vooral de A.R. Partij te trainen in een nieuw verband, wanneer zij de mogelijkheden van een werkelijk-progressief beleid mèt de P.v.d.A. ontdekken, dan wordt de afhankelijkheid van de altijd-onzekere K.V.P. geringer. De ongunstige situatie, dat de K.V.P. altijd voor haar medewerking zo duur mogelijk betaald wil worden, kon wel eens ophouden te bestaan. Wat voor de grote meerderheid van de niet-roomse Nederlanders èn voor een niet onaanzienlijk deel der r.k. medeburgers een vreugdevolle gedachte is.

Wie nu beweert, dat deze vier-partijenregering, zoals Drees die zich voorstelt, in 1956 (of eerder!) de a.r. wind in de zeilen zal geven, vergist zich. Zoals ook zij zich vergisten, die beweerden, dat een verbond met de K.V.P. de vooruitstrevende r.k. kiezers zou weerhouden naar de P.v.d.A. over te gaan. Wanneer de tegenkrachten in het prot.-chr. deel der bevolking, dat conservatief is, te veel gaan trekken, zal hetzelfde verschijnsel als thans in het zuiden zich voordoet, in de bolwerken der anti’s zich herhalen. En ook wanneer dit niet het geval zou zijn, zullen steeds meerderen begrijpen, dat de mate van progressiviteit der a.r. afhangt van de hoeveelheid stemmen, die de P.v.d.A. krijgt.

Wat het veranderen van front voor de a.r. voor hen zelf zal betekenen, kan niemand zeggen. In feite staan zij voor de keuze een partij te worden a la die van ds Zandt (stabiel, gesloten, onbenaderbaar en zonder enige invloed) óf de deuren wijd open te gooien. Aan dit laatste zijn veel risico’s verbonden. Karl Barth en Kraemer (om twee typen van christelijk denken aan te wijzen) zullen dan met nieuwe kracht zich als gesprekpartners aanbieden. Dat is dan onvermijdelijk. En de doorwerking daarvan ja, dat zou een reuzezwaai te zien geven.

Maar zover zijn wij nog niet.

Het lijstje van ministers staat nog niet in de krant. En het is nog geen 1956.

L. H. R.

Het spel der Democratie

1

Een paar dagen geleden werd me door iemand gevraagd, in een paar woorden het karakteristieke verschil aan te duiden tussen een democratie en alle andere politieke samenlevingsvormen. Een vreemde en in zekere zin onmogelijk eis.

Toch heb ik me er aan gewaagd en gezegd: „Dat verschil zit ’m hierin: de democratie is een spel van mensen; andere politieke samenlevingsvormen zijn de een in meerdere, de andere in mindere mate steeds een spel met mensen.”

Ter verduidelijking heb ik er aan toegevoegd: „In de democratie gaat het om de spelende mens; in de andere politieke samenlevingsvormen om het spel, waarin de mens figureert. In het eerste geval is hij subject van het spel, in het tweede geval een object in het spel.”

Regeren betekent daarom in een democratie: het scheppen van de speelruimte voor de mens en het opstellen van de juiste spelregels. In de andere genoemde samen-

levingsvormen betekent regeren; het vinden van de meest effectieve techniek om de mens de hem toegedachte rol te laten vervullen.

Deze vergelijking van de democratie een hoogst ernstige zaak! met het spel kan alleen gewraakt worden door mensen, wie het ontbreekt aan inzicht in het wezen en de betekenis van het spel!

Het spel d.W.z. het spel van mensen, het samen gespeelde spel is namelijk een hoogst voortreffelijke aangelegenheid.

In de eerste plaats is het een vrijwillig aanvaarde bezigheid, een vrijwillige keuze om op deze wijze samen iets te doen. Een vrijwillig en bewust aanvaarde vorm van samenleven, ook al duurt die maar kort. Men kan iemand niet dwingen te spelen. Zeker, men kan iemand wel dwingen samen met anderen een ~spel” te doen, maar op hetzelfde ogenblik is het meest eigene van het spel daarmee verdwenen. De democratie in haar zuivere vorm is