is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 45, 16-08-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Perspectief van de uitvoer

Zo af en toe, namelijk telkens als dat voor het in het oog houden van de wijdere perspectieven gewenst is, moeten we de ontwikkeling van de uitvoer onder de loupe nemen. Het beschikbaar komen van de cijfers over Juni jl., waarmee een overzicht van de eerste helft van dit jaar mogelijk wordt, vormt een geschikte aanleiding daartoe.

Van groot belang is, zoals men weet, de verhouding van in- en uitvoer. Dat belang raakt de betalingsbalans. Vóór de oorlog hoefden we van de invoeren, die voor ons levensniveau onontbeerlijk zijn, maar 68 % te betalen met behulp van uitvoeren, want voor de resterende 32 % waren andere bronnen beschikbaar. De oorlog heeft een belangrijk deel van die andere bronnen vernietigd en bijgevolg moeten we om ons invoerniveau te handhaven veel meer exporteren dan tevoren. Dat lukte niet dadelijk, hetgeen tot uitdrukking kwam in een angstwekkend betalingsbalanstekort. Het Centraal Planbureau heeft al vrij gauw na de oorlog, zoals zijn taak was, een nieuwe verhouding van in- en uitvoer berekend, die als uiteindelijk doel moest worden nagestreefd. Die nieuwe verhouding stelde het op 80 %. Bij die verhouding zou dus de betalingsbalans weer kunnen sluiten. Het Planbureau vertelde er bij dat het dit cijfer bereikbaar achtte, een stoute bewering destijds, waar immers in 1946 en 1947 het dekkingspercentage nog stond op resp. 37 en 44.

De werkelijke ontwikkeling heeft de visie van het Planbureau bevestigd! Dat is een succes waar wel eens op gewezen mag worden. In 1949 werd de vooroorlogse verhouding voor het eerst overschreden (bijna

72 %) en ziet, meteen was ook het gat in de betalingsbalans geslonken tot ca 250 mln. Na een terugval in 1950 (Korea, speculatieve importen, buitensporige voorraadvorming van het bedrijfsleven) tot 68 %, klommen we in 1951 tot 77 % waarbij de betalingsbalans precies in evenwicht was. En de eerste helft van 1952 wijst een gemiddeld dekkingspercentage van 93 aan (eerste helft 1951 67), terwijl het goede exportseizoen pas in September begint. Dienovereenkomstig geeft de betalingsbalans op dit ogenblik een overschot te zien, zoals men uit het aangroeien van de goud- en deviezenreserve der Nederlandsche Bank elke week kan constateren. In Juli 1951 bevond die reserve zich op het dieptepunt. Zij bedroeg toen 918 mln. In Juli 1952 nadert zij de 3 mrd (weekstaat van 21 Juli 2933 mln) en men mag hopen dat zij in de tweede helft van het jaar het deelcijfer van 3,5 mrd zal benaderen, dat wel eens is aangegeven als de omvang die zowel voor het opvangen van seizoenschommelingen en toevallige fluctuaties als voor het voeren van een conjunctuurpolitiek in perioden van depressie nodig is.

Dat is een geweldig succes, waar allen die vlak na de oorlog tegen de berg van moeilijkheden die overwonnen moeten worden, opzagen, zich niet genoeg over kunnen verbazen.

Is de exporttaak nu daarmee vervuld? Geenszins!

Met behoud van het bereikte dekkingspercentage zal het nu namelijk verder nog nodig zijn om de export en dus ook de import enorm te vergroten. Want anders houden we onze groeiende bevolking niet aan het werk.

De vergroting die tot nu toe heeft plaats gevonden is ongelofelijk. Wie had vlak na de oorlog een veerkracht durven vóórspellen zoals blijkt uit de volgende groei: hoeveelheidsindex uitvoer

1948 1949 1950 1951 100 151 204 242

Een goede les voor ondergangsfilosofen! Men ziet evenwel eveneens uit deze cijfers dat het tempo van stijging af neemt. De cijfers voor 1952, die nog pas tot April zijn uitgerekend, laten een verdere afneming zien: 1948 = 100 Jan. Pebr. Mrt. April

hoeveelheidsindex uitvoer 1951 224 237 230 228 hoeveelheidsindex uitvoer 1952

268 236 274 254

Het eerste kwartaal 1952 geeft t.o.v. dat van 1951 nog slechts een stijging te zien van 13 %, de maand April van 11 %.

De verklaring van de vertraging is dat de sterke groei van de nationale inkomens der ons omringende landen omstreeks 1948 een punt bereikte waarop de vraag naar de producten waar Nederland van oudsher op is gespecialiseerd en die overwegend een semiluxe-karakter dragen, effectief werd, waardoor een méér dan evenredige stijging van die vraag ontstond. In zeer snel tempo heeft ons land daardoor in die jaren met zijn traditionele exportpakket zijn vooroorlogse aandeel ip de wereldhandel weten te heroveren. Dat is ook alweer iets uiterst merkwaardigs na een zo verwoestende oorlog.

Hier hangt echter vanzelfsprekend mee samen dat, nu deze oude verhouding hersteld is, het tempo ineenzakt.

En het betekent eveneens dat, nu het voor de werkgelegenheid noodzakelijk is dat de stijging blijft doorgaan, er nu eindelijk eens iets bijzonders moet gebeuren. Verre ervan dat wij er nu zouden zijn en dat we nu op onze lauweren kunnen gaan rusten, moeten we nu eindelijk eens aan de eigenlijke exporttaak beginnen!

We zullen nu namelijk niet alleen de traditionele exporten moeten blijven vergroten, maar we zullen daarbij nieuwe dingen, en dan liefst niet meer de in tijden van meer of minder grote nood zo kwetsbare semiluxe artikelen moeten gaan maken en exporteren. En is niet elke verandering van een gewoonte moeiiijk? In die richting gebeurt al wel wat. Kijk

naar onze autoproductie (D.A.P.), onze schrijfmachines, de gereedschapswerktuigen, die de Cincinnatifabriek hier gaat maken, en zo veel meer. Maar we zullen veel verder hiermee moeten gaan. Vooral de machine-industrie zal zich moeten voorzien van nieuwe branches. En ook op het gebied van bestaande producties zijn nog ongebruikte exportmogelijkheden, denk aan de fietsenindustrie, die, ondanks een grote binnenlandse markt als steun, nog nimmer een belangrijke af zet in het buitenland voor een daar bruikbare (lichte) fiets heeft weten te vinden.

We moeten dus maar niet te lang gaan zitten turen naar de steile berghellingen die we in de laatste jaren hebben weten te overwinnen; we hebben nog pas de boggrens bereikt en het eigenlijke ruwe werk in de rotsen wacht ons nog, met de kans op tegenslagen, bijvoorbeeld in de vorm van eindelijk doorbrekende na-oorlogscrisis. Als die komt dan wordt een proef op ons uithoudingsvermogen gedaan gelijk dat na de oorlog nog niet is gebeurd, want het export-alpinisme van 1946 tot heden kon plaats hebben bij eigenlijk onveranderd prachtig weer!

R. BOUDEWIJNS

(Vervolg van pag. 5) een of andere kerk. We kunnen hen niet terugroepen tot de gemeenschap omdat ze zelfs afkerig zijn van de inmenging van predikers in wat ze, in onbewuste vereenzaming, zien als hun eigen zeer persoonlijke zaak.

Deze eenzamen zijn anderen dan zij, die in hun rijping het diepste alleenzijn van de mens hebben ervaren en aanvaard.

Deze zijn de stuurlozen wier kinderen, zelfs als ze godsdienstonderwijs krijgen, geestelijk niet gedijen, omdat er geen sfeer is van vertrouwen, van geloof en liefde om hen heen. En men mag niet beweren, dat deze sfeer overal en alléén te vinden zou zijn, waar men de Bijbel leest en de kerk bezoekt. Zeker, de kans is er groter voor het kind om op zijn tijd en zijn manier te vinden wat het zoekt.

Maar de vele duizenden zoeken niet meer, na hun eerste schuchtere pogingen aan de hand der ouderen hun weg te vinden in de zgn. „numineuze wereld”. Ze verschansen zich ervoor of leven in verscheurdheid verder zonder troost in hun angsten, zonder uitzicht in moeilijke uren.

Deze duizenden kunnen niet geholpen worden door een boek en beschouwingen, die ze niet kunnen begrijpen. Want als een kwaadaardig spook staat

daar het wantrouwen tegen de kerk die liefde preekt en verdeeldheid toepast; die de onbarmhartige critiek der jeugdjaren, wanneer de eigen verlangens getoetst worden aan de practijk van hun leven, niet kan doorstaan.

En daarom is het nodig dat de predikanten en allen, die de jeugd van nu willen helpen in deze de handen ineenslaan en een uitweg zoeken. Niet voor de mogelijkheid van gezamenlijke prediking maar wel voor gezamenlijke actie onder ouders en opvoeders. Zij moeten bekendgemaakt worden met de werkelijkheid van het kinderlijk verlangen. Zij moeten weten van het bestaan der kritieke momenten, waarin het kind vatbaar is voor begrip en voor stelling. Maar meer nog voor de directe ervaring van een leven, in dienst van liefde en opbouw. Een leven waarin gemeenschap niet is een doel dat men beschrijft en waarnaar men gezamenlijk streeft, maar een werkelijkheid die men met elkaar beleeft. Dit is een der moeilijkste en dringendste taken van deze tijd. Om het duidelijk te zeggen: niet een geloof brengen aan de massa die het nog afwijst vanuit haar eigen gesteldheid en onontvankelijkheid, maar haar bekend en vertrouwd maken met eigen zielenood en die der kinderen.