is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 46, 23-08-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARBEIDERSAANDEEL IN INVESTERINGEN

De Katholieke Arbeidersbeweging heeft onlangs een rapport over dit momenteel nogal vaak besproken probleem het licht doen zien („De aanspraak der arbeiders op een aandeel in de investeringen”, uitgave K.A.8., Utrecht). Het is een duidelijke, systematische, goed opgezette en niet te grote (45 blz., incl. bijlagen 58 blz.) brochure geworden, die zich tot de hoofdlijnen beperkt. Daarom moet ieder die zich voor deze kwestie interesseert haar lezen. Het boekje loopt uit op een pleidooi voor een systeem waarbij zoveel mogelijk de in een bepaalde onderneming voor toedeling aan arbeiders beschikbaar te stellen investeringsmiddelen in handen komen van de arbeiders die in die onderneming zelf werkzaam zijn en waarbij deze arbeiders ook zo veel mogelijk zelf bepalen hoe deze middelen zullen worden geïnvesteerd. De ondernemingsgemeenschap is voor de rooms-katholieken nu eenmaal centraal, hetgeen zij met de protestants-christelij ken gemeenschappelijk hebben.

Daarmee verschillen zij vrij radicaal van de P.v.d.A. en het N.V.V., die in „De weg naar vrijheid” en het „Welvaartsplan van het N.V.V.” eveneens over deze zaak schrijven, zij het veel minder uitvoerig. Men is het in laatstgenoemde boeken met de K.A.B. eens dat de arbeiders een aandeel in de nieuwe investeringen moeten krijgen,

maar men wil de toedeling in hoofdzaak niet ondernemingsgewijs doen geschieden doch nationaal, niet gedecentraliseerd, doch centraal; men wil nl. dat de middelen en aanspraken die in elke onderneming aan de arbeiders zouden worden toegekend, samen zullen vloeien bij een centraal beheersinstituut dat dan elke arbeider een certificaat zal geven waarop elk jaar een klein dividend beschikbaar zal komen. Dit beheersinstituut zal over de wijze van belegging beslissen.

Het meningsverschil is zo groot dat het niet waarschijnlijk is dat er in de eerste jaren iets tot stand zal komen, tenzij dan natuurlijk op basis van volkomen vrijwilligheid, zoals al in een zeer enkele onderneming kan worden waargenomen.

Men is het niet alleen eens over de wenselijkheid in het algemeen, over het beginsel, men is het ook eens over de noodzakelijkheid van een voorschrift dat de toegewezen middelen voor de investeringssector

zal reserveren en dat voorkomen zal dat zij in de consumptie komen en zo voor investeringsdoeleinden verloren gaan. Het is goed hier op te letten, want hier zit een fundamentele zwakte waar het hele plan op moet stranden. Het is nl. niet zo dat de consumptiedrang waartegen moet worden opgetreden, een tijdelijk, na-oorlogs verschijnsel is. O zeker, er zal hier en daar nog wel wat niet ingehaalde achterstand in de voorziening met duurzame consumptiegoederen aanwezig zijn, maar in het groot gezien beweegt de consumptie zich toch wel weer op vooroorlogs niveau, ondanks de beperkingen die men zich ter wille van de investeringen getroost. Daarom is te vrezen dat de behoefte een deel van zijn inkomen in een zeer kleine investering te steken en zo een kapitalistje in duodecimoformaat te worden, het altijd af zal leggen tegen de veel reëler behoefte aan consumptievergroting. Zolang (om maar iets te noemen) de opleidingskosten voor de jeugd voor een belangrijk deel voor rekening van de ouders komen, zal dit zeker zo zijn. Men mag ook niet vergeten dat besparingen, die niet een uitgestelde consumptie tot doel hebben (levensverzekeringspremies, pensioenpremies, studiefondsen e.d.) eerst plegen plaats te hebben bij inkomens die een veelvoud van het normale arbeidersinkomen vormen.

De K.A.B. acht het bezit van enig vermogen van veel belang, niet slechts omdat dit de sociale zekerheid van het individu vergroot, dat wil zeggen omdat vermogen altijd ook het karakter van een consumptiereserve heeft, maar ook omdat het kansen voor persoonlijkheidsontplooiing biedt in de productieve sfeer; de arbeider als producent komt er volgens de katholieken

(Vervolg van pag. 3) van een democratisch-socialistische maatschappij.

Ik vind het bedenkelijk, dat in het hele artikel van De Kadt het woord socialisme niet voorkomt. Het is alles democratisch en progressief wat de klok slaat.

De Kadt moge weten, dat de typische doorbraak-propagandisten gekozen hebben voor het socialisme.

Hij heeft het op een goed ogenblik over het toetreden van een belijdend protestant tot onze partij. Tussen haakjes voegt hij er dan aan toe: „Zodra hij democraat en sociaal-progressief is”. Neen, De Kadt! Lid van de P.v.d.A. kan een belijdend protestant alleen worden, zodra hij democratisch socialist is!

Juist als voorstanders van de Doorbraak zullen wij er ons tegen verzetten, wanneer De Kadt op een onopvallende, maar voor de goede verstaander zeer opvallende wijze het woord socialisme inruilt tegen het woord sociaal-progressief.

Tot de overwinning van de Doorbraak in specifieke zin behoort ook, dat ik als protestant lid van de P.v.d.A. meer vertrouwen heb in een Tweede Kamerlid van onze partij, die het woord socialisme in ere houdt, ook al is hij een buitenkerkelijk man, dan in zo’n Tweede-Kamerlid, die dat woord verdonkeremaant, ook al is hij ouderling van mijn kerk. En De Kadt is geen eens ouderling. Eerlijk gezegd, dat vind ik bij deze stand van zaken nog een extraatje. J. J. BUSKES Jr.

Het spel der democratie (2)

De in een vorig nummer opgezette speelse vergelijking tussen het spel en de democratie zou ik nog wat verder willen spelen door op een derde punt van overeenstemming te wijzen tussen het echte spel en de echte democratie.

Hoezeer het spel ook zoals we de vorige keer opmerkten naar zijn wezen een vrijwillig aanvaarde bezigheid is, die men samen verricht, toch heeft ook het meest vrije spel zijn spelregrels.

Zonder deze spelregels wordt spelen een chaotisch, anarchistisch bedrijf. En het goed-gespeelde spel is dat, waarin niet alleen een flonkerende speltechniek wordt tentoongespreid, maar waarin ook nauwkeurig en loyaal de spelregels worden geëerbiedigd. Daarom is vooral bij het spel in wedstrijdvorm de scheidsrechter een onmisbare en belangrijke figuur. Hij is de onpartijdige „wachter over het spel”, die er op toeziet, dat de spelregels niet worden over treden, en dat juist daardoor het zuiver spelkarakter bewaard blijft.

Zijn functie is dan ook primair een paedagogisch-leidende. Pas waar het spel ontaard is op een wijze, die wij de vorige keer aangaven, wordt de functie van de scheidsrechter typisch die van de „politie-agent”. Welnu; zo heeft ook het spel der demo-

cratie zijn spelregels en ook hier is een eerlijke en nauwkeurige naleving der spelregels van het grootste belang voor het zuivere karakter der democratie.

De belangrijkste van deze spelregels zijn weergelegd in de grondwet; de andere in de overige wetten. Zoals we al zeiden, betekent een bewust en moedwillig overtreden der spelregels, dat óf het spel ontaard is óf dat men bewust iets anders wil dan het zuivere, loyale spel.

Daarom is in een democratie de eerbiediging van de grondwet zulk een uitermate tere aangelegenheid.

Wie schouderophalend neerziet op de soms uiterst precieuze manier, waarop in het parlement wordt gewikt en gewogen of alles wel in overeenstemming is met de grondwet, heeft van de gevaren, die een democratie kunnen bedreigen, nog net iets te weinig begrepen.

Men kan dan ook de starre politiek der A.R.-party in zake Indonesië en Nieuw-Guinea verwerpen en desondanks toch diep respect hebben voor de onverzettelijkheid, waarmee men in deze kring vecht voor een integere handhaving der grondwet. En het is om deze zelfde reden, dat een schijnbaar niet zo belangrijk feit als de openbare pro-