is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 48, 06-09-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De taal van verenigd Europa

In talloze artikelen zijn de problemen van het toekomstig Verenigd Europa aan de orde geweest: economische, politieke, militaire, sociologische. Zelden of nooit werd echter de vraag gesteld welke voertaal men zal gebruiken. Zolang nog slechts een handvol vaste gedelegeerden het Verenigd Europa vormen is het talenprobleem van beperkte omvang: de polyglotten moeten afwisselend de tong wat anders plooien, terwijl de minder taalbegaafden zich aan het regiem van de koptelefoon kunnen onderwerpen. Wordt het Verenigd Europa wat groter dan de conferentiezaal, dan zullen duizenden specialisten uit allerlei landen dagelijks in de weer zijn met de uitwisseling van gedachten, het treffen van maatregelen en het verrichten van diensten. En nog veel groter aantallen gewone mensen zullen voortdurend in aanraking komen met de reizende Europeanen: met diplomaten, technici en soldaten van het Europese leger. Ze zullen hen te woord moeten staan en hun van dienst moeten zijn in kantoren, banken, hotels, verkeersmiddelen en zelfs op straat. Bij dit Europese leven zullen zoveien rechtstreeks betrokken worden hetzij toevallig of geregeld —dat de vraag zich opdringt hoe men zich daarbij verstaanbaar zal moeten maken. Het mag romantisch en avontuurlijk zijn te trachten met wat verouderde schoolkennis en zijn bovenste ledematen te zeggen wat men op het hart heeft, efficiënt is dit niet. En waar het er niet alleen om gaat Verenigd Europa op papier te krijgen, maar ook in de omgang tussen levende mensen, is een poging om taalmoeilijkheden voor iedereen tot de kleinst mogelijke afmeting terug te brengen, niet alleen waardevol, maar zelfs van essentiële betekenis.

De vraag: welke taal’ stelt ons niet in de eerste plaats voor een linguïstisch probleem, maar voor een psychologisch vraagstuk. Dit kan aldus worden geformuleerd: welke taal is elk volk bereid als voertaal te aanvaarden, te leren en bij het onderwijs in te voeren? Dat hierbij een keuze moet worden geboden is uit practische overwegingen onverdedigbaar. Zou men bv. Frans én Engels als officiële talen toelaten, dan houdt dit in, dat men een van beide zodanig moet beheersen dat men er zich vlot in kan uitdrukken, terwijl men de andere ten minste voldoende moet kennen om het gesproken woord te kunnen begrijpen. Het is niet aan twijfel onderhevig dat één taal efficiënter is en bv. niet tot de dure consequentie leidt, dat alle officiële stukken en publicaties tweetalig moeten worden bekendgemaakt. Een aanvaarden van Frans én Engels zou alleen gezien kunnen worden als een opportunistisch zwichten voor een psychologisch ontzien van kool en geit. Men kan van een Fransman toch niet verlangen, dat hij zijn taal, eens de culturele voertaal bij uitnemendheid, zou achterstellen bij het

Engels. En de Engelsman kan men het toch niet aandoen, zijn taal, tegenwoordig de meest gebruikte, voorbij te gaan ter wille van het Frans! Men zou er met het aanvaarden van beide zeker niet af zijn: zouden de Duitsers er op den duur in berusten, dat hun taal niet tot de officiële zou behoren? Men kent de parallel van het Spaans in de Verenigde Naties: er is zolang aangedrongen, dat het in December 1948 als „werktaal” is erkend, waardoor de uitgaven met 2 millioen dollar stijgen!

Een werkelijke oplossing dient de rivaliteitskwestie geheel te vermijden en tegelijkertijd de grootst mogelijke bruikbaarheid te waarborgen. Gelukkig is het niet zo moeilijk de taal te vinden die aan deze eisen voldoet. Wie het vlotte functionneren van het Esperanto op de jaarlijkse internationale Esperantocongressen waaraan soms door meer dan 2000 mensen van de gehele wereld wordt deelgenomen —, hééft kunnen vergelijken met het onvolkomen meertalenstelsel op wetenschappelijke congressen, die weet dat de internationale taal Esperanto de aangewezen voertaal voor Verenigd Europa is.

Wie in een catalogus de vele vertalingen heeft zien staan, waaronder de Bijbel, de Bagavadgita en werken van Dante, Shakespeare. Molière, Goethe, Tolstoj, Vondel en vele andere groten, zal gerust kunnen zijn wat betreft de taak van het Esperanto als drager van cultuur. En wie ten slotte weet dat in tientallen gezinnen zelfs in hoofdzaak Esperanto wordt gesproken, omdat vader en moeder elkaar op een Esperantocongres leerden kennen, die verkeert ook niet meer in twijfel over de vraag of die taal wel geschikt is voor de gevoelssector van het leven.

De waarneming leert dus een en ander, dat terecht twijfel doet rijzen aan uitspraken als: een kunsttaal is alleen maar geschikt als overbrenger van technische inhouden. De kwalificatie kunsttaal is niet alleen nietszeggend en onjuist, maar ze heeft velen al verhinderd te weten te komen waaraan het nu eigenlijk is toe te schrijven, dat zelfs Oosterlingen het Esperanto zoveel sneller leren dan het Engels en dat het door Westerlingen zoveel vlotter en correcter wordt gehanteerd dan het Engels, wanneer dit als vreemde taal wordt gebruikt, en nog wel na veel korter studietijd. leder die dat wil kan er zich van overtuigen, dat er geen overdrijving schuilt in de paradoxale uitspraak, dat de „kunsttaal” Esperanto in het gebruik het karakter van een levende taal heeft. Het geheim van dit succes is gauw verteld: de samensteller heeft ernaar gestreefd het actieve taalgebruik zoveel mogelijk te bevrijden van de belemmering der onregelmatigheden en van een te grote last van woorden en idiomatische uitdrukkingen, die gememoriseerd moeten worden. Hij is daarentegen

het memoriseren juist te hulp gekomen door Internationaal bekende woorden te kiezen en door veei woorden met behulp van vaste, bekende affixen af te leiden. Het voordeel van de aldus verkregen woordenschat wordt duidelijk aangetoond door een kortgeleden verschenen studie over de mate, waarin zekere aantallen der meest frekwente woorden het begrijpen van een tekst mogelijk maken. Zo bleek dat na het leren van de 1000 meest frekwente woorden van het Latijn, het Engels en het Esperanto respectievelijke teksten van overeenkomstige moeilijkheid voor 60, 80 en 94% begrepen konden worden. Dit betekent, dat men in het Esperanto spoedig het woordenboek kan missen.

Al is het Esperanto nu nog zo geschikt als internationaal communicatiemiddel vooral ook voor telefoon- en radioverkeer —, toch menen sommigen dat het invoeren ervan veel meer mensen tot het leren van een taal zou dwingen, dan wanneer men het reeds zo verbreide Engels tot voertaal zou proclameren. Het onjuiste in deze gedachtengang schuilt hierin, dat niet het aantal personen dat een taal moet leren, alleen van belang is, maar ook de inspanning, die ieder moet opbrengen om een taal te leren en te gebruiken. En in de berekening der totale inspanning doet het feit, dat het Esperanto ten hoogste een vijfde van de moeite vergt die voor het leren van het Engels nodig is, de schaal zonder aarzelen naar de zijde van het Esperanto doorslaan.

Bij de keuze van een vóertaal voor Verenigd Europa, gaat het, wanneer het met de bruikbaarheid en de neutraliteit in orde is, in de eerste plaats om gemak, d.i. efficiëntie. Men bedenke, dat er onder de zeer bekwame specialisten velen zijn met een geringe talenaanleg. Voor hen is een normtaal als het Esperanto een ware uitkomst, evenals voor het weinig geschoolde personeel van openbare diensten.

Overwegingen van spijt, dat bij het invoeren van het Esperanto op de scholen een noodzakelijk gevolg van het aanvaarden als voertaal —, het onderwijs in de moderne talen op de achtergrond zou kunnen geraken, zijn niet ter zake. Integendeel komt het leren van het Esperanto, dat een goede en tijdsparende propaedeuse is gebleken voor het onderwijs in andere vreemde talen, deze studie juist ten goede. En het belet trouwens niemand in het minst om ook nog andere talen te bestuderen. Het Esperanto zou de gelederen van hen, die nu moderne talen tegen heug en meug moeten leren, op lof waardige wijze kunnen dunnen tot op een elite die deze talen graag willen leren ter wille van cultuur en schoonheid.

Eigenlijk is het onderwijs in moderne talen te zeer op passief taalgebruik ingesteld om het voor het Europese verkeer toereikend te doen zijn. Actief gebruik voor stellen en spreken —, verlangt echter een geregeld verblijf van voldoende duur in het buitenland. Wanneer men het Esperanto zou invoeren voor dit actieve taalgebruik, zou dit reizen niet noodzakelijk zijn. Deze taal kan men in eigen land goed leren beheersen.

Men ontmoet herhaaldelijk de klacht, dat het met het tot stand komen van Verenigd Europa nog zo stroef gaat. Men denkt nog niet voldoende boven-nationaal en kan de idee der souvereiniteit nog zo moeilijk vervangen door die der coöperatie. Een kracht van beproefde uitwerking is die, welke via het onderwijs de publieke opinie van nieuwe generaties omvormt. Is er een beter middel denkbaar om internationaal te leren denken dan het onderwijs in Esperanto?