is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 50, 20-09-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klop maar op een deur*)

Er zijn, enkele maanden geleden, predikanten, jeugdleiders en anderen geweest, die publiekelijk hebben uitgesproken, dat „ouders en opvoeders” kennis moesten nemen van een in Amerika verschenen, en inmiddels ook in het Nederlands vertaald boek: „Asfaltjeugd”.

Ik heb die adviezen niet begrepen. Want „Asf altj eugd”, dat hetzelfde onderwerp behandelt als het boek, welks titel hierboven staat, doet het in elk geval met een geheel andere intentie.

Beide boeken handelen over de gedérailleerde jeugd van de Amerikaanse grote stad. Over het feit, dat zoveel jonge mensen verworden tot het vuil van de goten, dat op een regendag door de goot heenspoelt of bij andere gelegenheid wordt weggeveegd en dan is de straat weer schoon. Maar „Asfaltjeugd” doet het met grove sensatie, met het etaleren van obsceniteiten en perverse aanduidingen. Niet alleen zal men in het bijna 600 pagina’s tellende boek van Willard Motley, in „Klop maar op een deur” niets van dit alles vinden, ofschoon men dezelfde dingen te weten komt, doch er is iets anders, dat dit laatste boek ver verheft boven het eerste: het is geschreven uit het verlangen om solidariteit te wekken met het geestelijk en zedelijk wrakhout, dat uit de straten van de grote stad aanspoelt op óns nette strand. Het gaat bij Motley niet om de sensatie, maar om de vraag naar de naaste. Om de vraag, wié er eigenlijk vermoord wordt, als zulk een jong leven helaas moet eindigen op de electrische stoel, omdat het een moord begaan heeft. Want, als de hele voorgeschiedenis, die tot de moord op een politieagent drijft, gevolg is van niet-onderkende verhoudingen van milieu, van volslagen gebrek aan werkelijk liefdevolle leiding en van omstandigheden, die zulk een jongen alleen maar verbitteren en in verweer brengen tegen de maatschappij en haar ordeningen moet er dan gestraft worden, per electrische stoel? En mag er gestraft worden, als er weinig of

niet gepoogd is te genezen? Bij wie en waar ligt de verantwoordelijkheid, een groot deel er van althans, dat er asfaltjeugd is? Dit boek heb ik in grote spanning geiezen. Het is op vele bladzijden adembenemend. In de feiten en gebeurtenissen rondom en met Nick Romano, het slachtoffer van de rand van de samenleving in Chicago. En het stelt voor wie via de Kerk bijvoorbeeld zich met mens en jeugd bemoeit, de grote vraag: waarom dan de Kerk, die in de prille jeugd van deze jongen verscheen, niet bij machte is geweest en zelfs geen poging gedaan heeft om dit bestaan te redden van dit ontzettend slot?

Men kan dit boek niet af doen, noch zijn waarde en strekking verminderen, door het op een zijpad te rangeren: „het is in Amerika” of „Rotterdam is Chicago niet”. Wie de moeite eens wil nemen om op een avond een bioscoop te bezoeken in een volksbuurt in Den Haag en Den Haag is Rotterdam niet eens! bij een film, die alle mogelijkheden inhoudt voor agressie en wilde sensatie en dan bovendien dit boek kent, komt tot andere conclusies. Dan blijkt hem, dat asfaltjeugd in Nederland in wezen gelijk is aan asfaltjeugd in Amerika, alleen al bij het zien en zich bewegen van jongelui, „van beiderlei kunne”, in zulk een

bioscoop. Deze ontwortelde jeugd, liever nog: de nooit geleide en gebonden jeugd, moge dan een probleem zijn (geweest) van alle tijden alle tijden hebben helaas om de verantwoordelijkheid van de naaste dikwijls al te zeer heengelopen en daardoor mogelijk wel de jeugd van déze tijd tot haar leven gebracht, dat eigenlijk een lijden is. Zo werd dit boek een felle aanklacht enerzijds, een even felle oproep anderzijds. Het realiseert ons, dat vlak om ons heen en in eigen midden, de ongetelde massa van jongeren verkeert, die, zoals deze Nick Romano herhaaldelijk uitroept, wil léven. En hij wil dat, nu hij ging inzien, dat hij wel veel surrogaat van waarachtig leven heeft moeten nemen, waar het echte hem werd onthouden. Het eerste en voorlopig enig deel van dit waarachtige leven geven wij deze jeugd, wanneer wij haar doen delen in ons begrip, in onze solidariteit en in onze liefde.

„Klop maar op een deur” laat mij niet meer los omdat het mij stelt voor een barre werkelijkheid. N. G. J. V. SCHOUWENBURG

*) Klop maar op een deur, door Willard Motley. Vert. van Hans de Vries, uitg. Zuid-Holl. Ultg. Mij, geb. ƒ10,90. Engelse titel: „Knook on any door”.

naai fonds). In R.K.-kringen gevoelt men meer voor een investeringsfonds per onderneming. Het argument daarvoor luidt, dat daarmede de band tussen de prestatie der arbeiders en de in de onderneming behaalde winst beter blijft bewaard. In democratisch-socialistische kringen acht men die band van minder belang, omdat de vraag of in een onderneming winst wordt gemaakt, niet in de eerste plaats afhangt van de prestatie der arbeiders, maar meer van de conjunctuur en de leidersgaven van de ondernemer. Men streeft daarom een nationaal investeringsfonds na, dat de bestaande onderlinge inkomensverhoudingen der arbeiders niet verstoort.

Behalve de beslissing hierover, zullen nog allerlei andere vragen moeten worden beantwoord. Ik noem bijv.: Wie beslissen over de belegging en het beheer? Hoe hoog zullen de uitkeringen uit de renten en dividenden voor de arbeiders moeten zijn? Genoeg om te doen zien, dat de bezitsvorming heel wat kanten heeft. De juiste weg moet hier nog worden gevonden.

A. A. VAN RHIJN

INSTUIVEN EN UITSTUIVEN

Het zgn. massajeugdwerk, dat in de voorbije zomermaanden zich vooral gericht heeft op kampwerk, is, na een paar weken van noodzakelijke vacantie voor de leiding, weer overal in clubhuizen en jeugdhonken gestart. In Amsterdam is dat van de Herv. Jeugdraad uit gedaan met een paar „Jeugdzorgdagen”, waarop door de leiders en leidsters een spel „De Tunnel” is opgevoerd voor velen, die aan de uitnodiging tot bijwoning van die dagen gevolg hadden gegeven. En intussen gaat het gesprek voort over deze arbeid en de zeer vele vragen die er rondomheen te stellen zijn. Meer en meer blijkt, dat critische bezinning vereist is, niet ten koste van deze arbeid, maar ten dienste van dit werk, want wij, mensen, hebben zo verschrikkelijk de neiging om als iets een beetje loopt meteen er maar van uit te gaan dat het düs wel goed zal zijn ook! Maar dat is niet altijd waar en zeker niet in deze arbeid, die eigenlijk nog maar pós is aangevangen en waarbij zelfs de kwestie van de te bezigen termen een vraagstuk op zich zelf geworden is.

Maar één van de dingen die thans vooral aan de orde zijn, is: wat bedoelen we eigenlijk als we spreken over een „instuif”? Deze vraag is opnieuw en zeer indringend aan de orde gesteld door de heer J. Faasse, clubhuisleider te Rotterdam, in een studie „Clubhuiswerk en Clubhuisjeugd”, verschenen in de sociaal-paedagogische reeks van het Nutsseminarie voor paedagogiek te Amsterdam. Aangezien de heer Faasse op blz. 58 v.v. van deze brochure zich ook richt tegen een door mij in mijn brochure „Massajeugdwerk” gemaakte opmerking, moge ik trachten door een antwoord daarop deze kwestie ook voor de lezers van T. en T. te doen leven. Vooropgesteld zij, dat de heer F. (en meerderen met hem) helaas vergeet dat mijn opmerking tegen de instuif betrekking had op de verzelfstandiging van deze poging om de niet-gegrepen jeugd te grijpen. Na de oorlog begonnen verschillende plaatselijke jeugdverenigingen en andere instanties zó maar een instuif te openen, vooral op Zaterdag- en Zondagavond, en... meer deed men niet. Ik laat geheel daar, dat achter deze instuiverij mede de bedoe-

ling zat om de niet-gegrepen jongeren via die instuif te grijpen voor de jeugdvereniging, een bedoeling die vanzelfsprekend nergens resultaat had; het ging mij toen in mijn brochure alleen om de vraag: is een dergelijke instuif, één- of tweemaal per week, een verantwoorde vorm van massajeugdwerk? Ik meende en meen nog dat het antwoord alleen kan zijn: neen! Met nadruk heb ik in mijn brochure gewezen op het feit dat zó’n instuif een „incidentele liefhebberij” is, en dat de Instuif als „deel van een geheel” wél bruikbaar is. Maar dat geheel ontbrak toenmaals veelszins. En daartegen ging mijn bezwaar en gaat mijn bezwaar nog steeds voor zover er hier en daar in ons land nog dergelijke instuiven mochten bestaan.

Wanneer dan ook de heer F. in zijn geschrift nader ingaat op mijn opmerking, dat de jeugd zich niet laat binden, dan moet ik helaas zeggen dat hij mijn brochure niet goed gelezen heeft. Ik had daar die losse instuiven op het oog, die heimelijk bedoelden de binnenkomende jeugd te binden aan de jeugdorganisatie die er achter stond! En aan die jeugdorganisaties lieten toen en laten ook nu nog de jongeren-van-de-straat zich niet binden. Dat zal de heer F. op grond ook van zijn ervaringen met mij eens zijn. En ik ben het volkomen met hém eens, dat de oorzaak van dat niet-gebonden-willen-zijn niet ligt bij de jeugd, maar in bedoeld geval bij de jeugdorganisaties. Ik hoop dat het misverstand ontstaan door een niet geheel juist lezen van bedoelde bladzijden in mijn brochure nu eindelijk eens uit de wereld geholpen is; het heeft, tegen mijn bedoeling in, al veel moeilijkheden teweeggebracht voor een vruchtbare discussie.

; Inmiddels is de kwestie van de „instuif” reeds geheel anders komen te liggen. Hoe ! dan? Ailereerst, gelijk boven reeds aangeduid, doordat die losse instuiven als inci! dentele pogingen en experimenten vrijwel ; geheel verdwijnen. Gelukkig maar. Ik had , het dan ook niet over „in- en uitstuiven uit het clubhuis”'. Deze laatste drie woor, den voegt de heer F. in zijn meergemelde voortreffelijke studie op blz. 63 toe aan