is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 51, 27-09-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de noodzaak van het grootbedrijf. Het streven naar de meest economische bedrijf sgrootte, die het mogelijk maakt om met een optimale bedrijfsbezetting te produceren, waardoor de kostprijs zo laag mogelijk wordt, leidt tot steeds groter wordende bedrijven, waarvoor dus steeds grotere kapitalen moeten worden aangetrokken. De ondernemer kan deze kapitalen zelf niet langer fourneren, maar moet geldschieters zoeken. Deze geldschieters wensen hun geld zelf te beheren. Zo worden de moderne vennootschappen geboren met de grote aandelen-kapitalen. Wie is dan de ondernemer? De aandeelhouders, de commissarissen, die namens de aandeelhouders controle uitoefenen, de manager (de vroegere ondernemer dus)?

Een ander gevolg van deze tendens naar het grootbedrijf was de combinatiebeweging (kartels, trusts, holding companies e.d.). Dit leidde tot monopolie of tot oligopolie (weinig verkopers) maar in beide gevallen tot een opheffing der vrije concurrentie. In de meeste gevallen bleven enige concurrenten over, die met elkaar een zekere monopolistische of onvolledige mededinging voerden. Van vrijheid was geen sprake meer.

Trouwens deze vrijheid was van nog twee kanten aangerand al, van de zijde der georganiseerde arbeiders en van de overheid. De arbeiders waren in het begin van de negentiende eeuw nog echte loonslaven en de organisaties in vakverenigingen werd op alle mogelijke manieren als strijdig met de vrije concurrentie! tegengewerkt. De eerste vakverenigingen werden nog geen strijdorganisaties, maar voornamelijk bijstandskassen (ziekenfondsen, begrafenisfondsen). Pas tegen het eind der negentiende eeuw komt de vakvereniging als strijdorganisatie op, vergezeld van de arbeiders- of socialistische partijen, die de verworven politieke vrijheid gebruikten om economisch het slavenjuk der uitbuiting door vrije concurrentie te verbreken. Dank zij de strijd der arbeiders werden maatregelen genomen, die een inbreuk betekenden op de vrijheid der ondernemers.

Een sociale wetgeving, omvattende arbeidersbescherming en -verzekering en een uitbouw van het arbeidsrecht was het gevolg. De overheid ging zich wel met het arbeidscontract bemoeien en maakte voorzieningen, die in de richting gingen van de huidige „social security” van de „welfare state”. Maar dit betekende een geweldige inbreuk op de vrijheid der ondernemers, die zelfs de vrijheid ontnomen werd met de arbeiders alleen tot overeenkomst te geraken (Verbindend- en onverbindendverklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten).

Trouwens de overheid greep niet alleen in sociale verhoudingen in, doch bemoeide zich ook met de economische aspecten. Door protectie in het algemeen en door een steeds breder opgezette geleide economie in het bijzonder. Deze geleide economie is niet een soort hobby van een aantal dirigisten of staatssocialisten (niemand weet precies wat dat voor socialisten zijn: een prachtkans voor demagogie!), maar wordt nodig door de opeenhoping van macht in handen van de oligopolisten en monopolisten. Een staat binnen de staat en dwars door de staten heen (internationale kartels en trusts) is nu eenmaal niet duldbaar en dient in elk geval onder controle te staan. Daarbij komt nog, dat het steeds gecompliceerder wordende economische leven, een meer dan partiële kennis vereist, waarover de individuele ondernemer niet kan beschikken.

Resumerend: het verval van het kapitalisme en de overgang van hoog- naar laat-

kapitalisme is te danken (of te wijten als men wil) aan:

1. De ontwikkeling der techniek, die een economische organisatie in de richting van het grootbedrijf noodzakelijk maakte (meest economische bedrijf sgrootte).

2. Het grootbedrijf vereist grote investeringen. Ondernemer en geldschieter kunnen niet meer samenvallen. De moderne vennootschappen, speciaal de N.V.’s met anonieme geldschieters, komen op.

3. De positie van de ondernemer wordt die van de manager, die zelfstandig staat tegenover ondeskundige geldschieters.

4. De vorm van het grootbedrijf roept monopolie- en oligopolievormen op. Er ontstaat een vorm van „geleide” concurrentie.

5. De arbeiders oefenen via vakorganisatie en politieke partij grote invloed uit en vormen een machtspositie, waardoor aan de loonslavernij een einde komt.

6. De overheid grijpt in het sociale leven in door sociale wetgeving en arbeidsrecht en door controle op de arbeidsovereenkomst, ook de collectieve.

7. De overheid grijpt in het economische leven in door geleide economie en controle op monopolistische groeperingen, door een geleide internationale handel en door monetaire controle (credietcontröle bijv.).

Dit alles kan men toejuichen of laken: vaststaat, dat de "wijzers van de klok niet teruggedraaid kunnen worden. Men kan bijv. de arbeiders him rechtspositie niet ontnemen zonder de democratie geweld aan te doen. Men kan de sociale zekerheid niet kleiner maken zonder de arbeidsvrede te verstoren. Men kan de economie niet vrij maken zonder een ernstig evenwichtsverlies te riskeren en uitbuiting der consumenten te bewerkstelligen.

Karl Marx heeft op vele punten ongelijk gekregen. Maar in zijn belangrijkste stelling, nl. dat het kapitalisme moest evolueren tot iets anders, heeft hij glorieus gelijk gekregen. En zo is het laat-kapitalisme, waarin wij ons thans bevinden, geboren. Daarover in een derde en laatste artikel. J. G. v. d. PLOEG

Heerschappij van de angst

De omroep van de Amerikaanse strijdkrachten in Europa zendt iedere week een fantastisch toekomst-hoorspel uit. De voorliefde van de Amerikanen voor dergelijke onderwerpen blijkt hieruit wel heel duidelijk. Van die voorkeur getuigt ook menige film. Jules Verne heeft opgang gemaakt in de nieuwe wereld. Ik denk bijv. aan de interessante rolprent „Destination Moon”. Reeds in de jonge jaren van de film heeft de gedachte van een reis naar de maan de filmmakers trouwens al beziggehouden. Naar het schijnt wordt Amerika echter, meer nog dan door de idee van een tocht van de mens door de ruimte van het heelal, gefascineerd door de huiveringwekkende gedachte van een invasie van bewoners van een vreemde planeet. Jules Veme is overtroefd door H. G. Wells.

In dit verband zou ik de aandacht willen vestigen op een tweetal films van recente datum, nl. „The Thlng” en „The day the World stood still”.

„Het Ding” is een zeer goed geregisseerde en gespeelde film, het verhaal van een vliegende schotel, die neerkomt in de buurt van de Noordpool. Vlakbij is een wetenschappelijk station gevestigd. Samen met een aantal militairen weten de mannen van dit station een in het ijs vastgevroren wezen

van een vreemde planeet naar hun basis te brengen. Maar door een onvoorzichtigheid ontdooit het ijsblok en het monster vlucht na verschillende honden gedood te hebben. Later vermoordt hij ook een van de wetenschappelijke assistenten. Het blijkt dat dit wezen niet uit het dierenrijk, doch regelrecht uit het plantenrijk geëvolueerd is. Kogels kunnen het niet deren. Alleen electrische stroom kan dit plantaardige leven vernietigen. Dit alles weet de film aannemelijk te maken door een zeer reëel beeld te geven van de mensen, die met het monster te maken krijgen. Tegenover elkaar staan de militairen, die ter verdediging van de aarde het wezen willen doden, en de geleerden, die het terwille van de wetenschap ten koste van alles in leven willen houden.

Het conflict is scherp getekend, de fantasie zeer zorgvuldig uitgewerkt. „Het Ding” werd op deze wijze een angstaanjagende film. Het slot, een met klem uitgesproken oproep tot de wereld om naar vliegende schotels en monsterachtige invallers te blijven uitkijken acht ik onverantwoord.

Humaner, doch veel minder overtuigend, is „Toen stond de aarde stil”. Ook hier een vliegende schotel, die echter niet in een onherbergzaam oord, doch midden in Washington landt. Een afgezant van een andere wereld komt de aarde een vredesboodschap brengen. Hij wordt echter op typisch aardse wijze ontvangen: met revolvers en geweren, tanks en kanonnen. De man uit de vliegende schotel blijkt echter goed te zijn voorbereid. Hij heeft een robot bij zich, die met een dodende straal krachtdadig weet op te treden. Ook heeft hij Amerikaans geleerd en dat komt hem goed van pas wanneer aan het einde van de film de voornaamste geleerden van de aarde bijeen zijn en hij hen toespreekt. Hij waarschuwt tegen pogingen om andere planeten te vergiftigen met de haat en heerszucht van de aarde. Wanneer er aan de oorlogen geen einde komt, zal denaarde worden vernietigd....

Achter deze beide films staat, naar ik meen, een heerschappij van de angst over de moderne mens, die zowel een maatschappelijke als een geestelijke wortel heeft. Een grote rol speelt ongetwijfeld de angst voor een derde wereldoorlog, die de beschaving vernietigen zal. De experimenten met atoomwapens en straalvliegtuigen houden de wereld van dag tot dag in spanning en herinneren ons op beklemmende wijze aan het verhaal van de „Zauberlehrling”, die wel de natuurkrachten wist op te roepen, doch ze niet vermocht te beheersen.

De diepere geestelijke achtergrond van dit alles ligt hierin, dat de 20e eeuwer niet meer het ongeschokte zelfvertrouwen bezit, dat de 19e eeuwse mens kenmerkte. Ver zijn wij doorgedrongen in de oneindige ruimte en nu komt het moment, waarin wij ons realiseren hoe leeg en hoe koud dit heelal is. De moderne mens denkt zich een heelal zonder God en zonder engelen. Maar dan komen de angst en de verbeeldingskracht om deze leegte weer te vullen met de lugubere gestalten van een soort gestroomlijnde mythologie: robots. Marsmensen enz. In het verhaal van „Toen stond de aarde stil” ontdekten wij zelfs een element van messianisme, de man uit een andere wereld, die de aarde tot vrede komt dwingen. Wat goedkoop is overigens

(Vervolg op pag. 8)