is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 52, 04-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ Een tweehonderdjarige

Laat ons, zij het wat laat, onze sympathie betuigen jegens ~De Leeuwarder Courant”, die onlangs een groot feest gaf, omdat hij twee honderd jaren bestond.

Twee honderd jaar is véél in het leven van een courant. Als ik wel heb, is er geen enkel dagblad in Nederland, dat er op kan bogen zó lang zelfstandig en onafhankelijk als nieuwsblad bestaan te hebben.

Ter gelegenheid van dit feest is een gedenkschrift uitgegeven, waarin jhr J. W. J. Witsen Elias de interessante geschiedenis van de krant-zelf schreef en J. Piebenga een cultuurgeschiedenis van Friesland gaf en de rol van de Leeuwarder Courant daarin bepaalde. Vooral om dat laatste artikel is het jammer, dat dit boek niet in de handel is. Menig Hollander zou er door kunnen begrijpen, wat het eigenlijke pathos van de Friezen is, wanneer zij het eigene bewaren en verdiepen willen.

Dit feit en dit boek intussen heeft ons aan het denken gezet over de rol van de pers in ons persoonlijk en maatschappelijk leven.

Wat de „Leeuwarder Courant” aangaat: hier zien wij een ontwikkeling van nieuwsblad voor de weinige geletterden, tot een dagblad, eerst voor de notabelen van Friesland, liberaal, zelfbewust, gedegen, vervolgens voor de „middenstof” der bevolking met een zekere hang naar „neutralisme”, om daarna, na de oorlog, beïnvloed door de Nederlandse Volksbeweging, een blad te worden met een duidelijke lijn, nl. niet partij gebonden, maar open voor christendom en beslist progressief. Een blad, waarin de schrijvers der hoofdartikelen (nog altijd op de eerste pagina!) hun stukken ondertekenen. Een blad dat meer dan een ander in Nederland een goed overzicht geeft van wat in andere kringen leeft. Wij zijn meermalen verheugd geweest, dat daarbij ook „Tijd en Taak” niet vergeten werd.

Nu begrijpen wij onmiddellijk: dit kè,n in Friesland. Een Fries wil met intelligentie en met overtuigingskracht een mening voorgedragen krijgen. Hij wil zijn mening daaraan toetsen. Het gaat hem natuurlijk om nieuws uit de buurt, om de advertenties, om de verkopingen, maar hij wil ook weten, wat achter „de grote gebeurtenissen” zit. Daarover wil hij denken en een Fries denkt met het hart. Daarom heeft Friesland een krant, zoals men elders niet vindt.

Zo zijn wij gekomen tot het eerste, wat ik aan deze herdenking verbinden wilde, nl. tot het constateren, dat iedere volksgroep de krant heeft, die hij verdient. En dat de krant een van de uiterlijke tekenen is, waaraan men een groep kan bestuderen.

Niet andersom. Het is niet zo, dat de krant een groep als het ware geestelijk en cultureel kneedt. Een krant wordt méér bepaald door de lezersgroep, voor wie ze geschreven wil zijn, dan andersom. Deze groep begeert niet alleen zijn meningen, maar ook zijn klimaat, zijn pathos in zijn krant te vinden. Men wordt bijvoorbeeld geen borstbehaarde puber, door „De Telegraaf” te lezen. Men is het, en daarom voelt men zich in dit „onafhankelijke” blad (onafhankelijk als een ouderwetse loteling, die straks recruut wordt en nooit veel verder komen zal, maar een beetje boven zijn theewater raakt als hij denkt aan het nieu-

we leven dat hij tegemoet gaat en daarom zulke onbeheerste gebaren vertoont en zulke rare dingen zegt) ik zeg: daarom voelt zo iemand zich in dit „onafhankelijke” blad thuis.

De „Leeuwarder Courant” is een product van Friesland en de bekwaamheid van zijn eigenaars was, dat dit blad zonder slaaf te worden van zijn lezers toch al dienende hun geestelijke en sociale behoeften openbaar maakte en bevredigde. Zonder, vooral na de oorlog, het eigen gezicht te verliezen.

Een tweede opmerking is deze: zulke bladen zijn nodig en moeten ook door socialisten worden toegejuicht.

Jawel, maar hoe zit het met de partijpers? Moet elke socialist, vooral de aangeslotene, maar ook de bewust-stemmende, niet geabonneerd zijn op de officiële partijkrant?

Wij raken hier een moeilijke kwestie. Onze krantenwereld is niet meer te denken zonder partij pers. Zonder een krant, waarvan de hoofdredacteur verantwoording verschuldigd is aan het lichaam, dat hem benoemde, nl. het partijcongres. Zulk een krant is een bindmiddel, geeft scholing en schept sfeer. Het is goed, dat zulk een krant er is.

Maar nu kan men hoog of laag springen, een feit blijft, dat er duizenden in Nederland zijn, die de zaak van het socialisme warm zijn toegedaan, maar die aan het klimaat van een partijgebonden blad niet kunnen wennen. Welnu, laat men dan blij zijn, dat er bladen bestaan, die niet in een angstig neutralisme nét doen of er geen warm gevoel voor progressieve democratie mogelijk is, maar die het democratisch socialisme in ernst nemen, het verdedigen tegen aanvailen, maar tevens onafhankelijk staan tegenover het officiële apparaat.

Voor 1940 was er één socialistisch dagblad. De rest was rooms-katholiek, protestants-christelijk of burgerlijk, al of niet officieei liberaal. Die tijd is voorbij. Er zijn gelukkig thans bladen, die, onafhankelijk, toch open staan voor de grondgedachten

van het democratisch socialisme. Dat is vooruitgang.

Een derde opmerking: de afstand tussen de grote, over het gehele land verspreide pers en de regionale pers wordt aanzienlijk geringer. Zie ik het goed, dan is de grote dagbladpers aan zijn grens. Naarmate de communicatiemiddelen (telex) beter worden en het grote nieuws (zij het dan niet zo uitgebreid) niets later komt in Leeuwarden dan in Amsterdam, zal de noodzaak om een groot blad te lezen beperkt blijven tot bepaalde groepen. Dat is één van de redenen, waarom „Het Nieuws van de Dag”, voor 1940 zeer ruim verspreid over heel Nederland, niet meer er in kan komen. Zulk een blad kan zich nooit heiemaal aanpassen bij het eigene van een bepaalde streek en terwille van de snelheid van de berichtgeving behoeft men zulk een blad niet meer te nemen.

Maar als dan voor de regionale dagbladpers een grote taak is weggelegd nl. uitdrukking geven aan wat leeft, maar ook verderleiden dan is er geen enkeie reden om de neus op te halen voor een „provinciaal blaadje”. Integendeel, laten wij de betekenis ervan niet enderschatten.

De relatie tussen de lezer en zijn krant is van een bijzonder soort. De krant behoort tot de onmisbare dingen van het moderne leven. Hij bepaalt het klimaat van het uur. Zoals koffie dat doet ’s morgens half elf. Hij bepaalt de sfeer van de huiskamer. Gelijk de prent aan de wand en het harmonium in de hoek. Hij verlost de kleine mens uit zijn eenzaamheid en geeft hem een verbondenheid, die daarom zo aangenaam is, omdat ze tot niets anders verplicht dan tot het betaien van leesgeld. Dat alies maakt het dagbladbedrijf zo boeiend.

Het dagbladwezen zou niet ontstaan zijn, wanneer het niet ook een bron van inkomsten was. Het exploiteren van cultuur is een gevaarlijke zaak. Het compromis, de karakterioosheid of de starheid liggen voortdurend op de loer. Wanneer er bladen zijn, die, wel is waar uit motieven van exploitatie begonnen, door de loop der eeuwen heen, èn in hun juridische vorm èn in hun uitingswijze getoond hebben tot dienst bereid te zijn, dan is dat een zaak om zich over te verheugen.

Daarom hebben wij bij het jubileum van de „Leeuwarder Courant” warme gevoelens gehad. L. H. R.

Z/)h wij nog kapitalistisch ?

3

Over het wezen van het kapitalisme bestaat veel onklaarheid, vooral bij hen, die niet thuis zijn op economisch-wetenschappelijk gebied. Daarom is in het vorige artikel een omschrijving gegeven van het kapitalisme in zijn verschillende phasen. Meestal bedoelt men met kapitalisme hoogkapitalisme en geconstateerd is, dat dit kapitalisme in verval is geraakt. Thans bevinden wij ons in de phase van het laatkapitalisme.

Het laat-kapitalisme.

Wat zijn nu de eigenschappen van dit soort kapitalisme? Hiervoor is dit reeds grotendeels aangegeven. Hier moge dus volstaan worden met een korte opsomming van een aantal hoofdkenmerken;

1. De vrije concurrentie is niet langer de normale marktvorm. Ook het monopolie is dit niet, maar een tussenvorm, onvolmaakte of monopolistische concurrentie.

Men concurreert nog wel, doch binnen bepaalde, al of niet nadrukkelijk aangegeven grenzen. Prijsconcurrentie doet zich slechts zelden voor. Wel een kwaliteits- of een service-concurrentie. Een sprekend voorbeeld zijn de oliemaatschappijen.

2. De ondernemingen worden geleid door deskundige managers, die niet principieel verschillen van de arbeiders. Zij zijn niet de eigenaren van de ondernemingen, waarin zij werken. Hun deskundigheid steekt sterk af bij de ondeskundigheid van de kapitaalverstrekkers (aandeelhouders) en de arbeiders. Deze managers blijven ook als de onderneming zeive genationaiiseerd wordt.

3. De onoverzichtelijkheid van het totale economische leven, de wisselvalligheid der conjuncturele wisselingen, de enorme structurele wijzigingen in de wereld die aiie ontnemen ook aan de manager dat inzicht, dat vroeger voor de ondernemer