is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 54, 18-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mens en medemens

Kleine aantekeningen by hyljellectuur.

Den Joden als een J00d... (1 Oor. 9 : 20). Ik kan het niet helpen, maar ik heb dit woord van Paulus nooit zo helemaal kunnen bewonderen. Ik begrijp hoe verstandig, ja zelfs hoe noodzakelijk het was, dat hij zijn prediking iedere keer af stemde op zijn gehoor, en dus voor een Joods publiek anders sprak dan voor mensen die in een geheel ander cultureel en religieus klimaat waren opgegroeid.

„Den Joden als een Jood; hun die zonder wet zijn, als zonder wet”; er staat immers bij, dat het gedaan wordt om zowel Joden als niet-Joden voor het Evangelie te winnen.

Aanpassing, heet dat in de tegenwoordige tijd; aanpassing, waaraan niemand zich onttrekken mag die iets tot stand wil brengen, en oog heeft gekregen voor de geweldige psychologische verschillen die er tussen mensen en mensengroepen bestaan. Maar... ligt hierin voor de Evangelieprediker nu toch niet een gebrek aan fierheid; erger, een gebrek aan waarachtigheid? Men maakt toch geen reclame, nietwaar, men voert ook geen propaganda, men wil spreken van de levende Heer; moet dat dan zó?

Onlangs hoorde ik een verslag aan over een society-huwelijk. Het jonge paar niet gelovig, familie en vrienden die nooit in de kerk kwamen, maar men stelde toch prijs op het „stijlvolle” van een kerkelijk huwelijk. En maakte zich dus op om de trouwpreek beleefd uit te zitten. Maar laat nu die predikant zo fantastisch boeiend hebben gesproken dat al die deftige onkerkelijke mensen luisterden!

Uit de toon van de verteller klonk plezier om het min of meer komieke van de situa-

tie, maar ook bewondering voor de geslaagde stunt.

Vraag: had nu die man het Evangelie verlaagd tot het onderwerp van een vlotte speech, die er bij dit publiek wel in ging? Of was hij op een verantwoorde manier „den Joden als een Jood, en hun die zonder wet zijn, als zonder wet geworden”?

Ik ben er niet bij geweest. Wel ben ik overtuigd, dat er in het streven naar aanpassing aan wat de andere begrijpen kan (en slikken wil!), toch een ernstige verleiding ligt, ook voor de oprecht gelovige, die misschien meent uit bewogenheid-om-deander te handelen. Want wie zal uitmaken waar het verlangen om in die ander iets te wekken ophoudt, en het kleingelovig jagen naar succes begint?

Maar omgekeerd weet ik hoe groot de verleiding is, om anderen „éérst” ons uitgangspunt op te dringen, eerst onze denkwijze, onze termen en voorstellingen te doen aanvaarden, voor wij bereid zijn tot een wezenlijk gesprek. Ik geloof after all, dat dit weinig met fierheid van karakter en weinig met waarachtigheid te maken heeft (al maken wij dat onszelf wijs), maar dat het eenvoudig een kwestie van liefdeloosheid is. ledere keer dat wij wérkelijk door liefde bewogen worden liefde die immers uitgaat naar de ander, hem opzoekt, naast hem gaat staan —, vinden wij ook de manier om „den Joden als een Jood” te zijn, zonder in iets aan de toevertrouwde waarheid te kort te doen. Niet het verlangen dat ons getuigenis gehoord zal worden, geeft de doorslag; niet de „methode”, die met de psychologie haar voordeel heeft gedaan; zelfs niet het geval van verantwoordelijkheid voor de naaste. Alléén de

liefde, die een „vrucht van den Geest” is, zoals het heet in Gal. 5 : 22.

En nu meen ik ook eensklaps iets meer te begrijpen van het Pinksterverhaal, en van het talenwonder, waarover uitleggers zich zo vaak het hoofd hebben gebroken. „Zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileërs?”, zegt de toegestroomde menigte uit alle volken onder de hemel, die in Jeruzalem bijeenwaren. „En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal?” „Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken.”

Dat is eigenlijk zo vreemd niet. In het voorafgaande vers (Hand. 2 : 4) kan men immers lezen dat de gelovigen „vervuld werden met den heiligen Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.” De Geest kan een manier van spreken geven, die door de hoorder wordt verstaan. Waar het niet uit de heilige Geest en uit de liefde is, daar is de „aanpassing”... misschien succesvol, maar zéker onvruchtbaar.

M. H. V. d. ZEYDE

Herinnering aan mej. Knappert

Het zal ongeveer in 1916 geweest zijn. Mej. Knappert was toen directrice van de School voor Maatschappelijk Werk, ik was er leerlinge. We volgden daar o.a. een cursus in handenarbeid, waar we platen inlijstten. Ik had gezien, dat in één der lokalen de 1 Mei-plaat van Walter Crane hing, maar onopgeplakt en met overal inscheuringen en omkrullingen aan de kanten. Het leek me gewenst, dat die plaat eens een opknapbeurt kreeg op onze cursus. Ik ging dus naar mej. Knappert om haar permissie daartoe te vragen. Ze zat te schrijven aan haar bureau, maar bij het horen van mijn vraag, schoof ze met een ruk haar stoel naar achteren en zei ze heftig: „Die plaat hangt er niet meer en zolang ik in dit gebouw wat te zeggen heb, komt hij er ook niet meer!” Waarop ik schuchter antwoordde: „Maar ik dacht, dat u nogal „rood” was.” „Dat ben ik ook, maar toch komt die plaat hier niet meer. Het is een Engelse plaat met oorspronkelijke Engelse opschriften op de vaandels. En nu hebben de Duitsers die plaat geannexeerd en er Duitse opschriften op geschreven. Dat vloekt met elkaar. Maar het ergste is, dat ze het woord „godsdienst” er uit geschrapt hebben. Het Engelse socialisme heeft een godsdienstige achtergrond; predikanten hebben de beweging mee opgericht; het Duitse socialisme daarentegen is a-religieus. En je zult zien: de Engelse socialisten houden stand in moeilijke tijden, want ze hebben een houvast, de Duitse socialisten laten zich wegvagen, want ze hebben geen morele achtergrond, die hen schraagt. Wij moeten het gezicht wenden naar Engeland, niet naar Duitsland. Als je een oorspronkelijke plaat van Walter Crane met Engelse opschriften kunt vinden, mag hij hier weer hangen, maar deze Duitse versie in geen geval.”

Als vaak was deze uitspraak van juffrouw Knappert wat te veel zwart-wit. Maar ik heb er toch dikwijls aan moeten denken, o.a. toen de republiek van Weimar in elkaar stortte, veel Duitse socialisten met Hitler meegingen, enz. En aan de andere kant, toen de Engelse Labour Party India en Pakistan de vrijheid gaf en zoveel meer deed, dat een voorbeeld voor de wereld genoemd mocht worden van menselijkheid en rechtvaardigheid.

C. MEURSING

ken, kan men de productiemiddelenindustrie in de Sowjet-Unie in twee hoofd-categorieën indelen: de „zuivere” bewapeningsindustrie, die uitsluitend oorlogsmaterieel produceert en de overige industrie, die weliswaar vredesindustrie is, maar toch al zo werd opgezet, dat ze van het ene moment op het andere kan worden omgeschakeld op oorlogsproductie.

De machine-industrie lijkt op het eerste gezicht een vredesindustrie, maar negentig procent van de geproduceerde machines dienen voor de inrichting van bewapeningsbedrijven. In September 1939 werd zelfs deze tweede categorie van de industrie, die tot nog toe zij het meer slecht dan goed gewerkt had aan de productie van verbruiksgoederen, totaal ingesteld op de mobilisatieplannen. Zij werkte van toen af uitsluitend voor de oorlog.

In dezelfde tijd maakten de studenten van ons Instituut voor Industrie en honderden van de grootste bedrijven in alle delen van de Sowjet-Unie hun practische opleiding door. Overal hetzelfde beeld

Toen de oorlog uitbrak, werden de soldaten met oude, volkomen ondeugdelijke uitrustingen naar het front gestuurd; het ontbrak zelfs aan de zeer goede geweren model 1891. Tegelijkertijd lagen dozijnen millioenen complete, zeer moderne uitrustingen, geweren en automatische wapens in zorgvuldige, duurzame verpakking in verzegelde magazijnen. Dit materieel was al van te voren voor de derde fase van de oorlog bestemd. Als de opmars van de Duitsers sneller was, dan in de plannen van het

Kremlin was voorzien, kwam het wel voor, dat zulke magazijnen in brand werden geschoten of in handen van de Duitsers vielen, maar in gejen geval werden zij voor de vastgestelde tijd aan de troepen uitgedeeld

Hoe verder het Rode Leger in de „derde fase” naar het Westen oprukte, des te meer eerste klas uitrustingen, die in de Sowjet-Unie waren geproduceerd, doken er aan het front op. Voor de stafofficieren was het geen geheim, dat in het jaar 1945 reusachtige massa’s wapens aan het front kwamen, waarvan een groot deel een vooroorlogs productiemerk droeg.

Daar het Kremlin echter in het begin zijn mensen minder had gespaard dan zijn materieel, werd tegen het einde van de oorlog het gebrek aan soldaten onaangenaam merkbaar. Bovendien kon de niet „oorlogsbelangrijke” industrie niet meer voldoen aan haar opgaven, zodat het tekort aan transportmiddelen en andere „voor de oorlog onbelangrijke kleinigheden” in de „derde fase” katastrofaal werd, terwijl tanks en vliegtuigen van Russische makelij in voldoende voorraad aanwezig waren. De meeste transportmiddelen daarentegen waren van Amerikaanse herkomst...”

In een volgend artikel hopen wij opmerkingen over de andere fasen van de oorlog weer te geven. j. h.

1). Gregory Klimow: Berliner Kreml. Verlag Kiepenheuer, Witsch en Go. Köln—Berlin, 1952 (met een voorwoord van Ernst Reuter, burgemeester van Berlijn).