is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 54, 18-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de winteravond

(N.a.v. de Dickens-uitgave door het Spectrum.)

De getrouwe boekenvriend kan ook in de zomer niet zonder boeken, maar voor menigeen is toch met het korten der dagen de tijd gekomen voor het boek en in het bijzonder voor de breed-ademende roman. Ik beklaag evenzeer de mensen die alleen maar romans lezen, als de mensen die geen romans lezen. Te vrezen is slechts dat beide groepen niet te overtuigen zijn van him ongelijk.

Ik althans zal het niet proberen. Maar wel veroorloof ik me de vrijmoedigheid om de lezers van romans een goede raad te geven. Vindt u niet, dat wij allen te zeer bezeten zijn door een onwijs modernisme. We zijn zo bang „niet bij te zijn”, dat we steeds de laatste roman willen gelezen hebben en daardoor missen we veel. De waarlijk grote roman is zeldzaam genoeg, en het Is eenvoudigweg niet aan te nemen dat er elk jaar een lading meesterwerken op de wereldmarkt verschijnt. Dit blijft onwaarschijnlijk, ondanks de schallende stem der reclame. Het eerste gevolg is dat we allerlei eendagsvliegen gretig verslinden (vergeef de onsmakelijke beeldspraak!) in de beperkte tijd dat we een meesterwerk kunnen genieten. Een ander gevolg is, dat we onze smaak niet vormen, maar integendeel bederven. Nu koesteren we weliswaar de illusie, dat we door moderne romans te lezen onze tijd beter leren verstaan. Ik zal het niet helemaal ontkennen, maar de winst lijkt me gering, afgemeten aan het verlies dat we lijden. Een groot Engels criticus heeft geschreven: „Een roman kan niets bewijzen; een roman kan niet aantonen, dat iets hervormd moet worden; een roman ontroert ons”. (Montgomery Belgion). Ik geloof dat de stelling juist is, als men leest in plaats van roman „een goede roman” en men anderzijds erkent, dat door te ontroeren een roman bewijskracht heeft.

Daar moet dan nog aan toegevoegd worden, dat als de roman ons iets bijbrengen kan, het de kennis is van het menselijk hart en zijn wederwaardigheden en dat deze kennis ruimschoots aanwezig is in de grote roman aller tijden en daar gemakkelijker opgenomen wordt dan in een moderne roman, waar de kijk op de menselijke vrijheid belemmerd wordt door het moderne décor. Ik bepleit dus, dat zonder de moderne roman te verwaarlozen, wij deze Winter onze achterstand eens inhalen op het gebied van de ouderwetse roman, waarbij we het ontzaglijk voordeel genieten, dat de tijd voor ons het goede werk uit het leesvoer geschift heeft. Tegen één vooroordeel moeten we ons echter vanaf den beginne wapenen: mag er in wetenschap en techniek vooruitgang zijn, in de kimst is hiervan geen sprake. Rembrandt mimt niet alleen boven zijn tijdgenoten, maar ook boven de onze uit. En daarom moeten we ons niet verkijken op een enkele onhandigheid van een oude schrijver in de verhaaltechniek, om te besluiten tot een neerbuigend waarderingsoordeel in de geest van: „Wel aardig voor die tijd”. Speciaal op één bezwaar zou ik willen wijzen: men noemt oude auteurs al te vlot langdradig. Vanzelfsprekend is deze grief soms gerechtvaardigd, zo goed als bepaalde uitweidingen in moderne romans een latere tijd ontoelaatbare verlengstukken zullen lijken. Maar vergeten we niet, dat wij een haastig slag mensen zijn, wij, die horloges hebben met secondewijzers; dat

elke roman het van de uitwerking moet hebben, daar hij immers onver ander lijk samengevat kan worden in de simpele regel: ~Zij werden geboren, zij leden en hadden lief en ten slotte stierven zij”; dat een liefdevol zich willen verzinken in andermans levensavontuur de eerste vereiste is voor een goede lezing van een roman en dat dit tijd vergt; dat één grote gedetailleerde roman een voller genieting geeft dan drie korte haastig-genoteerde kleine romans en dat ten slotte het verwijt van langdradigheid vaak een bewijs is van onmacht tot concentratie en onvermogen om zich in andere tijden en andere mensen anders dan oppervlakkig te verdiepen.

Dit pleidooi geldt voor onze vaderlandse auteurs; er zijn mensen in Nederland die wel Jan de Hartog maar niet mevr. Bosboom—Toussaint kennen en van haar „Delftsche wonderdokter” nooit gehoord hebben. Over barbaren gesproken!

Herfstwolken

Maar we zouden het hebben over de romans van Charles Diakens (1812—1870) en daar is reden toe, nu een nieuwe vertaling van zijn romans bezig is te verschijnen en tegen heel lage prijs ter beschikking staat. Geen kieskeuriger volkje dan dat der literatoren, nochtans Diakens wordt genoten door de argeloze lezer en door de literaire fijnproever. Ziedaar in een enkele aanwijzing het geheim van Diakens. Er zijn schitterende analyses geschreven van zijn compositievermogen, die overtuigend bewezen hebben hoe voortreffelijk vakman Diakens was, maar zijn enthousiaste, meedeelzame, licht-ontvlambare hartelijkheid is wellicht de diepste grond van zijn eigenaardig genie. Het is tevens de ziel van die eigenaardige stijl, waarvan hij de grootmeester is; ik bedoel de humor. De humor is heel wat anders dan het komische. Het is niet lachen uit superioriteitswaan („zo stom ben ik niet!”), niet uit wraakzucht of leedvermaak. Het is een lachen uit medelijden met de anderen èn met zich zelf. Het is een lachen dat vlakbij huilen ligt, maar toch is het een echt lachen, dat soms tot een uitbundig, bevrijdend gebulder kan overgaan. Het is even moeilijk te definiëren