is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 55, 25-10-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Europa in opstand

Het Amerikaanse spel der vergissingen

Ons respect voor het inzicht in politieke zaken, waarvan Stalin regelmatig blijk geeft, gaat niet zo ver, dat wij de Russische staatsman de alwijsheid wensen toe te dichten, waarin de Russische (en andere) communisten geloven. Niettemin heeft één uitspraak van hem zich in onze gedachten vastgehaakt; nl. die, waarbij hij als zijn overtuiging geeft, dat de verdeeldheid tussen de kapitalistische landen steeds groter zal worden; zo groot zelfs, dat de tegenstelling oost-west er door op de achtergrond zal geraken.

Amerikaanse blunders

Het is nl., alsof de Amerikanen, sinds deze opvatting van Stalin bekend geworden is, alles op alles zetten om haar waar te maken. Het protest van de ambassadeur in Nederland naar aanleiding van het veel gewraakte Haagse toneelstuk is er een gering voorbeeld van, evenals de campagne tegen Charlie ChapUn,- en de moeilijkheden, die Denemarken in de weg gelegd zijn, toen het een reeds lang overeengekomen leverantie van schepen aan Rusland ging waarmaken. Het schandaal rond de Duitse terroristische organisatie, die met Amerikaanse steun kon werken, en wier doel het was naast voorbereiding van verzetsactiviteit wanneer West-Duitsland door de Russen zou worden bezet, zoveel mogelijk potentieel landverraderlijke elementen te liquideren, is erger (landverraderlijk naar de opvatting van haar bestuur, die daartoe ook een aantal prominente socialistische leiders in staat acht).

De botte weigering om Engeland te laten deelnemen aan het defensie-overleg voor het Pacificgebied was een klap in het gezicht van elke Engelsman. Het feit, dat de Amerikaanse ambassadeur te Parijs een vergissing heeft begaan door een niet voor Franse ogen bestemde en voor Frankrijk hoogst onhoffelijke instructie in zake de besteding der defensiegelden aan premier Pinay te overhandigen, heeft Frankrijk in rep en roer gebracht. Deze blunder had één voordeel: hij bood Pinay de gelegenheid voor een fiere, onafhankelijke houding, die hem in Frankrijk zelf veel goed gedaan heeft. Hij heeft het stuk teruggegeven. Dit laatste voorval was zoals gezegd een vergissing, maar één die onthullend is voor de wijze, waarop de Amerikanen bij voorkeur de Europese zaken zouden willen behartigen. Typerend is bovendien de graagte, waarmee vrijwel het gehele publiek op dergelijke voorvallen af vliegt. Hier protesteert de bedeelde, want zo voelt het door Amerika gesteunde Europa zich ongeveer. Thans is het reeds zo ver, dat deze emotie politieke vorm zoekt.

Adenauer betrapt

Een tweede, voor alle West-Europeanen eveneens geladen kwestie, is nog steeds de Westduitse houding. Het verzet en de afkeer tegen de prestaties van Adenauer en zijn vrienden neemt nu weer hand over hand toe. Dit verzet past bij dat tegen Amerika. Het Duitsland van Adenauer is te zeer een Amerikaans product om zoiets te vermijden. Voor het ogenblik maakt de

Duitse kanselier het nog al bont met de Saarkwestie. De pseudo-onafhankelijkheid, desnoods de politieke Europeanisering van het Saargebied (ais de economische voordelen maar behouden blijven), is voor Frankrijk van aanzienlijke practische betekenis. Het Saargebied met zijn zware industrie in Duitse handen zou het Westduitse overwicht in West-Europa te gemakkelijk maken. Ondanks een plan-Schuman, want tenzij spoedig wordt overgegaan tot een zeer ver gaande politieke versmelting der Westeuropese staten, kan de kolen- en staalgemeenschap nog weinig doen tot vervaging van de werkeiijke machtsverhoudingen. Het directe twistpunt is heden ten dage of de Fransen de tot nog toe verboden partijen in het Saargebied weer zullen toelaten. Tot deze groep behoort de Saarlandse C.D.U. Adenauer heeft altijd nadrukkelijk verklaard, dat de Fransen deze partijen niet moeten zien als instellingen, die eigeniijk van Westduitse makelij zijn en derhalve zonder beding zouden streven naar aansluiting bij West-Duitsland. Maar de vertegenwoordiger van de Saarlandse groep op het C.D.U.-congres te Berlijn, een dr Ney, heeft in puur enthousiasme verklaard: „Gij (dat wil dus zeggen gij, West-Duitsers) hebt bondskanselier Adenauer en wij aan de Saar willen hem ook hebben!” De geestdrift over deze verklaring was groot onder de deelnemers aan het congres, maar Adenauer moet er woedend over zijn. Hij werd er door in zijn hemd gezet. Zonneklaar is nu gebleken, dat Adenauers geruststellende woorden tegenover Frankrijk van weinig reële betekenis zijn.

De twee Edouards

Het is dan ook niet verwonderlijk, gezien al deze voorvallen der afgelopen weken en dagen, dat de Franse radicalen, in congres te Bordeaux bijeen, een eerste bijdrage hebben willen leveren voor een onafhankelijker en vooral zelfbewuster Westeuropese politiek. De grijze staatsman Edouard Herriot, als Kamervoorzitter de op een na belangrijkste burger van Frankrijk, heeft te zamen met oud-premier Edouard Daladier de aanval ingezet. Hij richtte zich tegen het moeilijkste punt der Europese samenwerking, nl. de defensiegemeenschap, en de daarbij behorende Westduitse deelneming. Frankrijk is nl. niet alleen bevreesd voor West-Duitslands economische macht, maar minstens evenzeer voor een nieuw Westduits leger, dat maar al te snel het belangrijkste element in de Westeuropese verdedigingsorganisatie zou kunnen worden. Zijn verklaring, dat het desbetreffende verdrag in strijd is met de Franse grondwet is vooral zo belangrijk, omdat Herriot als Kamervoorzitter de ratificatie er van kan tegenhouden. Herriot heeft meer grote woorden gebruikt. Hij kon niet instemmen met het verdrag van het Europese leger, waardoor, dat suggereerde hij ongeveer, de Amerikanen Frankrijk ter dood zouden veroordelen.

Herriot en Daladier beiden zinspeelden voorts op de mogelijkheden, die Frankrijk wellicht heeft om een bemiddelende rol te gaan spelen tussen oost en west.

En Europa’s samenwerking?

Er valt nog moeilijk te zeggen, in hoeverre deze actie de Europese defensiegemeenschap in gevaar brengt. Mede gezien het feit, dat het congres de opvattingen van. Herriot en Daladier niet zonder meer heeft overgenomen, doch er enkel naar verwezen heeft in een resolutie, is er grond voor het vermoeden, dat de Fransen op deze wijze trachten de Amerikanen onder

daarbij te bedenken, dat het C.N.V. op principiële gronden geen personeelsvergadering in zgn. unie-verband wenst.

In „De Vakbeweging” van 23 September 1952 erkent de voorzitter van de A.N.A.8., dat fout gehandeld is door de christelijke bond niet in het overleg te betrekken. Uitgaande van de gedachte, dat in protestantschristelijke kring het gezegde „het boetekleed ontsiert de zondaar niet” toepassing vindt, heeft de A.N.A.B. na het uitbreken van de staking alsnog de medewerking van liet gevraagd. Dit mocht evenwel niet baten.

In „De gids” (orgaan van het C.N.V.) van 23 September 1952 is een artikel opgenomen, met als opschrift „Ouderwetse staking”. Daarin wordt betoogd, dat deze staking het gevolg is van de liberale opvattingen van de werkgever en het syndicalisme van het N.V.V. Het thema is bekend: volgens het C.N.V. zijn alle stakingen in het verleden het gevolg van de houding van de liberalen en de socialisten.

Het christelijke beginsel voert uitsluitend langs de weg van het overleg. In het geval van „De Ommelanden” geeft dit beginsel geen oplossing van het probleem. De vraag rijst dan, wat moet er in een dergelijk geval gedaan worden? Het antwoord van het C.N.V. op deze vraag luidt: „Niet alle middelen om langs vreedzame weg geschillen te regelen waren uitgeput. De Arbeidsgeschillenwet is er, in geval van gevaar voor verstoring van de arbeidsvrede, ook nog.” Dit wordt gezegd op het moment, dat de staking reeds een feit is. Indien men van NW-zijde wijst op de bijzondere situatie, waardoor een staking niet kon worden voorkomen, dan is het antwoord van het CNV, dat het NW te veel rekening

houdt met de zgn. EVC-mentaliteit onder bepaalde groepen van arbeiders.

Vergeten wordt, dat in geval de arbeiders niet meer hebben gevraagd, dan hun volgens de regeling, die door het college van rijksbemiddelaars voor de zuivelindustrie is goedgekeurd, rechtens toekomt. Dit wordt een ouderwetse staking genoemd. Inderdaad, de houding van de werkgever doet in 1952 wel wat vreemd aan. Het NW is nog, evenals vroeger, bereid, zo nodig door strijd, voor de belangen van de arbeiders op de bres te staan. Het CNV is ook nog dezelfde, dat wil zegzen niet steeds in staat om „het beginsel” in de practijk toe te passen. Maar de zaak, waar het hier om gaat is: „de vraag of er ook aan deze fabriek in de toekomst recht zal worden gedaan en of er sociale gerechtigheid zal zijn voor een paar honderd arbeiders, dan wel, of een toestand van volstrekte willekeur en rechteloosheid, van schending van mens en menselijkheid zal worden voortgezet”, aldus de voorzitter van de A.N.A.8., de heer J. Lageveen.

Daarbij dient men voorts te bedenken, dat het plicht kan zijn ter bestrijding van deloyale concurrentie tegenover haar zusterfabrieken, „De Ommelanden” te dwingen toe te passen, wat anderen al jaren doen.

Men kan en moet eerbied hebben voor het christelijk beginsel van het CNV. Maar dan kan men het daarom te meer betreuren, dat de scheiding van groepen arbeiders in minstens drie organisaties telkens weer tot gevolg heeft, dat de belangen van de arbeiders niet op de juiste wijze worden gediend.

Den Haag. J. VAN DER PLOEG