is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 58, 15-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verdediging van het korte verhaal

Wie dichter is, kan aan het schrijven van gedichten niet ontkomen. Maar het schrijven van korte verhalen is een vreemde, fascinerende sport.

Hoe komt dat? Bij het gedicht is het onmogelijk, vorm en inhoud apart te zien: wie een gedicht opschrijft, krijgt èn vorm èn inhoud gedicteerd; hij heeft te zorgen dat beide zo verfijnd en zo treffend mogelijk zijn. Geen lichte taak!

Bij korte verhalen is het een beetje anders. Vele schrijvers kennen wel het begin van het verhaal en weten hoe het af zal lopen, maar ze zijn naar de „romp” ervan even nieuwsgierig als de lezer. Natuurlijk staat wel de vorm, ook van het middengedeelte, enigszins vast. We zullen straks daarvan bewijzen geven. Maar toch verkeert de schrijver in onwetendheid omtrent de overgangen, het tempo van de gebeurtenissen, en de nauwkeurige karakterisering van de personen. Slechts één ding kent hij reeds: de sfeer, de stemming waarin het verhaal geschreven zal worden.

„A short story is a series of atmosferics” dat geldt zelfs voor verhalen die uit een aaneenschakeling van revolverschoten bestaan, als het ten minste goede verhalen zijn. Want voorop gesteld zij, dat we hier niet het fabrieksmatige verhaal van de geïllustreerde weekbladen beschouwen, maar het korte verhaal met literaire kwaliteiten.

Het woord „fabrieksmatig” is niet overbodig; in Amerika en Engeland, waar men door het grote aantal lezers een flinke markt heeft, is het maken van short stories te vergelijken met het maken van gloeilampen of filmliedjes. Wie een recept bezit, en een vlotte stijl heeft, kan zijn producten al lijken ze op elkaar als twee druppels water op het publiek loslaten, en dan verdient hij er nog geld mee ook. Wie geen recept heeft, schrijft in op een cursus: „How to Write a Short Story? The key to a lot of bucks!” (De kans op een kist met knaken!)

In deze industrieproducten wordt volgens recept een lepel sfeer bij gevoegd. Spookgeschiedenissen worden voorzien van het vereiste aantal stormwinden, kastelen en waanzinnigen; voor mysterie-verhalen bestaat er een heel bruikbare standaardinleiding met 4 oude heren die bridgen bij een haardvuur.

Men kan de goede korte verhalen herkennen aan de wijze waarop de stemmingen elkaar opvolgen en aan de methode waarop ze opgeroepen worden. Dat gebeurt niet door traditionele attributen, maar door de beschrijving van de werkelijkheid. Er zijn tienduizend manieren om de lente in Parijs te beschrijven maar hij, die gewoon beschrijft hoe dat ook merkbaar is in een woonkazerne en in de reacties van de conciërge, maakt dat z’n lezer ook die vreemde geur ruikt, die bij de lente hoort. Voor zoiets bestaan geen recepten.

Het is wellicht nodig, te bewijzen dat de rol van de stemming ook in verhalen waar de intrige en de handeling het meest op de voorgrond treden, zeer belangrijk is. Het beste bewijs is wel, dat er korte verhalen te over zijn, die alleen op de stemming of de sfeer steunen. Om maar een paar voorbeelden te

noemen: de verhalen van Arthur van Schendel of van Aart v. d. Leeuw. Nuchter bekeken gebeurt er niets in deze verhalen; de hoofdpersoon is in het begin even ver als in ’t eind. Maar werk van deze twee schrijvers men niet nuchter bekijken.

Men vindt dit soms ook bij een schrijver als Steinbeck, wie het toch meestal om de handeling te doen is. In een fragment als „the Turtle” (de schildpad) uit „De Druiven der Gramschap” gebeurt niets, dat de moeite waard is. Een schildpad probeert een autoweg over te steken en wordt bijna overreden. Maar na lezing van dit fragment kennen we het landschap, de eentonigheid van de autoweg en het karakter van de chauffeur van een vrachtauto, zonder dat dit beschreven werd.

Zo is het dikwijls met korte verhalen: de schrijver kent maar één doel: een andere werkelijkheid op te roepen, een werkelijkheid die zo onontkoombaar is, dat men ze niet vergeten kan. Zo is een onbekend Italië uit de middeleeuwen een tweede vaderland geworden voor de lezer van Arthur van Schendels verhaal, die met de bedelaar Angiolino de lente in het Amodal heeft zien aankomen.'En wie in de „Vijf dichters van Arcadië (Aart van der Leeuw) gelezen heeft hoe de dichter Poot in de avond naar Delft kijkt, zal dat stadje voortaan als een oude bekende groeten.

Een uiteenzetting als deze loopt uit op de vrij negatieve constatering dat in de bedoelde voorbeelden sprake is van stemmingskunst-in-reincultuur, niet vertroebeld door enige dramatiek. Op deze wijze doet men de schrijvers te kort. Bovendien is het fenomeen van de stemming niet verklaard. Er is nog iets anders.

Vele korte verhalen hebben iets gemeen: let maar eens op het rhythme van de beginregels. Van Schendel heeft eens verteld dat hij zijn verhalen eerst in blank-vers schreef. Het vreemde is, dat dit slechts lukt aan diegenen, die geen groot dichter zijn. Ik hoop niet dat u het ijdel vindt, als ik beken dat ik deze methode voor de beginregels van een verhaal of een fragment er van ook wel eens gevolgd heb. ’t Is alleen maar een bewijs dat ik niet dichten kan: want die beroerde beginregels lopen nergens op uit en zijn dikwijls pas na vele veranderingen bruikbaar als grondstof in een verhaal.

Welke schrijver men ook neemt: O’Henry, Couperus, Edgar Allen Poe, E. T. A. Hoffmann, noem maar op; zij allen weten vanaf die miraculeuze eerste regel de aandacht te vangen. Het is het kenmerk van hun schrijverschap. Bij anderen is het niet zozeer een rhythmische kwestie; daar wordt door stijl, woordkeus en het kiezen van een kenmerkende omgeving de lezer reeds onmiddellijk in kennis gebracht met tijd en landaard van het onderwerp. Men lette eens op de beginregels van de hoofdstukken in Aart van der Leeuw: „Ik en mijn speelman.”

Toen ik zoëven de naam O’Henry noemde, dacht ik aan „gewone” soort story, die zijn waarde ontleent aan het verhalende karakter of de aard van handeling. Dit zijn de verhalen-met-het-verrassende-slot. Om bij eigen literatuur te blijven: sommige verha-

len van Couperus, Albert Helman, Henriëtte van Eyk, Godfried Bomans, en enige hoofdstukken uit de voorspoedig groeiende Carmiggeliaanse literatuur. Waarin zit echter de verrassing? In de handeUng op zichzelf of in de stijl?

Natuurlijk ontstaat een klap op de vuurpijl of een anti-climax, omdat een schrijver iets verzwijgt, of omdat hij de lezer een aantal mogelijkheden voorschotelt, en zelf met een onmogelijke oplossing komt aandragen. Het is het systeem van de detective-roman: vier man kunnen de dader zijn, dus no. vijf is de moordenaar zelfs al is dat de detective!

Hier dreigt het schrijven naar recept. Waarom we dan toch bovenstaande verhalen tot de literatuur kunnen rekenen? Wegens de stijl, de onconventionele wijze waarop de handeling zich ontwikkelt, en de weergave van stemmingen.

Maar er is nog iets. Wie wel eens een film van de technische kant heeft bekeken, weet wat „overblenden” is: de overgang tussen twee beelden door middel van een gedachte-associatie.

Er zijn twee manieren van verhalen schrijven: in één ruk achter elkaar door, of door aaneenlassen van fragmenten. Men kan het aan de verhalen niet zien: een goed geschreven verhaal mag wel in fragmenten verdeeld zijn, maar geen gietnaden vertonen. Van de helaas weinig bekende schrijver C. C. Crone, wiens betoverende humor met een tragische achtergrond zeker meer waardering verdient dan hem thans ten deel valt, bestaat een boekje „Het feestelijk leven”, dat geheel uit fragmentjes is samengesteld en toch de indruk van een geheel maakt. Zelfs met deze methode zal het niet meevallen, om de begrenzing van een fragment te vinden. Tenzij...

Tenzij de schrijver de vervelende gewoonte heeft, de fragmenten fragment te laten en de lezer het verloop van de handeling te suggereren. Maar omdat ik zelf wel eens met dat bijltje hak, zullen we er maar over zwijgen...!

Naast de compositie is het tempo van belang. Men kan dit zeer goed demonstreren aan de „Naumachie” van Couperus. Hierin wordt beschreven, hoe een Romeins gladiator deelneemt aan een gladiatorengevecht op een meer, dat na afloop van deze vertoning en het sneuvelen van vele gladiatoren drooggelegd zal worden door het openen van een sluis. De gladiator weet te ontsnappen en is, met de duizenden toeschouwers en de vrouw die hem gered heeft, getuige er van hoe deze drooglegging mislukt. De beschrijving van de gevechtsepisode is even groot als de in werkelijkheid veel langer durende ontsnapping. Dit heeft tot gevolg dat er voor de lezer een evenwicht tussen de beide gebeurtenissen ontstaat.

Natuurlijk is dit niet de enige sleutel naar het geheim van het succes van dergelijke korte verhalen. Voor het succes van een goed kort verhaal zijn tientallen sleuteltjes te vinden. Kinker, een tijdgenoot van Bilderdijk(!) heeft reeds gezegd, dat een goed schrijver de lezer nooit een sleuteltje in de hand geeft, of hij zit zelf met een zware bout achter de deur.

Toch is er één factor voor het succes van het korte verhaal, die niet afhankelijk is van de schrijver: de geest van deze tijd. Wij zijn ingesteld op wat kemachtig is, een overrompelend tempo heeft, en een feilloze gladde bouw. Zo zijn ook onze huizen, onze auto’s en onze telefoons. We vragen een zekere efficiency, ook in onze lectuur. Wat nu als kort verhaal gepubliceerd wordt, zou door schrijvers van andere perioden zonder twijfel zijn uitgewerkt tot roman. Wel is er