is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 59, 22-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het oude misverstand

Het kost soms enige moeite om wanneer een oude verlaten stelling weer fris en meeslepend voorgedragen wordt, zich te binnen te brengen, dat dit alles reeds lang geleden gezegd en weerlegd is. Zo ging het mij, toen ik in het Octobernummer van „Socialisme en Democratie” het tweede deel van het artikel van prof. dr Fred. L. Polak las „Gedachten van het socialisme over de toekomst”. Het is een alleszins boeiend artikel in een steeds weer levend maandschrift; het bevat heel wat suggesties, die de discussies op gang kunnen brengen, maar het artikel, dat er onmiddellijk op volgt en als tegenstem bedoeld is: H. J. Hofstra’s „Over de verhouding van utopie, socialistisch ideaai en compromis” heeft m.i. zeer overtuigend aangetoond, dat het artikel van prof. Polak niet zo klaarblijkelijk gelijk heeft als de overtuigde toon suggereert. Ik zou kunnen volstaan met naar deze discussie te verwijzen, maar de ideeën van prof. Polak zweven in de lucht en het is daarom misschien niet helemaal overbodig een bescheiden bijdrage tot het debat te leveren.

A. „Het socialisme heeft slechts waarde, voor zover het eigen waarde bezit” (blz. 584). Polak verklaart dit nader aldus: „Betrekt het zijn levenswaarden hoofdzakelijk via individuele christelijke of humanistische levensovertuiging, doch niet uit eigen spirituele bronnen, dan kunnen met een schaarbeweging deze verbindingslijnen worden afgesnéden”. Dit is nu wel aardig gezegd, maar beeldspraak (de schaarbeweging) overtuigt dan slechts wanneer er inderdaad iets uitgebeeld wordt. Wanneer Polak even tevoren de krachten noemt, die het vroegere socialisme hebben aangetast, dan vermeldt hij het „aanzwellend materialisme, nihilisme en passivisme” en nog meer „de vloedgolf van massaal pessimisme, dat alle heilsverwachting negativeert tot onheilsverwachting” (biz. 584). Voor zover deze stromingen nu aan kracht wonnen, oefenden zij allesbehalve een schaarbeweging uit, „sneden ze geenszins verbindingslijnen door”, maar verstopten zij de spirituele bronnen zelf, waaruit het socialisme zijn kracht put t.w. de christelijke of humanistische levensovertuiging. Men kan daarenboven van oordeel zijn, dat christendom en humanisme als het er op aankomt dieper en langer weerstand zullen bieden aan de vloedgolf van bijv. het materialisme dan een socialisme dat op eigen waarde teert.

Hoe meer ik er over nadenk, hoe minder ik versta van die eis, dat het socialisme een op zich zelf steunend en een met zich zelf volstaande levenswaarde moet zijn. De waardering van de arbeidende mens is toch altijd afhankelijk van het inzicht, dat men er op na houdt over de mens in het algemeen, over de plaats van de mens in het heelal; hoe kan men zich een socialistisch maatschappijbeeld vormen, als men zich niet eerst een overtuiging heeft gevormd over meer algemene vraagstukken omtrent de mens in de gemeenschap; hoeveel wezenlijke levensvragen blijven niet onbeantwoord, als men met hart en ziel weliswaar, maar dan toch, alleen-maarsocialist is. Natuurlijk kan ik me wei een mens denken ik heb er wel ontmoet

die alieen-maar-socialist is, voor wie het socialisme begin en einde van zijn levensovertuiging is, maar zo iemand lijkt me toch een allesbehalve gaaf en harmonisch ontwikkeld mens; bij zo een dreigt het socialisme een geestelijk gezwel te worden, een niet ongevaarlijke eenzijdigheid. Wanneer Polak dreigt, dat de moderne massamens en in het bijzonder de massajeugd niet in beweging komt, tenzij door een specifiek socialistisch ethos, dan kan ik alleen maar antwoorden met mijn even stellige overtuiging, dat van dergeiijke sociaiistische monomanen juist op de moderne jeugd heel weinig aantrekkingskracht uitgaat. Zij geloven niet, dat men alleen van het socialisme kan leven. Overigens, wie van een socialistisch ethos spreekt, zoals Polak doet, geeft zich reeds half gewonnen. Immers de mens heeft meer nodig dan zedelijke overtuiging; dit ethos dient zelf weer gefundeerd te zijn in een meer omvattende levens- of geloofsovertuiging, waarbij niet toegegeven wordt, dat zich een volledig stelsel zedelijke regels laat afleiden vanuit de socialistische idee. Ik kan het niet anders dan ais winst beschouwen, dat men tegenwoordig het socialisme verstaat als een typisch zedelijk klimaat; een tussenterrein dus, dat enerzijds geinspireerd en gedragen wordt door een diepere levensbeschouwelijke overtuiging of geloofszekerheid, en dat anderzijds zelf inspireert en draagt een aantal concrete beginselen en richtlijnen, die het gedrag van de mens als lid der maatschappij bepalen.

B. „Het socialisme heeft slechts toekomst voor zover het zelf een aanvaardbaar toekomstbeeld bezit” (blz. 585). Deze stelling lijkt me al evenzeer aanvechtbaar. Allereerst omdat de eis vandaag onredelijk is: men kan geen toekomstbeeld ontwerpen, reeds om de dwingende reden, dat, zoals Den Uyl schreef (S. en D. Mei 1952 aangehaald, maar niet weerlegd bij Polak): „Een klare, simpele maatschappij-analyse, die duideiijk laat zien, wat we van de toekomst

te verwachten hebben, is onmogelijk geworden”. De maatschappij van vandaag is te ingewikkeld, de toekomst bevat te veel onvoorspelbare elementen. Polak kan nu wel grote denkers citeren die het vroeger geprobeerd hebben (waarbij ik terloops aanteken dat het werk van Augustinus onder geen beding een maatschappelijk toekomstbeeld of utopie kan heten), de vraag is slechts: hebben deze utopieën inspirerend gewerkt. Ik laat de vraag nu maar rusten, of er van die fraaie constructies iets terecht is gekomen. Polak zal zeggen, dat dit ook niet nodig is en hij ziet blijkbaar niet, hoezeer hij daarmee zijn eis verzwakt. Loop maar eens warm voor een toekomstbeeld, waarbij je tevoren (niet achteraf!) reeds weet, dat de echte toekomst wei anders zal uitvallen.

Het is juist, dat de‘ mensheid geen vacuum duldt tussen heden en toekomst (blz. 588). Het is onjuist dat dit vacuum opgevuld dient te worden met een toekomstbeeld. Men kan dit aflezen uit het bestaan van conservatieve partijen, die uiteraard geen toekomstbeeld bezitten. Wil men ontkennen, dat zij niet vaak in de geschiedenis een grootse inspirerende kracht ontwikkeld hebben? Zij hadden beginselen en daarmee oordeelden zij het nu en bedwongen de toekomst. Het verschil met een progressieve partij is niet, dat deze een toekomstbeeld heeft, terwijl een conservatieve partij dit niet bezit. Het verschil berust in de andere waardering van het verleden. Maar beide stellen ze eisen aan de toekomst en werken er voor. Dat is geen toekomstbeeld. Dat is iets, dat oneindig veel rijker en menselijker en soepeler is. Het overleeft makkelijker teleurstellingen. Hofstra heeft dat goed geformuleerd: „Het socialisme wil een samenleving, die de mens in staat stelt zijn geestelijke bestemming te verwezeniijken in een gemeenschap, die hem daarbij ondersteunt en hem daarin niet belemmert. Daarvoor is nodig een vervanging van de overaccentuëring van het egoïsme, die het kenmerk is van het kapitalisme, door een geestesgesteidheid, die gericht is op naastenliefde en gemeenschapsbesef (blz. 599). Het komt me voor, dat zo’n program bezielend genoeg is en bruikbaar om elke maatschappelijke situatie te beoordelen, om een plan op korte termijn te ontwerpen tegen de achtergrond van het heden en nu de marsrichting te bewaren in de avontuurlijke gang naar de toekomst.

J. G. B.

DE NAASTE

Soms kan het zijn, dat je de naaste bent Van één, wiens schreden langs de jouwe gaan.

En die je maar zo oppervlakkig kent: Er zijn zo velen, die je nader staan.

Je gunt hem wel een vriéndelijk woord, een groet.

Wat aandacht soms voor zijn bekommernis, Maar je weet niet, dat hij in jou ontmoet

Degeen, die hem het allernaaste is. '

J. F. B. V. d. SCHEER