is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 60, 29-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onvolledig dagboek

18 November

Dat artikel van ds Faber uit Boxum over de nood der predikanten, waarvan ik een paar dagen geleden al iets in dit dagboek noteerde. laat me nog steeds niet los.

’t Gaat nog altijd om diezelfde zinnen: „Onder stille armoede versta ik, dat het predikantsgezin niet kan leven zoals het naar zijn geestelijke en culturele roeping behoorde te leven”. En: „Voor de oorlog gold het als een juiste maatstaf, dat de sociale positie van de predikant ongeveer overeenkwam met die van directeur van een boterfabriek. Na de oorlog is het zo geworden, dat de predikant gelijk is gekomen met de eerste kaasmaker”.

Ik heb, geloof Ik, voldoende duidelijk gemaakt, dat Ik de materiële (en daardoor geestelijke) nood van onze predikanten ernstig neem. En toch voel ik me bij bovenstaande zinnen van ds Faber niet lekker. Telkens komen een paar van die stekelige „lekevragen” bij me op. Heeft „geestelijke roeping” lets te maken met een bepaald materieel welvaartspeil? En met een zekere sociale „standing”? Ik neem het een predikant helemaal niet kwalijk, als hij gesteld Is op een comfortabel, materieel-welvarend bestaan en een cultureelverzorgd milieu. Een goed ingerichte pastorie, een volle boekenkast, voldoende armslag om zich ook In een goed-gesltueerde, cultureel-aantrekkelljke kennissenkring te kunnen bewegen, ’k Vind het nogal gewoon menselijk om zulke verlangens te koesteren. Maar of dat lets met een speciale geestelijke roeping te maken heeft? Zo Is het voor mijn gevoel ook met die culturele roeping. Wat Is dat? Bedoelt ds Faber, dat de (dorps)predikant de speciale goddelijke? – opdracht heeft „promotor der cultuur” te zijn. Of: komt hier de droom van een „goede, oude tijd” heel oud om de hoek kijken? De tijd, toen de kerk (en dus ook de pastorie) met alleen het religieuze, maar tevens het paedagoglsche, culturele en In zekere zin sociale centrum van de (dorps)samenlevlng was? Toen het dus ook vanzelfsprekend was, dat de predikant materieel en sociaal geklasseerd werd op één niveau met de andere sociale topfiguren der sociale (dorps )- gemeenschap? Als dit romantische heimwee meespeelt in de klachten van ds Faber, kan ik hem weinig troost bieden. Die samenleving Is met de goede, oude tijd verdwenen. Ik zeg niet, dat de cultuur het kan stellen zonder godsdienst. Maar zelfs de zijtakken van de rivier der cultuur, die het dorp drenken, lopen niet meer noodzakelijk door de pastorie. Ook op andere terreinen heeft men de kerk, de pastorie, de dominee niet meer zo nodig. Er Is een wereldlijke „diakonla” ontstaan In de vorm van sociale wetgeving, sociale voorzieningen, zorg van bedrijven voor hun personeel, enz., die vaak voortreffelijk werkt. De dlakonia der kerk, waarvan de glans afstraalde op pastorie, predikant en predikantsvrouw, Is gereduceerd tot een waardevol, maar beperkt onderdeel.

(En zelfs de zielszorg Is niet meer uitsluitend het domein van kerk en pastorie. Zielszorg te verstaan In de brede zin van:

de hulp aan de innerlijk ontwrichte en In nood geraakte mens. De psychiater, de sociale werkster en zelfs de personeelchef bewegen zich ook op dit terrein. En al ween: dikwijls uitermate deskundig en goed.

Ik heb soms de Indruk, dat kerk en pastorie zich te weinig deze veranderingen realiseren. Te weinig willen accepteren, dat hun positie een andere is geworden en dat daarmee de vroegere waardering van hun „status” noodzakelijk mee veranderen moest.

Daarom zint me de vergelijking met de directeur van een zuivelfabriek ook niet helemaal. Ik gun een predikant graag, dat hij het materieel net zo goed heeft. Maar dan graag zonder historische vergelijkingen

22 November.

Ds Buskes heeft In het nummer van 15 November ernstige bezwaren geuit tegen referaten en conclusies van de Christelijk Sociale Conferentie, ’t Kwam hierop neer, dat een fundamentele critlek op de structuur van onze maatschappij had ontbroken; dat er te weinig een radicaal geluld was gehoord.

Goed. Ik ben er niet geweest en neem graag aan, dat ds Buskes gelijk heeft. Maar Ik had zo graag In zijn artikel gelezen, wat er dan wel precies en In concreto ■— gezegd had moeten worden. Ds Buskes verwijt de Christelijk Sociale Conferentie te weinig radicalisme. Vanuit de P.v.d.A.

Maar zeer velen richten hetzelfde verwijt tot de P.v.d.A.: te weinig radicaal, te weinig fundamentele critlek op de structuur van onze maatschappij. En onder die radicalen zijn er, die op hun beurt andere radicalen nog eens hetzelfde verwijten

Daarom zou Ik zo graag weten, wat er op economisch en sociaal gebied fundamenteel en radicaal veranderen moet. En, dan wil ik niet als antwoord krijgen, dat er een diepgaande geestelijke verandering nodig Is. Want daarover is er stellig geen verschil van mening. Maar Ik wil weten, wat er In de structurele, organisatorische opbouw fundamenteel veranderen moet.

Bedoelt ds Buskes bijv. een radicale doorvoering van de medezeggenschap (ook economisch)? Of bijv. een consequente socialisatie van het economisch apparaat? Of een radicaal anti-mllltarisme? Of een consequente nivellering van alle Inkomens?

Zulke dingen zijn zeker radicaal. Ze zijn ook fundamenteel crltlsch tegenover de huidige maatschappij. Ik zou het zo graag weten, want Ik voel me nu ook vaak onzeker, als Ik de genoemde verwijten hoor.

En dan wilde Ik ook graag weten welk effect men van het radlcallsmie verwacht. Hebben we een voldoende duidelijk Inzicht in de vaak zo Ingewikkelde problemen om met een eerlijk geweten de leus van het radicalisme aan te heffen?

Soms sta Ik namelijk sceptisch tegenover het verwijt van een gebrek aan radicalisme, omdat Ik In dat verwijt een afreageren voel van een gevoel van onbehagen. Een onbehagen, dat zijn grond vindt in de moeilijke, ondoorzichtige situatie, waarin we leven en die ons de weg naar klare, eenvoudige, radicale oplossingen afsnijdt. Een af reageren van zo’n begrijpelijk en normaal gevoel In een roep om radicalisme, dat zelf niet komt met duidelijke, doorzichtige, „radicale” oplossingen, Is steriel en verwarrend.

Ds Buskes heeft ernstige bezwaren geuit. Ik zou hem willen vragen: help ons ook verder.

J. H.

STRIJD OM DE SAAR

Blanke slaven, politieke moord, onderdrukking, terreur, verscheurd volk, misdadige Franse praktijken, ziedaar een greep uit de woordenschat van de Duitse politici, nu zij zich bezighouden met de kwestie van het Saargebled en de Franse politiek ten opzichte van West-Dultsland.

„Blanke slaven” slaat op de vele Duitsers, die voor het vreemdelingenlegioen geronseld worden en In Indo-China de communistische macht helpen bevechten. „Politieke moord”, dat Is het geval van de dood van de zeventigjarige Saarlander Geiger; een tragisch geval, waarvan geen bijzonderheden bekend zijn. Geiger stond bekend als pro-Dults. Vier mannen zijn zijn huls binnengedrongen, naar officiële verklaring om illegale pamfletten te zoeken. Uit emotie of ten gevolge van mishandeling is Geiger overleden. De Saarlandse en Franse autoriteiten geven nauwelijks bijzonderheden. De West-Dultsers daarentegen hebben van Geiger hun martelaar gemaakt en strooien gruwelijke verhalen rond. Waar? Niet waar? Wij kunnen het onmogelijk zeggen, al moge wel worden geconstateerd, dat de Duitse politici het geval op de onsmakelijkste wijze uitbuiten.

De leeftijd van het slachtoffer Is In enkele dagen met 10 jaar toegenomen. Volgens de ) eerste berichten was Geiger 70 jaar. Nu , wordt als zijn leeftijd al 80 jaar genoemd. ; „Onderdrukking en terreur” hebben be: trekking op het feit, dat het Saargebled inderdaad weinig politieke vrijheid kent. De Fransen zijn te benauwd, dat de Saarlanders zich weer zullen willen aansluiten bij Duitsland, om politieke partijen toe te staan die zulk een aansluiting nastreven. 1 Formeel een juist standpunt, zoals elk Frans standpunt formeel wel ergens verdedigbaar Is. De Fransen achten het Saargebled nl. onafhankelijk en dientengevolge i elke politieke activiteit om die Saarlandse onafhankelijkheid aan te tasten staatsgevaarlijk. „Verscheurd volk” Is een term, die In de dagen van Hltler ook al opgeld deed. i „Die Saar Ist deutsch” en de Duitsers kunnen deze broederscheldlng niet dragen!

„De misdadige Franse praktijken” bestaan daaruit, dat de Duitsers het niet eens zijn met het Franse streven om kost wat liet icost Baarland onafhankelijk en econornisch " Frankrijk verbonden te houden.

De emotie zal nog wel toenemen, aan-