is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 62, 13-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Tnah volheid. j Psalm 24 ; 1 / M^

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 13 December 1952 Nr62

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhofif

Redactie-Secr.: Roerstraat 48* Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhofif

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet dsH. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

nementpajamfS,—; halfjaarf2,7S; kiaarlaal 1 iJO phufOJS hraira. Losst mi/O.IS; Pcrlgira 21876; Gem. V 4500‘, AAn. N.V. De Aiheifrrsprrs, HtkebeU 15, AmsUrdam-C; Pat6mi 800

DE PARTIJ VAN DE ARBEID GEEN GEESTELIJK THUIS!

Een van de bezwaren, die altijd opnieuw tegen de doorbraak worden ingebracht, is dit bezwaar: Het is voor een christen onmogelijk, om zich in de Partij van de Arbeid geestelijk thuis te voelen. De Partij van de Arbeid is in geestelijk opzicht zo’n heterogeen gezelschap, dat een christen het er niet uithoudt. In de Anti-Revolutionnaire Partij en de Christelijk-Historische Unie is dat geheel anders. Daar vindt men de vertrouwde christelijke sfeer. Allen zijn één in geloof. Daarom kan een christelijke politieke partij voor een christen een geestelijk thuis zijn. De Partij van de Arbeid kan dat niet. Daar zal men integendeel voortdurend in zijn diepste geloofsovertuiging gekrenkt worden.

Zo zei jaren geleden de heer Tilanus, de voorzitter van de Christelijk Historische Unie, tegen mij, het onbegrijpelijk te vinden, dat ik liever met de socialisten de Internationale zong dan met de Christelijk-Historischen de Psalmen en de Gezangen. En de heer Kruithof, de vroegere voorzitter van het C.N.V., citeerde op de Christelijk Sociale Conferentie bij zijn bestrijding van de doorbraak een Psalmvers: „Ik ben een vriend, een metgezel van allen, die de Heer ootmoedig vrezen” en stelde mij de vraag, hoe ik deze Psalm kon zingen en toch aan het C.N.V. de rug toekeren. De mannen van het C.N.V. vrezen de Heer, de mannen van het N.V.V. doen dat niet. Hoe is het dan toch mogelijk, een metgezel van de laatsten en niet van de eersten te zijn?

Aan de heer Tilanus heb ik indertijd geantwoord, dat ik niet wist, dat de Psalmen en Gezangen het bezit van de Christelijk-Historische Unie waren. Dat antwoord geef ik nog. De Psalmen en Gezangen zijn het bezit van de Christelijke Kerk, niet van één bepaalde kerk en zelfs niet van alle kerken samen, maar van de éne gemeenschap van allen, die in Jezus Christus geloven. Die Psalmen en Gezangen zing ik samen met Tilanus, Jan Schouten en Kruithof in de kerk. Daar heb ik geen christelijk politieke partij en geen christelijke vakvereniging voor nodig. Hier dreigt het gevaar, dat de christelijke organisaties zich in de plaats van de kerk dringen. Eén in het geloof ben ik met allen, die samen met mij Jezus Christus belijden. Met allen! Dus ook met hen, van wie ik in politiek opzicht verschil.

ja zelfs met hen, die in politiek opzicht mijn grootste tegenstanders zijn. De scheidslijn tussen geloof en ongeloof (of niet-geloof) is een heel andere dan die tussen uiteenlopende politieke overtuigingen. En ik heb er niet de minste behoefte aan, om in mijn politieke partij Psalmen en Gezangen te zingen. Daar heb ik veeleer bezwaren tegen, omdat het tot noodlottige misverstanden aanleiding geeft. Politieke overtuiging en christelijke geloofsovertuiging worden zo al te gemakkelijk dooreengemengd en soms zelfs vereenzelvigd. „Ik ben een vriend, een metgezel van allen, die de Heer ootmoedig vrezen”. Ik zing het graag, maar tot hen, met wie ik zo zingen wil, reken ik Lieftinck, Van Walsum, Banning en Van Rhijn even goed als Tilanus, Jan Schouten en Kruithof. De Heer ootmoedig vrezen is heel iets anders dan tot de Anti-Revolutionnaire Partij of de Christelijk-Historische Unie behoren. Een politieke partij is nu eenmaal geen kerk en zelfs geen geestelijk thuis.

Maar was de S.D.A.P. dan in vroeger jaren niet een geestelijk thuis voor de nietchristelijke arbeiders en is het niet juist de klacht van vele oud-S.D.A.P.ers, dat de P. V. d. A. dit geestelijk thuis niet meer is?

Inderdaad, dat was zelfs zozeer het geval, dat er arbeiders waren, die, als zij het biljet voor de volkstelling invullen, de S.D.A.P. opgaven als de kerk, tot welke zij behoorden. Voor hen was het socialisme een levens- en wereldbeschouwing en dus was de S.D.A.P. hun geestelijk thuis.

Maar dit alles was mede het gevolg van de antithesepolitiek, die ons Nederlandse politieke leven vele jaren bepaald en beheerst heeft. De Doorbraak betekent, dat aan dit alles, en naar mijn overtuiging terecht, een einde is gekomen.

Mijn geestelijk thuis vind ik als belijdend christen niet in een politieke partij, maar in de gemeenschap der kerk en ik verzet mij principieel tegen de gedachte, dat de politieke partij, tot welke ik behoor, een geestelijk thuis voor mij dient te zijn. Het is niet de functie van een politieke partij, om een geestelijk thuis voor haar leden te zijn. Dat is veeleer in strijd met haar karakter als politieke partij.

In de politiek ben ik eea vriend en een metgezel van allen, die met mij willen strij-

den voor de verwezenlijking van een bepaald politiek program, in mijn geval: voor de verwezenlijking van het democratisch socialisme. In de socialistische partij wil ik samen met alle socialisten socialistische liederen zingen, maar die socialistische liederen hebben voor mij een heel andere waarde en betekenis dan de Psalmen en Gezangen.

Wil men het concreet?

Op het Kerstfeest zing ik met Tilanus, Schouten en Kruithof:

Daar is uit ’s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan...

en dan zingen wij niet:

Op socialisten, sluit de rijen, het rode vaandel volgen wij...

Maar op 1 Mei zing ik samen met Drees en Sam de Wolff in de 1 Mei-meeting:

Ontwaakt verworpenen der aarde... en dan zingen wij niet:

Geloofd zij God met diepst ontzag... De tegenstanders van de doorbraak doen

trouwens op andere gebieden precies hetzelfde.

In de maand April zingen zij op de vijfde-Pasen samen met Lieftinck, Van Walsum. Banning en Van Rhijn vrienden en metgezellen van allen, die geloven in de opgestane Heer:

Wees gegroet gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis...

maar dat lied zingen zij niet op 30 April, de verjaardag van de Koningin. Dan zingen ze samen met alle Nederlanders:

Wilhelmus van Nassouwe ben ik van Duitsen bloed...

Wij zullen radicaal moeten breken met de gedachte, dat de waardevolle nationale, politieke, sociale en culturele levensverbanden ons geestelijk onderdak moeten verlenen. Zij hebben een geheel andere functie dan de kerk. Daarom hebben zij, indien zij ze hebben, ook heel andere liederen.

De mannen van de doorbraak hebben de Psalmen en Gezangen niet ingeruild tegen de Internationale en de Socialistenmars, evenmin als de christelijke natuurvrienden ze hebben ingeruild tegen „Naar de duinen, naar de bossen” en „In ’t groene dal, in ’t stille dal”.

Laten wij de verwarring, die toch al zo groot is, nog niet groter maken door verwarrende stichtelijkheden.

Misschien moeten wij de veronderstelling wagen, dat het een bewijs van het grote geestelijke tekort van de kerk is, dat zo velen in alle mogelijke christelijke organisaties hun geestelijk thuis zoeken.

Maar wat moeten de niet-christelijke arbeiders, die vroeger in de S.D.A.P. hun geestelijk thuis vonden?

Dat is een vraagstuk, waaraan wij waarschijnlijk tot nog toe te weinig aandacht